Antropologen en beleidsmakers: Van de schoenmaker en de leest

Datum bericht: 31 mei 2016

Door Martijn Koster, docent en onderzoeker bij CAOS.

Antropologen doen regelmatig onderzoek naar beleid. Ze doen, bijvoorbeeld, onderzoek naar de totstandkoming of de uitwerking van overheidsbeleid om werkloosheid te verminderen, of ze bestuderen hoe de IND, woningcorporaties of scholen een transitie doorvoeren. De onderzoekers krijgen dan te maken met beleidsmakers, zowel bestuurders als ambtenaren. Beleidsmakers zijn mogelijke informanten in dergelijk onderzoek. Daarnaast zijn zij vaak ook degenen met wie wordt overlegd over de probleemstelling en het onderzoeksontwerp en aan wie de resultaten worden gepresenteerd. In opdrachtonderzoek moeten de resultaten een antwoord leveren op de vraag waarmee de onderzoeker op pad is gestuurd. Bij ander onderzoek – bijvoorbeeld fundamenteel onderzoek naar beleidsprocessen – wordt ook vaak van de onderzoekers verwacht dat zij een aantal bruikbare inzichten bieden. Doorgaans verwachten beleidsmakers dat de onderzoekers beleidsaanbevelingen formuleren op basis van hun resultaten. Dit kan echter leiden tot misverstanden. De beleidsaanbevelingen sluiten vaak qua inhoud en formulering niet aan bij de verwachtingen en mogelijkheden van bestuurders en ambtenaren. Mijn eigen ervaring hiermee is dat aanbevelingen kunnen worden gezien als ‘zeer interessant, maar niet passend binnen de vastgestelde kaders’ of als ‘goede punten, maar er is geen budget voor’.

Misverstanden ontstaan ook vanwege de verschillen tussen het referentiekader van de antropoloog en dat van de beleidsmaker. De antropoloog gaat kritisch-analytisch aan de slag, de beleidsmaker instrumenteel. Beleid is voor antropologen een verschijnsel dat in de hedendaagse samenleving een grote rol speelt waar het gaat om de sociale organisatie en processen van in- en uitsluiting. Voor de beleidsmaker is beleid iets anders. Het is hun werk. Bestuurders definiëren problemen waarin ze willen interveniëren door middel van beleid. Ambtenaren voeren het beleidsproces uit. De verschillende referentiekaders kunnen leiden tot situaties waarin de onderzoekers kritisch wijzen op de sociale uitsluiting van bepaalde groepen, terwijl de betrokken bestuurders het beleid bestempelen als een succesvolle interventie en de ambtenaren het zien als een feilloos uitgevoerd proces. Zo heb ik zelf ooit gemeentelijk beleidsmakers, in een onderzoek over jongeren in achterstandswijken, aangeraden om hun projecten voor jongeren niet alleen te financieren uit de budgetten voor criminaliteitspreventie en veiligheid. Mijn analyse gaf aan dat daar een stigmatiserende werking vanuit ging, zowel onder de betrokken ambtenaren als onder de jongeren zelf. De verantwoordelijke beleidsmaker begreep mijn aanbeveling echter niet: er was volgens hem immers een probleem met veiligheid en criminaliteit en dus werden interventies onder die noemers uitgevoerd.

Om dergelijke misverstanden te voorkomen, neig ik er nu naar om beleidsmakers zelf aanbevelingen te laten formuleren op basis van de onderzoeksresultaten, zowel in opdrachtonderzoek als in meer academische projecten. Liefst natuurlijk in goed overleg tussen beleidsmakers en onderzoekers, om nog beter te garanderen dat de aanbevelingen in lijn liggen met de resultaten. Zo heb ik zelf in bovengenoemd onderzoek voorkomen dat betrokken beleidsadviseurs op basis van mijn onderzoek een aanbeveling schreven over de rol van ouders, terwijl deze rol in mijn onderzoek niet aan de orde kwam. ‘Schoenmaker hou je bij je leest’ – het aloude adagium lijkt ook op te gaan voor antropologen die onderzoek doen naar beleid. De onderzoeker doet onderzoek, de beleidsmaker maakt beleid.