Zoek in de site...

Lezing J. van Merriënboer, 'Het aanzien van het kabinet-De Jong'

Dames en heren,

PAK posterDeze poster (zie afbeelding hiernaast) voor de verkiezingen van de Provinciale Staten van Noord Brabant in 1970 was mijn eerste kennismaking met de politiek Ik ben geboren in 1962 – in de parlementaire geschiedenis zitten we dan in de periode-De Quay – in een dorpje in Brabant, dat toen nog het land was van de KVP. In 1962 – mijn geboortejaar dus – haalde de KVP in Brabant 56 van de 71 provinciezetels. De protestantse partijen hadden er toen 4. Op dit moment zijn er in Brabant 55 zetels te verdelen en het CDA heeft er daarvan 10! In 50 jaar tijd daalde de aanhang van de confessionelen partijen in Noord Brabant dus van 83 procent naar 18 procent. Mijn vader verruilde in 1968 – in de periode-De Jong, hij was toen 32 – de KVP voor de PPR, de Politieke Partij Radicalen die toen nog tussen de KVP en de PvdA in stond. In 1970 – ik was toen 8 jaar – mocht ik met hem mee op campagne. Op onze auto – een lichtblauwe Volkswagen Kever – had mijn vader deze poster geplakt en erbovenop een geluidsinstallatie gemonteerd. Zo reden we door het dorp en riepen we op om op het PAK te stemmen, het Progressief Akkoord, een samenwerkingsverband van PvdA en PPR. Het PAK haalde toen 10 zetels, twee meer dat de PvdA vier jaar eerder had gehaald. Dat wist ik toen niet, maar heb dat nu even nagezocht.

Tot zover mijn eigen herinnering; de persoonlijke achtergrond van een historicus is van belang omdat de geschiedschrijving over de jaren zestig en zeventig, inclusief de periode-De Jong vaak gekleurd is door de eigen ervaringen en bewuste of onbewuste voorkeuren van historici die jong waren in de jaren zestig.

Het aanzien van het kabinet-De Jong en de periode 1967-1971

Ik wil een aantal kanttekeningen plaatsen bij de beeldvorming en de beoordeling van de Nederlandse politiek in de periode 1967-1971. De jaren zestig waren een woelige tijd, een tijd van gisting waarin alles anders moest: opener, vrijer en democratischer vooral. Zowel voorstanders als tegenstanders van de vele vernieuwingsbewegingen hadden ook het gevoel dat de Nederlandse maatschappij wezenlijk aan het veranderen was. Er werd door talloze deskundigen geschreven en gepraat over de crisis die het sociale, politieke en geestelijke bestel doormaakte. Er kwam een eind aan het vanzelfsprekende gezag van autoriteiten op allerlei niveaus: van overheid en kerk tot vereniging en gezin. De omgangsvormen werden informeler, de fatsoensnormen minder streng en de afstand tussen jongeren en volwassenen kleiner. De vernieuwers keerden zich algemeen tegen de traditionele Hollandse regentenmentaliteit. Een voorhoede van studenten en jonge kunstenaars wilden de maatschappij opschudden, de verbeelding aan de macht. Maar het establishment sliep rustig verder.

De opmerkingen die ik wil plaatsten, volgen uit de bestudering van de politieke en parlementaire geschiedenis van de periode-De Jong. Het zijn kanttekeningen bij de volgende twee stellingen die ik baseer op het werk van verschillende historici die zich met deze periode hebben bezig gehouden.

Stelling 1

In de jaren zestig voltrok zich een culturele revolutie waar de politiek in Nederland maar wat achteraan hobbelde.

Stelling 2

In de geschiedschrijving valt de periode-De Jong tussen de wal van de Nacht van Schmelzer (1966) en het schip van het progressieve kabinet-Den Uyl (1973-1977) dat vaak de maat der dingen is.

