Archeologie van een kloosterbibliotheek
Archeologie van een kloosterbibliotheek

Archeologie van een kloosterbibliotheek

De Nijmeegse Universiteitsbibliotheek herbergt de 44 laatmiddeleeuwse handschriften en bijna 600 oude drukken van  vrouwenklooster Soeterbeeck. In hun op 8 februari 2023 verschenen boek beschrijven Hans Kienhorst en Ad Poirters wat deze boeken de afgelopen eeuwen hebben meegemaakt en hoe ze telkens van betekenis veranderden. Hun aanpak is die van een archeoloog die de lagen van de tijd blootlegt.

Twaalf jaar waren Hans Kienhorst en Ad Poirters, beiden filoloog en boekhistoricus, in de ban van de Collectie Soeterbeeck. Wat in 2010 begon met een lezing dijde uit tot een steeds groter verhaal met steeds meer lagen.

En eigenlijk moeten we nog iets verder terug, naar een gesprek rond 2000 in een treincoupé tussen Kienhorst en pater Rudolf van Dijk, de laatste pastor van Soeterbeeck. De laatste vertelt over de laatmiddeleeuwse handschriften van het klooster en zijn onderzoek ernaar. Kienhorst mag een kijkje nemen in de kluis van de UB en ook zijn onderzoekershart begint sneller te kloppen. “We hebben het boek aan Van Dijk opgedragen”, vertelt Poirters. “Hij is de geestelijke grootvader ervan.”Dat boek, ruim zevenhonderd pagina’s, hebben ze geschreven volgens een vernieuwende archeologische benadering. Wat die behelst, laat zich het beste vertellen langs de lijnen van enkele cruciale episodes.

Ad Poirters (links) en Hans Kienhorst bestuderen boek V 118 uit de Collectie Soeterbeeck

De blikseminslag (2011)

Aanvankelijk weet Kienhorst alleen van het bestaan van de handschriften. Maar later leert hij ook de oude drukken van de zusters kennen en krijgt steeds meer oog voor gebruikssporen in die boeken, zoals eigendomsnotities of krabbels in de kantlijn. Die vertellen iets over lezers van vroeger. Hij begint zich steeds meer een archeoloog te voelen en draagt dat ook over in zijn werkcolleges. Masterstudent Poirters is gefascineerd en haakt aan bij het Soeterbeeck-onderzoek.

In 2011 leest Kienhorst een interview in de NRC met de gerenommeerde Britse archeoloog Ian Hodder en hij is als door de bliksem getroffen. “Hodders stelling is dat de betekenis van een plek niet statisch is, maar verandert met de tijd. Door de vindplaats laag voor laag af te pellen kun je de verschillende betekenissen op het spoor komen. Reading the past noemt Hodder dat en dat wilden wij ook doen met de Soeterbeeck-collectie”, vertelt Kienhorst.

Dat betekent radicaal anders kijken naar de boeken. “Je kunt weliswaar een laatmiddeleeuws handschrift hebben, maar op het moment dat bijvoorbeeld rector Arnoldus Beckers er in de achttiende eeuw aantekeningen in maakt, wordt het een achttiende-eeuws boek. En toen bij onze boekpresentatie vrouwenschola Voces Caelestes uit hetzelfde handschrift zong, werd het een 21e-eeuws boek. Hun gezang had niets meer met de liturgie te maken, het was een performance geworden. Dus de betekenis van het boek verandert steeds. Vroeger richtten we ons altijd op de middeleeuwse laag. Maar het is veel spannender en interessanter om de gelaagdheid te interpreteren.”

In zijn proefschrift (2017) duikt Poirters horizontaal de diepte in, door het verhaal van de laag-Beckers te vertellen. “In ons boek kijken we juist naar de verticale gelaagdheid: wat is er in de loop van de tijd allemaal met die boeken gebeurd? Zo schrijven we de geschiedenis van de historische bibliotheek van de zusters.” En die historische bibliotheek omvat de oude boeken in de Soeterbeeck-collectie plus alle andere boeken die ooit in het klooster aanwezig waren maar vervreemd raakten. Bijvoorbeeld meegenomen door zilversmid Toon Hermans als betaling in natura voor het leveren van een monstrans en miskelk.

