Mr. Rogier van Dam: 'De toekomst van de rechtspraak: voorbij KEI'

Datum bericht: 10 november 2016

Mr. Rogier van Dam

Ook na de implementatie van KEI gaat de digitalisering van de rechtspraak door. 'Videorechters' zullen een enorme impact op de organisatie van de rechtspraak hebben. Rogier van Dam schetst een toekomstbeeld.

De ontwikkeling en implementatie van de KEI-digitalisering is in volle gang. Hoogste tijd om verder te kijken. Want laten we eerlijk zijn, KEI is natuurlijk niet het eindstation. Kern van de KEI-digitalisering is dat een groot deel van de papieren communicatie wordt omgezet naar digitale communicatie.

Tegelijkertijd zit hier ook de beperking: de KEI-digitalisering ten spijt, voor de zitting moet je nog gewoon op locatie bij één bepaalde rechtbank zijn. De (techno)logische volgende stap is dat ook de zittingen digitaal/per video zullen plaatsvinden, althans dat een zaak volledig digitaal wordt behandeld. Als deze tweede stap wordt gezet, vervalt geheel de fysieke koppeling tussen rechtzoekenden en rechters aan één bepaalde rechtbank en dat kan een enorme impact hebben op de organisatie van de rechtspraak in Nederland.

De rechtbank Noord-Nederland experimenteert al met de 'videorechter': partijen hoeven in een beperkt aantal zaken niet meer naar de rechtbank te komen, maar ​bevinden zich op een speciaal daarvoor ingerichte locatie en hebben via een videoverbinding contact met de rechters. Volgens de toelichting past de proef bij de toenemende digitalisering in de rechtspraak. Ook worden de voordelen voor de rechtzoekende benadrukt (besparing van reistijd en reiskosten). Met andere woorden: het maakt niet echt meer uit waar de rechtzoekende zich bevindt.

Veel interessanter aan dit experiment is dat het natuurlijk ook niet uitmaakt waar de 'videorechter' zich bevindt. Dat kan op de rechtbank zijn, maar bijvoorbeeld ook in een 'videoroom' op een of ander industrieterrein. Sterker nog, voor de burger maakt het in deze constructie van volledige digitale behandeling (processtukken digitaal indienen bij één uniform loket plus 'videozitting') weinig uit of zijn zaak wordt behandeld door een rechter van zijn 'eigen' rechtbank of van een rechter aan de andere kant van Nederland: een rechter van de rechtbank Limburg kan dan zonder (technische) problemen een bestuursrechtelijke handhavingszaak uit Alkmaar behandelen.

Als het Noord-Nederlandse experiment navolging krijgt en er meer ervaring mee wordt opgedaan, zal blijken dat veel meer zaken geschikt zijn voor een 'videozitting'. Op termijn, zo is mijn stellige overtuiging, zal de 'videozitting' de hoofdregel worden. En dat biedt perspectief: als rechters landelijk opereren en rechtzoekenden niet meer gebonden zijn aan één specifieke rechtbank vervalt feitelijk het onderscheid tussen de verschillende rechtbanken. Formeel is het dan maar een kleine stap om elf rechtbanken om te vormen tot 'dé rechtbank'. Een overzichtelijk beeld dat in ieder geval optisch rechtseenheid biedt. Het fenomeen van de relatieve competentie kan uit de wet worden gehaald en de (flexibele) verdeling van zaken wordt een interne aangelegenheid voor de rechtspraak zelf: werkdruk kan worden gespreid, pieken opgevangen en lokale expertise kan landelijk worden ingezet.

Helemaal interessant wordt het als deze ontwikkeling zich doorzet naar het bestuursrechtelijk hoger beroep. Technisch is het in ieder geval mogelijk om de hogerberoepsrechters samen te brengen onder één gemeenschappelijk digitaal loket. En als de 'videorechter' hier vervolgens ook zijn intrede doet, heb je al veel aan eenduidigheid en overzichtelijkheid gewonnen. Dat hogerberoepsrechters flexibel elkaars zaken kunnen gaan behandelen geloof ik niet, maar ook voor hen zie ik voordelen: de Afdeling bestuursrechtspraak blijft natúúrlijk gewoon de Afdeling bestuursrechtspraak, alleen noem je het voor het gemak in het nieuwe format ‘hogerberoepsrechter – bestuursrecht’. En omdat het hier ook weinig uitmaakt waar de hogerberoepsrechters zitten, laat je het hoger beroep in bijvoorbeeld het sociaalzekerheidsrecht gewoon vertrouwd door de raadsheren van de Centrale Raad van Beroep in Utrecht behandelen. Maar ook die noem je gemakshalve ‘hogerberoepsrechter – bestuursrecht’. En net als bij de rechtbanken is het denkbaar dat je deze lijn formeel voortzet: de absolute competentieverdeling kan (deels) uit de Algemene wet bestuursrecht worden gehaald en backoffice worden bediscussieerd en geregeld. Lastig te regelen? Zeker. Haalbaar? Absoluut.

En de échte inhoudelijke rechtseenheid? Ingewikkelder dan nu wordt het niet. Met de toenemende digitale mogelijkheden wordt het alleen maar makkelijker.

Lees ook


Mr. Rogier van Dam is docent bij de Beroepsopleiding Gemeentejuristen en werkzaam als hoofddocent hbo-rechten aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Voor het CPO verzorgt hij cursussen op het gebied van bestuursrecht.