Bij stelling 1: de politiek hobbelt erachteraan. Jongeren daagden het gezag uit wn politici lieten het afweten – dat is het beeld. Voorstanders van vernieuwing beklaagden zich erover dat het niet snel genoeg ging en tegenstanders dat er te snel en te veel werd toegegeven, dat de jongeren op een voetstuk werden geplaatst. De oud-linkse journalist Sal Tas die intussen bij de TROS terecht was gekomen, schreef bijvoorbeeld in 1970, ik citeer:

De verheerlijking van het proletariaat is afgelost door de idolatrie van de jeugd […]. Na de provo’s kregen we de kabouters; ze werden toegejuicht en gepousseerd door de ouderen die daarin een alibi vonden voor hun eigen daadloosheid. Want dat is de mode tegenwoordig: we laten kinderen risico’s nemen […] en we applaudisseren om hun kinderachtige grappen, omdat we zelf te beroerd zijn om iets reëels te doen aan de euvelen waartegen zíj in verzet komen. Intussen laten die ouderen zich om de oren slaan, op de tenen staan en in de rug duwen door een stel jongeren die het gevoel krijgen dat de wereld van hen is, vóór ze weten wat ze ermee moeten doen.

Einde citaat. Jongeren braken uit alle zuilen, maar zij hadden niet de primeur. Het verzuilde bestel werd eerder al ondermijnd door rechts: door de Boerenpartij, door [de financiers van] radio-Veronica en het REM-eiland wat later de TROS werd. De VVD speelde daarbij een belangrijke rol. Die partij hield Veronica jarenlang de hand boven het hoofd.

In de Tweede Kamer was er in de periode-De Jong veel aandacht voor de jeugd. Er werd regelmatig gerefereerd aan progressieve idealen van geëngageerde jongeren, en niet alleen door linkse partijen. Deze jongeren behoorden tot de zogenoemde generatie van de babyboomers die de crisis en de Tweede Wereldoorlog niet bewust hadden meegemaakt. Jongere politici uit deze generatie stonden weliswaar in de startblokken, maar braken pas echt door onder Biesheuvel en Den Uyl.

Onbehagen

‘Onbehagen’ was een van de sleutelbegrippen in de periode 1967-1971. Onbehagen bij jongeren over de maatschappelijke ontwikkeling, bij critici als Sal Tas over het toegeven aan de jeugd, en ook bij anderen, vaak onder invloed van de media, vooral de televisie. Simon Carmiggelt begon in 1968 een van zijn veelgelezen Kronkels aldus, ik citeer:

Toen zich bij Vietnam, Biafra en de rest ook nog de Russische tanks voegden die de Tsjechen het in de pas lopen kwamen leren werden we zó treurig van de voorpagina die, volgens mijn vrouw dagelijks in mijn gezicht gegrift staat, dat we besloten éven te ontsnappen in een mini-vakantie van één weekeind. En we reisden naar Scheveningen en betrokken – toe maar! – een hotelkamer met uitzicht op zee. Dag zee. Dag Scheveningen. Dag vroeger.

Einde citaat.

De passage illustreert het toenemende onbehagen over de toestand in de wereld. Welvaartstaat en hoogconjunctuur brachten de Nederlander televisie met beelden, van de hongersnood in Biafra bijvoorbeeld. En ook vrije tijd, om actie te voeren bijvoorbeeld, of om in het weekend naar zee te gaan.

De regering-De Jong was niet van plan om achter de geestelijke en culturele ontwikkelingen aan te hobbelen. Zij wilde positief meebuigen. In zijn regeringsverklaring stelde premier De Jong op 18 april 1967, ik citeer opnieuw:

Er heerst onvrede, onbehagen en onzekerheid bij zeer veel mensen; onrust over het functioneren van onze democratie; onrust in onze jonge generatie die voor het overgrote deel vol idealen is en die wil meebouwen aan een nieuwe samenleving; onrust bij anderen over het feit, dat veel van onze traditionele waarden steeds minder als vanzelfsprekend worden aanvaard. [...] Het zoeken naar nieuwe structuren enerzijds en de weerstand daartegen van andere zijde verscherpt de tegenstellingen. [...] In het algemeen zal het regeringsbeleid erop gericht zijn de voorwaarden te scheppen voor zodanige vernieuwingen in onze samenleving, dat daarin de geestelijke en culturele waarden van onze tijd op harmonische wijze worden verwerkt.