Mystieke mysteries (medio 16e eeuw)

Mooi die nieuwe benadering, maar Hodder is wel streng. Zijn regel luidt: stick to the site. Dat betekent dat je je als onderzoeker niet mag laten verleiden om de blik elders te richten en te redeneren: daar was het zo, dus dat zal hier ook wel zo zijn.Kienhorst en Poirters moesten regelmatig op hun handen zitten. Zo is de Soeterbeeck-collectie een beetje eenzijdig: ze bestaat voornamelijk uit liturgische handschriften (zoals koorboeken) en gedrukte devotionele boeken. “Als je naar andere vrouwenkloosters kijkt, zie je een heel andere collectie”, vertelt Kienhorst. “In het Sint Barbaraklooster in Delft vind je bijvoorbeeld ook nog kerkvaders, bijbels en heiligenlevens. En in het klooster Maaseik zie je allemaal gebedenboekjes. De neiging is om te denken: die zullen er in Soeterbeeck ook wel geweest zijn. Maar wij zeggen: nee, daar is geen aanwijzing voor.” Of om met Hodder te spreken: “Een collectie vertelt alles over zichzelf, maar niets over andere collecties.”  

Soms trekken ze wel vergelijkingen. “Maar alleen als er aanwijzingen zijn.” Zo kennen ze door ander onderzoek de fraaie collectie mystieke handschriften van het klooster Sint-Agnes in Arnhem uit de periode 1540-1570. “Dat is de tijd van de reactie op de reformatie, waarin vrouwenkloosters zich in zichzelf gaan keren en hun geloofsovertuiging bevestigen in de mystiek”, vertelt Kienhorst. “Precies in die periode”, vult Poirters aan, “maakten de zusters van Soeterbeeck zelf boeken. Daarvan zijn nog twee boeken en een fragmentje over, alle drie met mystieke teksten. Dus daar helpt de vergelijking om vondsten van context te voorzien.”

Blue Band in de bibliotheek (jaren vijftig)

Hoogstwaarschijnlijk bewaarden de zusters lange tijd hun boeken in de koorbanken. Pas vanaf de negentiende eeuw zijn er sporen van een fysieke bibliotheek. Uit die tijd dateren de eerste handgeschreven signaturen (plaatsnummers) op de rug van de boeken. Die zijn aangebracht om ze in een volle kast terug te kunnen vinden. “De bibliotheek is in de loop der tijd verschillende keren opnieuw ingericht. Als je de opeenvolgende ordeningen reconstrueert, zie je de veranderende betekenis die de zusters toekenden aan de boeken”, vertelt Poirters. “De alleroudste signaturen zijn rechtstreeks op de rug geschreven. Alle exemplaren van hetzelfde boek hebben hetzelfde nummer. Dan weet je: het boek is te vinden en het gaat om de titel, welk exemplaar maakt niet uit. Dan zit je in een tijd waarin de boeken nog gebruikt werden om hun inhoud.”

Later komen er papieren etiketjes. En begin jaren vijftig krijgt ieder exemplaar een eigen nummer. De zusters gaan de handschriften bij elkaar zetten en nummeren de oude drukken chronologisch tot 1800, met het oudste boek als nummer 1 en zo verder. “Daar heb je geen fluit aan als je een boek wilt vinden. Maar daar draait het niet meer om, het is dan blijkbaar van belang geworden hoe oud de boeken zijn.”In 1958 verandert het weer en worden alle oude drukken en handschriften bij elkaar in drie kasten gezet, zonder logische volgorde, alleen een ordening op type band en formaat. “De zusters noemen dit dan ‘de oude bibliotheek’ en in het bibliotheekreglement staat dat je ervan af moet blijven. De collectie is gemusealiseerd. Ze is één visueel geheel geworden in plaats van dat elk boek telt en wordt gebruikt.”

In de jaren zeventig voegt pater Rudolf van Dijk er nog een laag aan toe. Hij benadrukt het cultuurhistorische belang van de collectie: dit is de geschiedenis van wie we zijn, het erfgoed van de Moderne Devotie waaruit het klooster ontstaan is (zie kader).

Het besef dat hun oude boekenbezit waardevol is, was al eerder doorgedrongen. Een aanwijzing daarvan is dat de zusters die op hun manier gaan conserveren. Zo knippen ze uit kartonnen dozen van de Blue Band of Douwe Egberts kaften voor de kwetsbare en incomplete handschriften en binden die met keperband bij elkaar. “Dan moeten wij als archeoloog uitzoeken in welke tijd dit soort dozen in gebruik waren. Dat bleek vanaf de Tweede Wereldoorlog het geval.”

De zusters gooiden niets weg en hergebruikten alles. In de boeken zijn daar tal van sporen van terug te vinden. Zoals een afgescheurd overlijdensbericht waar een zuster op de achterkant een liturgische tekst heeft geschreven en die met een zilveren speld aan de bladzijde heeft vastgemaakt.  Zonde van zo’n mooi middeleeuws handschrift, denk je onwillekeurig. “Maar voor hen was het heel lang geen mooi boek, maar een gebruiksvoorwerp. Voordat de zusters ze gingen conserveren, verknipten ze bijvoorbeeld veel oude handschriften tot bindmateriaal voor andere boeken.”

