Onderzoekslijn

Het Centrum voor Internationaal Conflict - Analyse & Management (CICAM) van de Faculteit der Managementwetenschappen, Radboud Universiteit Nijmegen, richt zich op grootschalige conflicten, die gewelddadig van aard zijn of waar een sterke oorlogsdreiging vanuit gaat. Een nadruk ligt hierbij op de dynamiek van interventie in conflict en op strategieën voor postconflict vredesopbouw.

Conflictanalyse
In het verleden hebben conflictstudies zich voornamelijk gericht op conflictoorzaken, vanuit de gedachte dat het oplossen van conflicten een beter begrip van oorzaken vereist. Huidig wetenschappelijk onderzoek probeert echter verder te kijken dan naar conflictoorzaken alleen, aangezien de dynamiek van conflicten sterk blijkt samen te hangen met contextfactoren en het gedrag van individuele conflictactoren (Cramer 2006, Doyle & Sambanis 2006, Goodhand 2006, Kalyvas 2006).
Zo wordt momenteel betoogd dat voor het vinden van een oplossing het analyseren van alleen conflictoorzaken niet voldoende is, aangezien het verloop van een conflict inmiddels ook tot nieuwe tegenstellingen en problemen heeft geleid. Mensen weten soms niet eens meer waarom het conflict ooit is begonnen (Woodward 2009). Het is vaak zaak om de structuren te doorbreken die het conflict in stand houden, zoals de oorlogseconomie. In veel conflicten is de analyse van oorzaken en verloop zelf deel geworden van het conflict (Lemarchand & Niwese 2007) en analyse van discours heeft zich ontwikkeld tot een belangrijk veld in conflictonderzoek (Van Leeuwen 2009). Ook zijn de ‘officiële' conflictoorzaken vaak maar een deel van het verhaal. De grand narrative van een conflict maskeert het feit dat op lokaal niveau allerlei andere conflicten worden uitgevochten. Het grotere conflict stelt mensen soms in staat om oude rivaliteiten uit te vechten of een slaatje uit de instabiele situatie te slaan (Kalyvas 2006).
Conflicten hebben een eigen dynamiek. Oorzaken zijn niet statisch. Er komen nieuwe bij, en het conflict wordt ook aangegrepen voor het ten uitvoer brengen van allerhande private doeleinden. Er ontstaat een complexe mix van lokale en nationale conflicten en van economische, politieke, en identiteitskwesties. Ook herbergen conflicten zowel positieve als negatieve elementen. Zij hebben veel negatieve gevolgen, maar bewerkstelligen soms ook noodzakelijke sociale verandering (Galtung 2003, Cramer 2006). Een belangrijke vraag is dan hoe lokale en internationale actoren kunnen omgaan met dergelijke complexe conflictsituaties. Hoe kunnen zij komen tot toepasbare strategieën om conflicten te beheersen die tevens rekening houden met de complexiteit van conflictsituaties? Het onderzoek van het CICAM beoogt aan te sluiten op dergelijke vragen.

Dynamiek van interventie
Conflictanalyse is dus meer dan conflictoorzaken alleen. Naast bovenstaande elementen, vormt ook interventie een belangrijk onderdeel van conflictanalyse. Geen enkel conflict is vrij van externe (conflictbeheersings)interventie. Interventie is niet alleen een reactie op conflict: het beïnvloedt uiteraard ook het conflict waarin wordt geïntervenieerd. Er bestaat een dynamische relatie tussen lokale (conflict)factoren en interventie. Als gevolg hiervan - en van de hierboven geschetste complexiteit van conflicten - is de uitkomst van een interventie bijna altijd anders dan van tevoren was bedoeld. Conflictanalyse kan dus niet los worden gezien van conflictbeheersing: conflictbeheersing moet onderdeel zijn van de analyse aangezien het gevolgen heeft voor de manier waarop een conflict zich ontwikkelt.
Interventie wordt hier breed opgevat. Het behelst uiteenlopende activiteiten die staten, internationale organisaties, non-gouvernementele organisaties (NGO's) en andere  maatschappelijke actoren ontplooien in (post)conflictgebieden. Dit kan variëren van het ondersteunen van politieke (oppositie)partijen door prodemocratische stichtingen uit het Westen, via het verstrekken van noodhulp door NGO's, tot militaire interventie en vredesmissies. De bereidheid om te interveniëren is sinds de Koude Oorlog aanzienlijk toegenomen. Ook de mate waarin wordt geïntervenieerd is vergroot. Had men eerst bescheidener doelstellingen van peacekeeping en het toezien op de uitvoering van een vredesakkoord, tegenwoordig zijn doelstellingen als regime change, staats- en maatschappijopbouw, het versterken van de rechtsstaat, en democratisering gemeengoed. Deze ontwikkeling is wel de ‘radicalisation of development' genoemd (Duffield 2001). Een belangrijk onderzoeksthema voor het CICAM is de analyse van de agenda's die aan interventie ten grondslag liggen, en de veronderstellingen waarop deze berusten (Van Leeuwen 2009; CICAM / Institute Clingendael 2009).
Het debat over interventieagenda's heeft sinds de Global War on Terror alleen maar aan belang gewonnen. Internationale aandacht is verschoven naar zwakke staten, en het maatschappelijk middenveld wordt in toenemende mate met achterdocht bekeken. Een belangrijk debat betreft de samenwerking tussen militairen en maatschappelijke organisaties (waaronder CIMIC) en de implicaties die dit heeft voor hoe lokale burgers aankijken tegen interventie.