Einde citaat. Uit het resultaat blijkt dat dit geen loze woorden waren. Het kabinet kreeg wel kritiek dat het te veel begrip toonde voor nieuwe ontwikkelingen. ‘Verend opvangen’ noemde premier De Jong dat.[Bron onbekend]

Bij stelling 2: De Nacht van Schmelzer waarin de fractieleider van de KVP het kabinet van partijgenoot-Cals ten val bracht is een mijlpaal in de parlementaire geschiedenis, die terecht veel aandacht heeft gekregen.Het historische beeld van die Nacht is tegenwoordig genuanceerd in het voordeel van Schmelzer. Maar dat was niet altijd het geval. De Nacht en Schmelzer zelf werden symbolen van de verduistering en de onduidelijkheid in de politiek. De ‘Nacht’ was het symbool van een gladde, slecht soort politiek. Het kabinet-De Jong trad op in de schaduw van die Nacht. De periode De Jong werd wel beschouwd als een politieke time out, en niet alleen door de progressieven. Na de Nacht zat het politieke partijwezen in een diepe crisis. De verhouding tussen KVP en PvdA was voor lange tijd verpest, en de Nacht markeerde het begin van het tijdperk van polarisatie dat duurde tot de no nonsens jaren tachtig van Lubbers.

Het kabinet Den Uyl staat bekend als het meest progressieve kabinet dat Nederland ooit had. Dit kabinet had de vernieuwing van de jaren zestig vorm moeten geven. Het had inkomen, kennis en macht moeten spreiden in de door de PvdA gedomineerde progressieve jaren zeventig. Maar dat kabinet-Den Uyl bracht uiteindelijk minder tot stand dan men had gehoopt. De historische verklaring luidde dat het draagvlak voor maatschappelijke vernieuwing van de jaren zestig verdwenen was toen dat kabinet aantrad: het tij zou verlopen zijn geweest. Kennelijk was er draagvlak voor maatschappelijke vernieuwing geweest in de jaren zestig, en zou het kabinet-De Jong daar te weinig mee hebben gedaan.[Bron: NA]

Maar het is de vraag of de werkelijke macht in de jaren 70 wel bij de sociaal-democraten lag. Hier ziet u op de foto wat je zou kunnen noemen de ‘generatie 1970’ van de KVP. Een gouden generatie: allemaal ministers geweest, twee ministers van Financiën, twee premiers van 1977 tot 1994, en een eurocommissaris van 1981 tot 1993. Dit waren allemaal dertigers in 1973 toen het kabinet-Den Uyl aantrad: nieuw talent dat opkwam in de jaren zestig, in de partij en debuterend in de Kamer, maar dat pas in de jaren zeventig een de macht kwam. Lubbers en Westerterp waren in 1967 nog radicaal en Van Agt had indertijd grote sympathie voor D’66. Er komt in de jaren zestig wel een nieuwe generatie naar boven, maar het duurt even voordat die aan de knoppen zit. Dat is geen kwestie van generatiekloof, maar generatiecyclus. Deze heren waren ook nog geen babyboomers, misschien met uitzondering van Lubbers. De babyboomers komen pas in de jaren 80 aan de macht en ruimen dan een deel van de dure franje uit jaren zestig op, de franje van de verzorgingsstaat van Klompé, Roolvink, Beernink en De Jong.

Dan kom ik bij stelling 3, of eigenlijk de conclusie. Als we de politiek op haar eigen merites beoordelen, dan blijkt dat er zich in de jaren 1967-1971 op allerlei terreinen grote veranderingen hebben voltrokken.

