Mr. Jozua van der Beek: 'Prejudiciële vragen aan het EHRM: een aankomend succes?'

Datum bericht: 9 januari 2017

Mr. Jozua van der Beek

Momenteel werkt het Nederlandse parlement aan de ratificatie van het 16e Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Daarna zullen de voor inwerkingtreding van het Protocol benodigde tien ratificaties waarschijnlijk snel ‘binnen’ zijn. Jozua van der Beek geeft een korte beschouwing.

Op basis van het Protocol krijgen specifiek aangewezen nationale highest courts and tribunals de bevoegdheid het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) te verzoeken om een advies over principiële vragen over de interpretatie en toepassing van de rechten en vrijheden neergelegd in het EVRM (en de daartoe behorende Protocollen). Het Protocol beoogt de interactie tussen het EHRM en de nationale gerechten te versterken en daarmee de implementatie van het EVRM te verbeteren. De nationale gerechten zijn niet verplicht om advies aan het EHRM te vragen. De adviezen van het EHRM zijn niet juridisch bindend, maar uiteraard zal aan de interpretatie van het EVRM door het EHRM in deze adviezen groot gewicht toekomen. Bovendien behouden de procespartijen in de onderliggende nationale procedure hun individueel klachtrecht. Indien het nationale gerecht het advies van het EHRM niet heeft opgevolgd, kunnen zij hierover dus klagen bij het EHRM. Indien het advies wel is opgevolgd, zal een klacht over precies hetzelfde onderwerp niet-ontvankelijk worden verklaard. In Nederland zullen de Hoge Raad, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven worden aangewezen.

Al vele jaren kennen wij de prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Sinds 2012 bestaat de mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad in civiele zaken. Sinds 1 januari 2016 bestaat deze mogelijkheid ook in belastingzaken. Openstelling van deze route in strafzaken wordt momenteel overwogen. Blijkens een recent evaluatierapport in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (WODC) is deze procedure bij de Hoge Raad een ‘onverdeeld succes’ geworden. Als ‘succesfactoren’ worden in het rapport onder meer genoemd ‘de welwillendheid van de Hoge Raad bij beantwoording van de vragen en de snelheid die daarbij betracht is’. Aan dit succes draagt ook bij dat prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kunnen worden gesteld door zowel rechtbanken als gerechtshoven, dus in ieder stadium van het geding. De prejudiciële procedure bij de Hoge Raad biedt daarom een efficiënte route voor verkrijging van een snel en doeltreffend antwoord op rechtsvragen.

Zal de prejudiciële procedure bij het EHRM ook een onverdeeld succes worden?

Het EHRM gaat gebukt onder een zware werklast. Door het geven van adviezen zal deze werklast verder toenemen. Door het vroegtijdig verstrekken van adviezen over veelvoorkomende rechtsvragen kunnen wellicht grote aantallen latere individuele klachten worden voorkomen. In zijn wetgevingsadvies wijst de Raad van State erop dat veruit de meeste uitspraken van het EHRM betrekking hebben op klachten uit landen die het Protocol (nog) niet hebben ondertekend. Daarnaast wordt in de literatuur erop gewezen dat veel klachten over schending van het EVRM niet het gevolg van onduidelijkheden over de juiste interpretatie van het EVRM zijn (maar voortvloeien uit structurele gebreken in de nationale systemen, zoals overschrijding van de redelijke termijn in gerechtelijke procedures). Het is dus nog maar zeer de vraag of de adviezen van het EHRM zullen leiden tot een vermindering van zijn werklast. Daardoor is de kans groot dat adviezen van het EHRM lang op zich zullen laten wachten. Omdat de nationale gerechten niet verplicht zijn om advies aan het EHRM te vragen, zullen zij deze vertragingsfactor meewegen bij de beslissing om al dan niet advies te vragen.

Bovendien krijgen uitsluitend de highest courts and tribunals de bevoegdheid om advies te vragen aan het EHRM. In dat late stadium van de procedure zal het processuele debat vaak al behoorlijk zijn uitgekristalliseerd, zodat de behoefte aan advies van het EHRM dan soms ook minder groot zal zijn geworden.

Voor het succes van deze prejudiciële procedure is dus essentieel dat het EHRM zal laten zien dat adviesverzoeken die ‘ertoe doen’ snel en doeltreffend zullen worden beantwoord. Een spoedige inwerkingtreding van het Protocol juich ik van harte toe. Het belang van mensenrechten kan immers niet worden overschat.

Lees ook


Mr. Jozua van der Beek is partner bij bureau Brandeis. Hij procedeert bij de Hoge Raad in civiele zaken, op het gebied van corporate en commercial litigation ook bij de lagere gerechten, en houdt zich bezig met het tot stand brengen van internationale collectieve schikkingen van massaschade.

Bekijk het cursusaanbod van het CPO