Strategieën van postconflict vredesopbouw
De meerderheid van Derde Wereldlanden kan worden gekwalificeerd als ‘postconflict'. Om die reden is de belangstelling voor vredesopbouw de afgelopen decennia sterk gegroeid onder ontwikkelingsorganisaties en anderen die in dit deel van de wereld werken (Van Leeuwen 2009).
Ontwikkelingsstrategieën moeten ‘conflictsensitief' zijn om te kunnen bijdragen aan vrede, of in elk geval te voorkomen dat onbedoeld wordt bijgedragen aan conflict (Anderson 1999, Junne & Verkoren 2005). De vraag is ook hoe kan worden voorkomen dat interventies lokale capaciteiten ondergraven (Verkoren 2008). Dit heeft mede geleid tot bovengenoemde ‘radicalisering van ontwikkeling': steeds meer is het idee dat grote maatschappelijke en politieke hervormingen dienen te worden nagestreefd ter bevordering van duurzame vrede. Dergelijke vredesopbouwstrategieën zijn conceptueel echter nog weinig ontwikkeld en in de praktijk vaak problematisch. Tot op heden bestaat er weinig overeenstemming over de opeenvolging van en samenhang tussen verschillende vredesopbouwinterventies (CICAM/Institute Clingendael 2009).
Postconflictlanden worden steeds meer behandeld als ‘clean slate' waar een nieuwe situatie vanaf de grond kan worden opgebouwd. Bestaande, vaak informele, instituties, gewoonten en machtsverhoudingen worden hierbij over het hoofd gezien. Dit brengt veel problemen en discussie met zich mee. Want wie bepaalt eigenlijk naar welk model een (post)conflict maatschappij moet worden opgebouwd? Is er sprake van het opleggen van een specifiek, Westers model, ook wel de ‘liberal peace' genoemd (Duffield 2001, Richmond & Carey 2007) of zelfs van een nieuwe vorm van 'empire' (Ignatieff 2003, Chandler 2006)? Hoe te voorkomen, dat moderne protectoraten ontstaan die niet op eigen benen kunnen staan, zoals in de Balkan is gebeurd (Chandler 2006, Hughes 2009)?
De grootste spelers op het terrein van state building en peace building zijn nog altijd nationale overheden die bilaterale hulp verschaffen en multilaterale internationale organisaties, zoals de NAVO, OVSE, de Europese Unie, de Verenigde Naties en de Wereldbank. Nederland is bijvoorbeeld een relatief grote speler op het terrein van internationale militaire operaties en ontwikkelingssamenwerking. Juist deze ontwikkelingssamenwerking wordt vaak gebruikt om naast ontwikkeling ook vrede, veiligheid en stabiliteit te bevorderen. De Nederlandse overheid schenkt in dit kader veel aandacht aan goed bestuur, mensenrechten, democratisering en markteconomie.
Dit is precies het bovengenoemde Westerse liberal peace-model. Nederland geeft in zijn defensie-, buitenlands en ontwikkelingsbeleid echter ook veel aandacht aan de multilaterale internationale organisaties. Onderzoek naar de belangen en het beleid op het terrein van state building en peace building van nationale overheden en internationale organisaties is een doorlopend proces waarin nog altijd veel terreinen onontgonnen zijn.
In de afgelopen decennia zijn bij deze processen van peace building en state building al vele lessen getrokken. Waar aanvankelijk vredesoperaties bijvoorbeeld vrijwel uitsluitend bestonden uit militaire waarnemers die op de uitvoering van een wapenstilstand toezagen, zijn dergelijke operaties inmiddels uitgegroeid tot grote ondernemingen waarin tegelijkertijd ook de wederopbouw, democratisering en staatsopbouw wordt opgestart (Van der Lijn 2006). Ondanks de complexiteit van zowel het conflict waarin wordt geïntervenieerd als van de interventie zelf, zijn niettemin factoren voor succes en falen te ontwaren. Hierbij valt te denken aan de mate waarin de conflictpartijen oprecht het vredesproces ondersteunen, de mate waarin ook daadwerkelijk de conflictoorzaken en -dynamiek wordt aangepakt en de mate waarin de conflictpartijen hun veiligheid (on)voldoende gegarandeerd zien (Van der Lijn 2009).
Niettemin stuit men bij veel gebruikte interventiemethoden, zoals democratisering en vredesoperaties, al gauw op zowel beleidsmatige als normatieve dilemma's. Zo is bekend dat onder sommige omstandigheden de organisatie van verkiezingen tot meer instabiliteit op de korte termijn kan leiden. Bovendien wordt democratie door sommigen als een Westers concept gezien dat niet overal ter wereld zou moeten worden opgelegd. Is democratisering dan wel altijd de weg voorwaarts? Een ander bekend probleem is hoe om te gaan met de bad guys? Het sluiten van een vredesakkoord met partijen als de Rode Khmer in Cambodja, of met leiders als president Bashir van Soedan of rebellenleider Koney van het Verzetsleger van de Heer biedt wellicht op korte termijn vrede en stabiliteit, maar het is de vraag of hiermee ook niet de straffeloosheid blijft bestaan en of dit normatief wel de juiste keuze is.