Het kabinet-De Jong werd indertijd al geconfronteerd met een zeer kritische pers. Voor de oppositie ging het nooit ver genoeg; die bepleitte bijvoorbeeld medezeggenschap van werknemers over investeringsbeslissingen, optrekken van de bijstand tot 100% van het minimumloon, besteding van 2 % van het nationaal inkomen aan ontwikkelingshulp enzovoort. Het oordeel over het kabinet in de pers werd er niet beter op, maar dat lag ook aan het kabinet zelf. Het was geen inzet van de verkiezingen van 1971, en toen dat jaar begon hadden de regeringsfracties – misschien met uitzondering van de VVD – hun handen er al van afgetrokken: ALLE partijen wilden vernieuwing. Het kabinet sloeg zich niet op de borst voor zijn prestaties.

Het beleid en de ontwikkeling van het politieke krachtenveld in die jaren waren nooit grondig geanalyseerd. De historicus Kossmann concludeerde in een essay uit 1985 dat het kabinet het er heel behoorlijk afbracht ‘temidden van alle luidruchtige protestbewegingen in die jaren’; de economische overvloed speelde daarbij volgens hem een grote rol. De socioloog Zijderveld stelde later: ‘De verzorgingsstaat met zijn regulering breidde zich ongestoord verder uit en bedekte ons land met een wollen deken van overheidszorg.’[Bron: Geheugen van Nederland]

Dat aspect van de hoogconjunctuur en de verzorgingsstaat krijgt nu alle aandacht in het boek over het kabinet-De Jong. Daarin blijkt dat dit gepaard ging met veel politieke strijd. In alle hoofdstukken passeren grote en minder grote veranderingen de revue. De televisie is beslissend geworden in de verkiezingscampagne, een hoofdstuk is gewijd aan de vernieuwing van het partijwezen en de komst van de polarisatiestrategie. De Tweede Kamer wordt opvallend activistisch, mede onder invloed van de televisie de contacten tussen Kamerleden en het kabinet worden intiemer in OCV’s, er komen hearings, steeds meer buitenparlemantaire acties en kritischer parlementaire journalisten. Andere opvallende veranderingen zijn de ‘verbinnenlandisering’ van de buitenlandse politiek: denk aan Vietnam maar vooral ook aan Biafra, een andere omgang met het koloniale en met het oorlogsverleden, denk aan de opstand in Curaçao, de eerste Molukse gijzelingsactie en de excessennota. De afschaffing van de opkomstplicht, meer aandacht voor openheid en inspraak, denk aan de motie-Kolfschoten over de door de Tweede Kamer te kiezen formateur.

Het kabinet hanteert een redelijke aanpak ten aanzien van gezagscrises, denk aan de bezettingsacties van studenten en de vergaande wet Universitaire Bestuurshervorming. Het komt met liberale wetgeving in de privésfeer, denk aan de regeling van de echtscheiding en de verkrijgbaarheid van voorbehoedsmiddelen – toch opmerkelijk voor een centrumrechts kabinet. Ik noem ook de begrenzing van de overheidsuitgaven door een structurele begrotingsnorm, de invoering van de inflatiecorrectie, de invoering van de btw en de daarmee gepaard gaande prijsverhogingen – een operatie vergelijkbaar met de invoering van de euro. In de Tweede Kamer werd meer strijd geleverd over lonen en prijzen dan over de nieuwe waarden en normen van de sixties. Het parlement luisterde meer naar de vakbonden dan naar de jeugd.

E[Bron: Wikipedia]r was verder sprake van scherpe polarisatie rondom de loonpolitiek, dat onder meer tot uiting kwam in de grootste na-oorlogse staking tot dan in de Rotterdamse haven. De welvaartstaat groeide uit tot een verzorgingsstaat, denk aan de invoering van het minimumloon en aan de subsidiepolitiek van Klompé op allerlei welzijnsterreinen, enzovoort.

Ik kom tot een afronding. Het diverse en tot in details uitgewerkt beeld dat is neergelegd in het boek ‘Polarisatie en hoogconjunctuur’ doet meer recht aan de politieke omslag in de jaren 1967-1971. De politieke jaren zeventig gingen van start onder De Jong. Kortom: omstreeks 1970 vond niet alleen een culturele omwenteling plaats – zoals dit monument symboliseert dat twee maanden geleden in Rotterdam werd onthuld – maar ook een politieke omwenteling…