De Nederlandse klimaataanpak richt zich op 2030. De echte opgave is 2050

Datum bericht: 13 juli 2022

klimaataanpak

De klimaataanpak van het kabinet mikt op de doelen van 2030. Om klimaatneutraal te zijn in 2050 moeten we nu ook beginnen met een transformatie, schrijven vijf IPCC-auteurs.

Begin juni presenteerde het wetenschappelijk klimaatpanel van de VN (IPCC) tijdens een VN-vergadering in Bonn zijn rapport over klimaatmitigatie aan de verzamelde landen die het Parijsakkoord hebben ondertekend. Het was confronterend. Worden in Nederland de resultaten vooral met welwillende interesse ontvangen, in andere landen zijn de uitkomsten van het rapport existentieel. De vertegenwoordigers van de atollen in de Stille Oceaan, die bij 2 graden opwarming niet alleen al hun koraalriffen verliezen, maar zelf ook in de golven zullen verdwijnen, stelden indringende vragen. Wat is er nu precies nodig om onder de 1,5 °C te blijven? Wat zijn harde voorwaarden?

Ze willen het heel precies weten, want ze zijn voor het voortbestaan van hun land en cultuur afhankelijk van de landen die de meeste broeikasgasuitstoot veroorzaken - de landen met veel industrie, consumptie en landbouw. Landen zoals Nederland. Ze móeten weten waar ze om moeten vragen bij de klimaatonderhandelingen.

De laatste drie rapporten van het IPCC geven aan: het is erop of eronder voor het beperken van klimaatverandering. De deur naar een mondiale opwarming van minder dan 1,5 °C staat nog op een kiertje, en met ieder jaar dat we doorgaan op de oude voet, sluit hij verder. Maar met uitzondering van 2020 zijn de afgelopen jaren de mondiale emissies alleen maar gegroeid. Boven 1,5 °C opwarming worden allerlei gevolgen veel ernstiger, met enorme ecologische schade en humanitaire gevolgen die we nog maar nauwelijks beginnen te bevatten.

Dat Nederland en Duitsland de kolencentrales weer op vol vermogen laten draaien om op gas te besparen, zoals deze week duidelijk werd, helpt niet. Maar gelukkig zit de politiek verder niet stil. Minister voor Klimaat en Energie Rob Jetten (D66) verstuurde recent het ontwerp van een klimaatbeleidsprogramma naar de Tweede Kamer, waarin de plannen om in de komende jaren naar 60 procent broeikasgasemissiereductie in 2030 ten opzichte van 1990 worden besproken.

Maar feitelijk begint het echte werk pas na 2030. Doordat we zo lang hebben getalmd met serieus klimaatbeleid, is de benodigde reductiesnelheid inmiddels heel hoog geworden. In het IPCC-rapport staat dat rond 2050 de hele wereld CO2-neutraal moet zijn. Dat betekent dat de CO2-uitstoot die we niet kunnen vermijden moet worden gecompenseerd met het verwijderen van CO2 uit de atmosfeer, bijvoorbeeld door landbouw die koolstof in de bodem opslaat, door bosbouw of door nieuwe technologie die CO2 uit de lucht filtert en ondergronds opslaat. Een enorme opgave.

Voor rijke landen, zoals Nederland, betekent het mondiale doel dat zij nog iets eerder op netto nul CO2-emissie moeten uitkomen, over een jaar of twintig al. Het halveren van de mondiale emissie in 2030 is te doen met technologisch haalbare maatregelen tegen beperkte kosten, maar klimaatneutraal binnen enkele decennia is een opdracht tot transformatie, schrijft het IPCC. Dergelijke systeemtransformaties kunnen snel gaan, mits condities kloppen en als de startblokken ruim van tevoren zijn klaargezet. Het klimaatprogramma van Jetten lijkt te impliceren dat we voor het doel van CO2-neutraliteit gewoon wat meer en wat sneller moeten doen wat we al deden. En dat is een illusie.

Hoe ziet die benodigde transformatie er dan uit, en hoe is die anders dan wat we voor 2030 moeten doen? Systeemtransformatie betekent dat niet alleen technologie en misschien een deel van ons gedrag verandert, maar dat de bouwstenen en onderliggende principes veranderen van alle systemen waarop onze samenleving en economie zijn gebouwd. Zoals industrie, energie, infrastructuur, landbouw en stedelijke inrichting.