Een bisschoppelijke visitatie (1632)

Een deel van de eigendomsnotities, handgeschreven namen van zusters in de boeken, kwam Kienhorst ook tegen in het rapport van een bisschoppelijk visitatiebezoek aan klooster Soeterbeeck in 1632. “Zo kon ik de laag 1632 beetpakken.” Poirters vult aan: “Daar zetten we in ons boek de klok even stil. Wat betekent het nou dat de zusters hun naam in een boek zetten? Hoe verhoudt privébezit zich tot hun gelofte van armoede? En mochten ze zelf hun naam erin schrijven of deed de priorin of de rector dat?”

Alleen al het beantwoorden van die laatste vraag was een ware Sisyfusarbeid. Minutieus vergeleken beide onderzoekers de handen van de schrijvers. “We verkeerden in voortdurende onzekerheid. Lijkt deze ‘n’ niet erg op die ‘n’ in dat andere boek? Vandaag denk je: dit is dezelfde hand, morgen: hoe kunnen we dat denken?”

De verlossing kwam met een toevalstreffer. Poirters las in een nieuwsbrief van het Brabants Historisch Informatie Centrum dat parochiedossiers waren gedigitaliseerd. “Ik dacht: ik blader er eens doorheen, wie weet zit er iets in over Soeterbeeck. Bleek er een heel mapje te zijn met correspondentie van de zusters met de bisschop.” Ze wisten wel van het bestaan, maar die map bleek jaren onvindbaar. “Pure mazzel dat ik hem vond.”

Het betekende extra werk - weer met de neus op de pennenstreken – maar de brieven bevestigden enkele van hun conclusies over wie wat geschreven had. Bovendien leverde het smeuïge verhalen op over een machtsstrijd in het klooster en een rector die wat al te warme banden met twee zusters zou hebben gehad. Hij kreeg na de dood van eentje twee van haar  boeken, blijkens de eigendomsnotities, en las met de ander bij voorkeur ’s nachts de getijden. De econome van het klooster, zuster Petronella van Berckel, beklaagde zich erover bij de bisschop. “Ze schrijft ook dat de bisschop haar brieven na lezing moet verbranden. Dat heeft hij gelukkig niet gedaan.” De bisschop reageert op de ellenlange epistels onder meer met een zending nieuwe vertalingen van de kloosterregel van Augustinus. “Wij hebben daar nog een reeks exemplaren van in de collectie”, vertelt Poirters. “Die hebben nu context gekregen. Met geduldig archiefonderzoek en een beetje geluk kun je dus betekenis geven aan materieel erfgoed.”

De desastreuze brand (1539)

“Wij lezen het verleden op basis van wat we vinden”, vat Kienhorst hun boek samen. “En zonder daarbij te liegen.” Hij heeft het nog niet gezegd of Hodder mengt zich alweer in de discussie: is dat wel zo? Want een van diens lessen is: wees je bewust van je eigen vooringenomenheid en leg rekenschap af van je interpretaties. Die metalaag zit ook in hun boek: ze sluiten af met een zelfreflectie.Een casus waarbij ze op hun qui vive moesten zijn, was een brand in het klooster in 1539. Rector Beckers schrijft in zijn kroniek bijna twee eeuwen later dat toen de brevieren van de zusters zijn verbrand. Dat is gek, want de huidige Collectie-Soeterbeeck telt een aantal handgeschreven exemplaren daarvan uit de late middeleeuwen.

“Dat is een moment dat we zeiden: hier moeten we oppassen”, vertelt Kienhorst. Want het boekhistorisch onderzoek zegt A de rector uit de achttiende eeuw zegt B. Poirters vult aan: “Waarom willen wij zo graag dat het anders is dan Beckers beschrijft? Zijn die oudste boeken die we hebben, voor de zusters van Soeterbeeck gemaakt en geschreven? Of, als in 1539 alles in de as is gelegd, zijn ze pas daarna naar het klooster gekomen? Dat is wat op het spel staat: hebben we hier echt met de oudste laag van de bibliotheek te maken of zijn die oude handschriften later ergens vandaan gehaald? Dat laatste konden we ons niet voorstellen.”