State building en niet-statelijke actoren
Recentelijk hebben we de opkomst gezien van het concept ‘fragiele staten', sinds enkele jaren hét catchword in Nederlands en internationaal beleid met betrekking tot landen in conflictsituaties. Conflictoorzaken worden steeds meer in het karakter van de staat gezocht, die mede onder invloed van globalisering is verzwakt (Kaldor 2001, Devetak & Hughes 2008, Paris 2004). Ook deze ontwikkeling draagt bij aan de eerder genoemde trend richting state building. Hoe het versterken van de staat vorm moet krijgen is een belangrijk onderzoeksthema binnen het CICAM (CICAM/Institute Clingendael 2009).
De rol van het maatschappelijk middenveld - civil society - krijgt in dit kader steeds meer aandacht. Civil society building wordt, naast state building, beschouwd als belangrijke strategie voor vredesopbouw. Zij kan bijdragen aan een democratisering van onderop. Hulp aan maatschappelijke organisaties wordt daarnaast vaak als alternatief gezien voor steun aan corrupte machthebbers. Ook deze strategie brengt echter problemen met zich mee. Het omzeilen van de staat kan leiden tot parallelle structuren van dienstverlening voor burgers, die bepaald niet helpen om een toch al zwakke staat te versterken. Daarnaast wordt steun aan civil society in de praktijk vaak beperkt tot samenwerking met professionele, apolitieke NGO's die zich beperken tot het implementeren van donorbeleid. De potentiële rol van civil society als schakel tussen bevolking en staat wordt daarbij uit het oog verloren (Verkoren 2008). Hoe het sociale contract tussen burgers en overheid te versterken, blijft een open vraag.
De vraag die de thema's van state building en civil society building met elkaar verbindt is: Hoe kunnen lokale maatschappelijke organisaties/civil society bijdragen aan het ontstaan van
instituties die met autoriteit en op legitieme manier met conflicten om kunnen gaan?

Tot slot
De hierboven beschreven onderzoeksagenda sluit nauw aan bij de programmalijn Conflict Escalation, Justice and Intervention (NWO, Niemeijer et al.) binnen het NWO-thema Conflict en
veiligheid. In deze programmalijn wordt onderzoek gestimuleerd naar interventies en de gevolgen die interventies hebben op conflict. Vragen worden gesteld naar de effectiviteit van interventies, de mogelijkheden van traditionele wijzen van interventie, wanneer interventie zelf tot verdere conflictescalatie leidt, en de verschillende invloeden op verschillende niveaus die interventies hebben. Hiertoe worden onder andere casestudies naar protectoraten, vredesafdwinging, vredesopbouw en civiel-militaire samenwerking (CIMIC) aangemoedigd. (NWO, De Dreu et al. 2006)
De expertise van de huidige medewerkers maakt het CICAM bij uitstek geschikt om deze thema's, die centraal staan in het CICAM-onderzoek, verder uit te diepen. Hun nadruk ligt onder meer op vredesmissies, postconflict ontwikkeling, de rol van civil society in vredesopbouw, en democratisering. Het ingediende NWO-voorstel, dat zich richt op dilemma's van staats- en maatschappijopbouw en de dynamiek van interventie, past hierbinnen.