Taal als kunst van objectiviteit

Datum bericht: 16 september 2016

Door Hans Marks, docent en onderzoeker bij CAOS.

Elk jaar ontbrandt er weer een discussie over het Engels als wetenschappelijke taal op universiteiten. Een woordelijke wedijver die niets anders is dan een normaal machtsspel, waarbij argumenten worden gehanteerd over de beheersing van het Engels en de eigen landstaal. De achterliggende gedachten, en de eigenlijke kern van een dergelijk debat, zijn van politiek economische aard. Het betreft de internationalisering, en daarmee vergroting van de studentenpopulatie voor universiteiten, mogelijkheden tot studie in het buitenland en vergroting van arbeidsmarkt, het publiceren in Engelstalige tijdschriften beoordeeld door ‘gelijken’ (peer). Of dit nu gebeurt in het Engels, Duits, Frans, Russisch of Chinees, maakt voor het wetenschappelijk bedrijf niets uit, en is afhankelijk van de langdurige dominantie van een regio of economie. Er zijn vruchtbare wetenschappelijke perioden geweest waarbij in de landstaal werd gecommuniceerd; want vergeet niet, als ideeën slechts in één dominante taal worden verwoord neemt de verbeeldingskracht en diversiteit ook af, en vormt taal een dwangbuis die leidt tot tunnelvisies.

Maar eigenlijk gaat dit debat slechts over de vorm van de wetenschap, is het politiek en heeft voor- en nadelen voor de effecten van het bedrijf. Veel belangrijker is de inhoud van het wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. Want waar gaat het eigenlijk over. Kijk naar de culturele antropologie en ontwikkelingssociologie. In het onderzoek van deze opleidingen staat objectiviteit centraal als het idee dat we recht dienen te doen aan het object van onderzoek. Sta daar eens even bij stil. Inhoudelijk en praktisch wil dat zeggen dat de verschijnselen die we onderzoeken, gefileerd dienen te worden in de terminologie en betekenis van de onderzochte groepen mensen willen we aanspraak maken op een mate van objectiviteit. Makkelijker gezegd dan gedaan. Kijk naar de natuurkunde, waar het niet mogelijk is om recht te doen aan het object, omdat deze onderzoekers niet in het hoofd van een Hicksdeeltje kunnen kruipen. Van binnenuit kunnen begrijpen is niet mogelijk. Vandaar dat natuurkundigen verschijnselen in een andere taal bestuderen, voornamelijk wiskunde (en het dialect van de statistiek). Maar staan mensen centraal in ons onderzoek, proberen we hen te begrijpen, trachten we in het hoofd te kruipen van onze medemensen, ook al huldigen zij andere opvattingen en drukken zij dat uit in een andere taal of dialect. Om in het hoofd te kruipen gebruiken we ook een gebrekkig middel, namelijk talen en dialecten om ideeën en betekenissen intersubjectief te begrijpen. Kijk naar wat er in onze eigen samenleving gebeurt: populistische politieke bewegingen maken gebruik van een andere taal dan doorgaans gebezigd in het politieke bedrijf. Dat is niet zonder reden, omdat hun aanhangers zich begrepen voelen.

Dit is geen pleidooi voor populisme. Want de grootste fout die een sociaal wetenschapper kan maken is zijn onderzoekspopulatie na te praten in zijn rapportages, zoals populisten doen. Een volgende stap is en blijft het zoeken naar verklaringen door interpretatie van onderzoekers zelf, maar de basis en eerste stap is begrijpen door taal en betekenis. Door de nadruk op Engelstalig onderwijs en onderzoek treedt een verschraling van de diversiteit in onderzoek op. Onze studenten blinken tegenwoordig uit in het gebruik van Engels. Maar door de dominantie ervan doen velen slechts onderzoek in Engelstalige gebieden, of nog erger verrichten onderzoek met behulp van het Engels en enkele landseigen woorden in landen met een eigen taal of regio’s met sterk onderscheiden dialecten (zie Nederland). Het wordt tijd voor diversiteit, en minoren over taal en betekenis.