In hun boek schrijven ze regelmatig ‘we weten niet hoe het precies zit’. Maar in dit geval zijn ze stelliger, legt Poirters uit. “Van de 44 handschriften zijn er vele in klooster Mariënhage gemaakt voor een vrouwenklooster. Hetzelfde Mariënhage leverde ook de rectoren voor Soeterbeeck. Welk ander vrouwenklooster zou er geweest moeten zijn dat zijn eigen boeken weggeeft als Soeterbeeck ze nodig heeft?! Dus misschien moet het met die brand toch een beetje anders zijn gegaan dan iemand twee eeuwen later beweert.”

Een Madonna die geen Madonna is (2023)

Hun boek begint met een beeld, letterlijk en symbolisch. Het letterlijke beeld is dat van een Madonna met kindje dat in klooster Soeterbeeck nog steeds in een nis tegenover de refter staat. Rector Beckers schrijft in de achttiende eeuw dat het als een wonderbeeld beschouwd wordt: de beeldenstormers hadden het toegetakeld en in de rivier de Dommel gegooid en zo kwam het, tegen de stroom in, naar klooster Soeterbeeck gedreven. In de negentiende eeuw voorzagen de zusters het van nieuwe hoofdjes en handjes en kleedden ze het aan met doeken,  kroontjes en een scepter. Maar wie het kale beeld goed bekijkt, ziet dat er iets weggesneden lijkt. “Dit was oorspronkelijk waarschijnlijk geen Maria met kind, maar een Anna te Drieën, dus een beeld van Anna met haar dochter Maria en het kindje Jezus”, vertelt Poirters. “Voor ons staat het beeld symbool voor ons onderzoek: het toont de opeenvolgende lagen van betekenisgeving.” Kienhorst vult aan: “Als wij nu langs dat beeld lopen, zien we ons boek.”

De laag Kienhorst (2005)

Toen Kienhorst in 2005 een tentoonstelling over de handschriften van Soeterbeeck voorbereidde, heeft hij het restauratiewerk van de zusters gefatsoeneerd. Zij hadden de bladen van handschriften niet altijd juist in zo’n kartonnen bandje samengevoegd, hij zette ze weer in de goede volgorde. “Toen keek je nog traditioneel: dit zijn middeleeuwse handschriften en die moeten we zoveel mogelijk conserveren en reconstrueren”, vertelt Poirters.

Kienhorst voelde zich daar later schuldig over. “Zoals het nu is, snap je wat je leest. Maar ik had niet moeten morrelen aan dat wat ik onder mijn neus kreeg.”AP: “Ik kan me het moment nog goed herinneren dat je zei: ‘Verdorie, we moeten het terugzetten.’ Toen zei ik: ‘Nee, jij bent onderdeel van de geschiedenis van dit boek, dat is weer een laag.”HK: “De laag Kienhorst.”AP: “Het verhaal gaat door, ons boek eindigt expres niet in 1997, toen de zusters het klooster verlieten, maar nu. En het kan na ons boek nog steeds doorlopen.”

De zusters van Soeterbeeck

In 1448 gingen enkele vrouwen in het Brabantse Nederwetten samenwonen als Zusters van het Gemene Leven, geïnspireerd door de Moderne Devotie. In 1452 namen ze de regel van Augustinus aan en vormden ze een officieel klooster, genaamd Soeterbeeck, dat in 1462 verhuisde naar Nuenen. In 1732 weken de zusters uit naar Deursen in het land van Ravenstein. Deze vrije heerlijkheid maakte deel uit van het Heilig Roomse Rijk en daarom mochten ze hier, anders dan in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, vrijelijk hun katholieke geloof belijden. In 1997 verlieten de laatste zusters het klooster en kort daarna kwam Soeterbeeck in het bezit van de Radboud Universiteit. De kunstschatten en boeken werden in 2003 ondergebracht in de Stichting Kunstpatrimonium Soeterbeeck. De UB heeft de boekcollectie onder haar hoede in langdurige bruikleen. Al in het verleden is aan de universiteit onderzoek gedaan naar deze collectie, en ook in de toekomst zal aan de zusters van Soeterbeeck, hun klooster en bibliotheek aandacht worden besteed in het kader van Radboud Erfgoed. Hans Kienhorst & Ad Poirters, Book Collections as Archaeological Sites. A Study of Interconnectedness and Meaning in the Historical Library of the Canonesses Regular of Soeterbeeck. Turnhout: Brepols, 2023.

Dit artikel is geschreven door Bea Ros en is eerder verschenen op ru.nl. Foto 1 door Gerard Verschooten. Overige foto's door Anton Houtappels.

Contactinformatie

Thema
Taal, Geschiedenis, Radboud toen en nu