Mr. Jozua van der Beek: 'Wie verder denkt over het recht, moet ook verder denken over de feiten'

Datum bericht: 24 april 2017

Mr. Jozua van der Beek

Het antwoord op veel rechtsvragen is afhankelijk van de precieze feiten. De jurist die verder wil denken over het recht, moet daarom ook verder denken over de feiten, vindt mr. Jozua van der Beek.

Het recht is geen doel op zich. Het recht dient de maatschappij. Het moet daarin efficiënt en effectief kunnen functioneren. Daarom moet rechtsgeleerdheid worden beoefend in samenhang met andere wetenschappen, zoals economie, sociologie en psychologie. Maar ook bij kwesties van minder academische aard gaat het steeds om een precies antwoord op vragen zoals 'wat is er aan de hand?', 'wat is het probleem?', 'wat is de oplossing?' en 'welke consequenties heeft deze oplossing?'.

In civiele procedures speelt daarbij ook het burgerlijk procesrecht een belangrijke rol. Andere advocaten vragen mij als cassatieadvocaat regelmatig om al in eerste aanleg of hoger beroep ‘mee te denken’. Aanleiding is meestal een ingewikkelde juridische kwestie. Vaak ziet mijn advies naast juridische kwesties ook op feitelijke kwesties. Uitgangspunt is immers dat partijen deze feitelijke kwesties zelf moeten aandragen, omdat de rechter daarmee anders niets kan doen, laat staan daarmee iets moet doen. In hoger beroep klemt dat temeer. Hoger beroep biedt immers de laatste kans om nieuwe feiten aan te voeren. De cassatieprocedure bij de Hoge Raad gaat vooral om de beantwoording van rechtsvragen. Het antwoord op veel rechtsvragen is afhankelijk van de precieze feiten. Bovendien zijn de feiten belangrijk voor de juiste ‘kleuring’ van de zaak, ook in cassatie. Bij kwesties die de individuele zaak overstijgen komt daarbij nog de vraag hoe de consequenties van een rechtsregel in andere zaken zullen uitpakken. De feiten zijn dus steeds belangrijk. Enkele voorbeelden.

Onlangs wees de Hoge Raad arrest in een zaak over de aansprakelijkheid van een wegbeheerder voor een ongeval door struikeling over elektriciteitskabels naar marktkramen (HR 7 oktober 2016, NJ 2017/73). Onder het kopje 'De "fijne kneepjes" van het vak' in zijn noot onder dit arrest verzucht voormalig advocaat-generaal J. Spier dat '[h]et al jaar en dag schering en inslag [is] dat betogen over de verschillende elementen van de kelderluikfactoren blijven steken in op zijn best abstracte stellingen en beweringen'. In zijn conclusie bij dit arrest noemt advocaat-generaal T. Hartlief dat '[het] in het onderhavige geval dan [gaat] om omstandigheden als aantal, dikte en kleur van de kabels, de kleur van de achtergrond, de drukte op het moment van het ongeval etc'. Het vergt dus veel oog voor detail om dit in de processtukken goed uit de verf te laten komen.

In 2015 oordeelde de Hoge Raad over het gebruik van een handelsnaam met daarbij een logo (HR 4 december 2015, NJ 2016/16). Weliswaar maakt de vormgeving van een naam als zodanig geen onderdeel uit van de handelsnaam, maar bij beantwoording van de vraag of bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen is te duchten, dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen, dus ook de visuele waarneming door het publiek van het logo. De Hoge Raad merkte daarbij op dat, voor zover in de cassatieklacht werd aangevoerd dat derden na waarneming van het logo vervolgens in woord en geschrift enkel de naam (zonder logo) zullen gebruiken, was verzuimd te vermelden waar in de gedingstukken een betoog van die strekking te vinden was. Bij de beantwoording van de vraag naar dit verwarringsgevaar lijkt inderdaad belangrijk dat gebruik of waarneming van de handelsnaam lang niet altijd gepaard zullen gaan met gebruik of waarneming van het logo. Hieraan moet dan wel aandacht worden besteed in de processtukken.

Alweer enige tijd geleden wees de Hoge Raad arrest in een zaak over de beslagvrije voet bij eens per jaar uitgekeerd vakantiegeld (HR 31 oktober 2014, JOR 2014/346). In zijn column op verderdenken.nl wijst mr. Fred Hammerstein erop dat, hoewel de Hoge Raad uitdrukkelijk overwoog dat zijn benadering in de praktijk uitvoerbaar is, in de literatuur vervolgens werd betoogd dat deze regeling voor de deurwaarder te ingewikkeld en onuitvoerbaar is. Het is vaak lastig te voorspellen hoe de consequenties van een rechtsregel in de praktijk zullen uitpakken. Het komt de rechtsvorming ten goede als partijen over dergelijke consequenties al in feitelijke instanties debatteren.

We moeten dus ook verder denken en debatteren over de feiten. Daartoe zullen we ons soms moeten verdiepen in onderwerpen die buiten onze 'vertrouwde' juridische expertise liggen. Dit komt de rechtsontwikkeling ten goede.

Lees ook


Mr. Jozua van der Beek is partner bij bureau Brandeis. Hij procedeert bij de Hoge Raad in civiele zaken. Op het gebied van corporate en commercial litigation procedeert Jozua ook bij de rechtbanken en de gerechtshoven. Daarnaast houdt hij zich bezig met het tot stand brengen van internationale collectieve schikkingen van massaschade.

Bekijk het cursusaanbod van het CPO