Nota Kaag: Vijf Gesprekpunten: Bescheidenheid gevraagd

Datum bericht: 28 juni 2018

Door Paul Hoebink, gasthoogleraar aan de Hochschule Rhein-Waal in Kleve.

Vandaag, aan het eind van de middag, discussieert de Tweede Kamer met Minister Kaag haar nieuwe nota over buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking ‘Investeren in Perspectief’. Paul Hoebink reikt vijf gesprekspunten aan die hij vorige week ook aan de Tweede Kamercommissie presenteerde.

  1. Bescheidenheid gevraagd
    Nederland, minister Kaag en de Tweede Kamer kunnen hele mooi grote doelstellingen hebben, maar Nederland is inmiddels een kleine donor geworden door de € 1,4 miljard bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking van het vorige kabinet die ook onder dit kabinet zijn blijven bestaan. Door het relatief kleine volume aan hulp drukken de verplichte uitgaven aan internationale organisaties zwaar op de begroting. Voor nieuwe investeringen heeft de minister slechts 429-490 miljoen euro beschikbaar in de komende jaren, waarvan het grootste deel gaat naar humanitaire hulp voor de opvang van vluchtelingen (265-290 miljoen). Mooi dat de minister in haar nota twee pagina’s vult over rechten, empowerment en onderwijs voor meisjes en vrouwen, maar er is daarvoor maar een schamele 30 miljoen beschikbaar. Het huidige Tweede Kamerlid Bram van Ojik zat ooit als directeur bij Buitenlandse Zaken trots in het bestuur van het internationale fonds Partnership for Education met de benen op tafel en kreeg sigaren en whisky aangeboden, omdat Nederland niet alleen een van de oprichters daarvan was maar ook de grootste contribuant. Bij de laatste Pledging Conference van de Partnership for Education, waar nu Macron mooie sier maakte, in februari in Dakar, zat de Nederlandse Plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking daarentegen stilletjes in een hoekje, omdat Nederland het enige grotere donorland was dat geen geld in de pot deed. Uiteindelijk stelt Nederland nu wel 15 miljoen beschikbaar, maar dat is 1/22e van wat Groot-Brittannië doet en het is zelfs minder dan Italië bijdraagt. Kortom, houd het bescheiden, pas de doelstellingen aan aan de beperkte middelen voor ontwikkelingshulp die Nederland nu heeft, ook in onze focuslanden zelf. Nog maar 10% van de Nederlandse hulp gaat naar directe hulp (de zogenaamde Country Programmable Aid direct aan regeringen in ontwikkelingslanden zelf) en met die kleine bedragen kun je ook de regering in Rwanda niet de les lezen.
  1. Vermijd absurde keuzes
    Als er een lijst van nieuwe focuslanden komt, waarop de Nederlandse hulp zich vooral richt, moeten we onderscheid maken tussen die landen (1) waarmee we een langdurige ontwikkelingsrelatie hebben of willen aangaan, (2) die landen die alleen humanitaire hulp zullen ontvangen (en die we dus geen focuslanden moeten noemen) en (3) die landen waar we ook in de toekomst intensief mee willen samenwerken vanwege het gezamenlijk voorzien in mondiale publieke goederen (gezondheid, kennis, milieu) en vanwege Nederlandse handelsbelangen daar. Het is werkelijk absurd om, zoals de minister voorstelt, dan Nigeria, een rijk olieland tot focusland te maken. Nigeria was al eens van 1968 tot 1976 concentratieland voor de Nederlandse hulp – u mag raden waarom (Nederland financierde daar projecten voor bodemonderzoek) – en is toen van de lijst afgevoerd vanwege die olierijkdom. Dan hebben we het nog niet eens over de bovenmatige corruptie in Nigeria, die het financieren van programma’s moeilijk maakt. Een al even absurde keuze van de minister is Niger dat onderdeel is van de Françafrique, derde uranium exporteur van de wereld waar Areva/Cogema, het Franse semi-staatsbedrijf, grote belangen