Neem ons mobiliteitssysteem: voor échte verduurzaming, waarmee we de forse emissiereducties behalen die nodig zijn om klimaatneutraal te worden, is alleen benzineauto's vervangen door elektrische niet voldoende. Dat reduceert weliswaar CO2-uitstoot, geluidsoverlast en luchtvervuiling, maar het lost andere problemen, zoals ruimtebeslag, gezondheid en veiligheid, niet op. En het beslag op natuurlijke hulpbronnen - met alle sociale en milieugevolgen van dien buiten Nederland - verandert, maar gaat niet weg. Voor echt duurzame mobiliteit moet het hele systeem opnieuw worden overdacht, inclusief wet- en regelgeving en inrichting van steden. En ook onze relatie met mobiliteit en reizen, die nu neerkomt op: hoe meer en sneller, des te beter. Als je dat overdenkt, kom je op andere investeringen, technologieën en manieren van leven.

Om die systeemveranderingen zich in onderlinge samenhang te laten voltrekken, moeten de juiste omstandigheden worden geschapen. In het IPCC-rapport noemen we zes noodzakelijke randvoorwaarden, die gezamenlijk dergelijke transities kunnen versnellen: meer samenwerking en afstemming tussen landen, steden en wijken; financiële systemen die voor in plaats van tegen duurzaamheid werken; meer human resources in technische uitvoering en planning; internationale samenwerking op het gebied van kennis, opleiding, beleid en financiering; snellere, doelgerichte innovatie; en tot slot gedragsverandering en acceptatie van maatregelen.

Het mooie is: die noodzakelijke voorwaarden kunnen elkaar versterken. Neem gedragsverandering, waar het IPCC voor de eerste keer veel over heeft geschreven. Wereldwijd zullen veel arme mensen nog meer energie, voedsel en spullen moeten gebruiken om in hun levensonderhoud te voorzien. Toch kunnen vraagvermindering en gedragsverandering in 2050 wel 40 tot 70 procent van de mondiale emissies reduceren. Bijvoorbeeld doordat mensen andere vervoers- en etenskeuzes maken, geholpen door een door innovatie verbeterd en door beleid mogelijk gemaakt aanbod van betaalbare, aantrekkelijke duurzame producten en diensten.

Dat is niet onhaalbaar. Veel onderzoek toont aan dat mensen niet alleen gericht zijn op hun eigen belang: veel mensen vinden milieubehoud heel belangrijk en zijn gemotiveerd duurzamer te leven, mits het beter mogelijk en aantrekkelijk wordt, en het beleid op een eerlijke manier wordt uitgevoerd. En daar hebben overheden en bedrijven weer invloed op, via bijvoorbeeld burgerbetrokkenheid, infrastructuur en productontwikkeling. Naarmate mensen meer vertrouwen hebben in een overheid die met visie consistent beleid voor de lange termijn voert, zullen ze overheidsbeleid acceptabeler vinden, financiering zal makkelijker vloeien, en bedrijven en burgers weten welke kant ze op moeten.

Jettens ambitieuze beleid voor 2030 is goed maar niet voldoende. Om een kans te houden om onder de 1,5 °C opwarming te blijven, zou de minister niet alleen moeten inzetten op de reducties voor 2030, maar ook serieus werk moeten maken van de noodzakelijke randvoorwaarden voor een transformatie. Doet hij dat niet, dan halen we misschien de doelen van 2030, maar zijn we te laat voor die cruciale systeemtransformaties én missen we kansen die de samenleving nu al biedt.

En dan weten we bij het volgende IPCC-rapport écht niet meer wat we die bedreigde landen in de klimaatonderhandelingen moeten vertellen.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in NRC (25 juni 2022). Overgenomen met toestemming. Foto: Pexels.


Kornelis Blok (TU Delft), Heleen de Coninck (TU Eindhoven), Gert Jan Nabuurs (Wageningen Universiteit), Linda Steg (Rijksuniversiteit Groningen) en Detlef van Vuuren (Universiteit Utrecht) waren auteurs van het mitigatiedeel van het IPCC Zesde Assessment Rapport (april 2022).

CPO Academy is het kennisplatform van het CPO. Met columns en kennisclips van CPO-docenten en wetenschappers. Voor inspiratie, reflectie en nieuwe inzichten.

Wilt u op de hoogte blijven van inspirerende columns, kennisclips en de nieuwste cursussen? Meld u aan voor de informatiemails.

aanmelden