heeft, waar de Europese Commissie en de VS ook al met grote hulpbedragen zitten, veel en veel groter dan Nederland ooit zou kunnen bijdragen. Tegelijkertijd zou Nederland dan Benin moeten laten vallen, stelt de minister voor, waar we een gezond programma hebben. En waarom gaan we dan niet terug naar Burkina Faso, als we in die regio extra willen investeren? Burkina dat mede door het plotselinge en, volgens de inspectie van Buitenlandse Zaken zelf, onbehoorlijk snelle Nederlandse vertrek onder staatsecretaris Knapen een kwart van zijn hulp heeft verloren. Vanuit het tweede oogpunt, de toekomst van internationale samenwerking en Nederlandse handelsbelangen, is ook het voorgestelde vertrek uit Indonesië niet te begrijpen.
  1. Herdenk de migratie-ontwikkeling ‘nexus’
    De Europese Commissie heeft tien dagen geleden zijn beoogde budget voor migratie bekend gemaakt: 34,9 miljard voor 2021-2027 (dat was 13 miljard in de afgelopen zes jaar); dat is per jaar anderhalf keer de totale Nederlandse hulpbegroting. Dit is het budget dat alleen bedoeld is om vluchtelingen en migranten tegen te houden. Daar komt dat voor investeren in de regio nog bij. Dan moet Nederland niet gaan doen, wat de Commissie al doet (met 25 miljoen voor migratie en 30 miljoen voor het creëren van werkgelegenheid die minister Kaag ter beschikking heeft), maar kijken waar Nederland speciale extra dingen kan doen, een niche zoeken. Dat vereist een extra analyse (door de WRR?), waar het probleem migratie-ontwikkeling dieper geanalyseerd wordt: vooral ook om een helder onderscheid te krijgen tussen migranten en asielzoekers; met realistische cijfers over demografische groei in Afrika; met een evaluatie van tot nu toe ondernomen acties op het terrein van scholing en het scheppen van werkgelegenheid (de EU heeft daar een tiental jaren geleden al 450 miljoen in geïnvesteerd), en de rol die Nederland en lidstaten kunnen spelen naast de Europese Commissie.
  1. Reageer op de Peer Review van het DAC
    Nooit eerder in de geschiedenis kreeg Nederland zo’n kritische Peer Review van het Development Assistance Comittee als die van vorig jaar. Waar Nederland vroeger gouden medailles kreeg, was het nu niet eens aluminimum. We kunnen de kop in het zand steken, maar dat heft de crisis in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking niet op: verhoging van de directe hulp, minder centralisatie, integratie van de centrale doelstellingen in alle financieringen en instrumenten, vermindering en rationalisering van de subsidie-instrumenten, evaluatie van die financieringsinstrumenten om te kijken wat werkt en wat niet, een veel gerichter evaluatiebeleid zonder dikke rapporten die niemand leest en gebruikt. Minister Ploumen en ook minister Kaag hebben nooit een antwoord gegeven op de kritische opmerkingen van het DAC. Het wordt tijd dat die komt.
  1. Til de maatschappelijk verantwoord ondernemen convenanten naar Europees niveau
    De beste erfenis van het vorige kabinet, de enige plek waar hulp en handel wel bij elkaar kwamen, verdient uitbreiding. Minister Ploumen, die fantastisch kon ‘spinnen’, werd voortdurend in de niet-wetende Nederlandse media geprezen om de ‘revolutionaire’ combinatie van hulp en handel, waar die als twee losse pilaren naast elkaar stonden. Waar ze wel bij elkaar kwam was in de MVO-convenanten over onder andere textiel en kleding, palmolie, financiële diensten. Het is belangrijk om die uit te breiden niet alleen naar andere producten, zoals koffie, cacao, specerijen, maar ook naar andere lidstaten; voor een duurzame, klimaatbestendige landbouw, voor faire prijzen en goede leef- en werkomstandigheden voor boeren en arbeiders in landen die ons deze producten leveren.