Voor zichzelf kocht hij een appartement dat praktisch op de Nijmeegse universiteitscampus ligt. Vanuit zijn raam kijkt hij op het torentje van het Berchmanianum. ‘Als ik internationale gasten heb op de universiteit, neem ik ze vaak mee naar huis om te lunchen’, vertelt hij. ‘Hier kunnen we heerlijk rustig zitten.’
Hij draagt sloffen en heeft zijn bezoek gevraagd dat ook te doen – er ligt een voorraadje hotelpantoffels in de gangkast. De houten vloer is net nieuw, vandaar.
Reist u nu op en neer tussen Nijmegen en Lund?
‘Ik heb daar een aanstelling voor een dag in de week. De Lundse dagen spaar ik op, en dan ga ik meestal om de vier of vijf weken een week naar Zweden. Ik combineer zo’n trip met veldonderzoek in Denemarken. Het ligt niet ver uit elkaar. Maar langer dan twee weken zal ik nooit wegblijven, uit ervaring weet ik dat Mieke dan onrustig wordt.’
Ziet u haar in Nijmegen elke dag?
‘Ja. Meestal lunchen we samen, en vaak ga ik ’s avonds ook nog even bij haar op bezoek. Als ik in het buitenland ben, nemen mijn zoons het over. Voor Mieke haar hersenbloeding kreeg, hadden we het wel eens over hoe we samen oud wilden worden. Samen oud worden doen we nu, al is het op een totaal andere manier dan we ooit hadden kunnen bedenken.
Ik mis de oude Mieke nog elke dag hoor, dat gaat nooit over. Maar het doet niet meer zo’n pijn als zes, zeven jaar geleden. We hebben een routine gevonden, zij is tevreden en bij mij heeft het een plekje gekregen. Maar leuk is anders natuurlijk.’
Hoge werkdruk
Jetten heeft – behalve het Zweedse avontuur – geen grootse plannen voor zijn emeritaat. Misschien ’s ochtends een beetje werken en na het bezoek aan zijn vrouw iets leuks doen. Sporten of ergens naartoe fietsen. ‘Gewoon, rustig aan…’
Vier promovendi heeft hij nog, die zal hij zo goed mogelijk op weg helpen. En het onderzoek dat hij onder meer in Denemarken doet, loopt nog een jaar door. Dat is waar hij met een team die ERC Synergy Grant van 7,7 miljoen voor kreeg in 2019. De biologen, aangevoerd door Nijmegen en Utrecht, bestuderen anaerobe processen in de zeebodem.
Als u terugkijkt op uw carrière, wat waren dan de mooiste jaren?
‘In 2007 werd de ERC, de European Research Council, in het leven geroepen. Ik had er weinig oren naar om een beurs aan te vragen, want ik had het al druk genoeg. Maar de toenmalige decaan zei: “Mike, jij moet echt een aanvraag schrijven.”
Ik heb toen twintig dagen de tijd genomen om na te denken over een voorstel. Alleen dat al is zo goed geweest, zelfs als er niets was uitgekomen. Twintig dagen afstand nemen en reflecteren op de vraag wat je de komende vijf jaar wilt gaan doen. Die Advanced Grant kreeg ik een jaar later, ik kon wat ik bedacht had nog gaan uitvoeren ook. Het geeft in de wetenschap rust om voldoende funding te hebben. Als je een goeie onderzoeker op het oog hebt, kun je die gewoon inhuren.
Er volgden meer beurzen. Het waren prachtige, stabiele jaren voor mijn onderzoek. En toen ik eenmaal doorhad hoe het werkte, schreef ik meer aanvragen. Drie tegelijk zelfs, in 2012. Ik dacht, dan haal ik er wel eentje binnen. Ik kreeg ze alle drie, twee Zwaartekrachtsubsidies en nog een Advanced Grant. Dat was wel even aanpoten. Maar het leidt ertoe dat je dan ook extra staf en extra talentvolle mensen aan kunt nemen. Dat is heel erg mooi.’
Het leidt ook tot een hoge werkdruk.
‘Absoluut. Voor de administratie moest ik toen mijn uren gaan bijhouden. O shit, dacht ik, werk ik echt zoveel? Van zestig uur in de week heb ik geprobeerd onder de vijftig te komen. Ik heb in mijn loopbaan helaas heel veel jonge mensen zien omvallen.
Binnen mijn eigen afdeling heb ik altijd geprobeerd een zo gezond mogelijk werkklimaat neer te zetten, maar ook daar gebeurde het. Mensen leggen zichzelf een ambitieniveau op wat bijna onhaalbaar is. En er wordt te veel van ze gevraagd.’
Als u één ding mocht noemen waar de universiteit direct mee moet stoppen om de werkdruk tegen te gaan, wat zou dat dan zijn?
‘E-mail. Mijn grootste wens zou zijn dat e-mail niet meer bestaat. Gewoon helemaal niet meer. Ik probeer zelf echt minder te mailen. Hoe meer berichten je stuurt, hoe meer je terugkrijgt.’
Wat moeten we dan doen? Bellen? Appen?
‘Dat zou al helpen ja, want je telefoon kun je uitzetten. Maar begin eens met het opwerpen van een drempel. Vraag jezelf af voor je gaat mailen: is het echt nodig dat ik mijn collega nu bestook met dit bericht? Op een goeie dag krijg ik minder dan tweehonderd e-mails. Die probeer ik steeds meer automatisch te laten beantwoorden, want een groot deel is van de strekking: mag ik bij jou komen werken?
Ik lees wel alle berichten, dat durf ik nog niet aan AI over te laten, maar ik omarm dus deze nieuwe technologie. AI maakt mijn leven makkelijker. Ik ken de negatieve geluiden dat je AI ook kunt misbruiken voor van alles, maar daar heb ik weinig mee. Dat geldt voor buskruit ook.’
Administratieve ruzies
Hoogleraar Jetten roept al jaren dat de universiteit zuiniger op haar mensen zou moeten zijn. In 2020 zei hij tegen Vox: ‘Laat de Radboud Universiteit de meest zorgzame universiteit van Nederland worden.’ Zelf had hij aan den lijve ondervonden hoe het was om je collega’s in de steek te laten als gevolg van ziekte.
Mieke had net haar hersenbloeding gehad, hij bezat niet de concentratie om fulltime te kunnen werken en schakelde terug naar vijftig procent. Het gevolg was dat zijn afdeling een halve fte kwijt was en geen vervanger mocht inhuren.
Collega’s moesten de gaten dichtlopen, wat hem een akelig gevoel gaf. Zij moesten nu nóg harder werken, terwijl ze al zo druk waren. Hij pleitte voor een solidariteitsafspraak, een soort collectieve verzekering die uitkeert als er iemand uitvalt. Binnen zijn eigen onderzoeksinstituut hadden de hoogleraren dat met elkaar geregeld.
Samen met collega’s wendde hij zich tot het faculteits- en universiteitsbestuur voor een universiteitsbrede variant, maar die kwam er tot zijn teleurstelling nooit.
Zelf was hij tijdens zijn loopbaan een paar jaar vicedecaan van de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica. Hij vond het interessant om dichtbij het vuur te zitten en probeerde in die rol de omstandigheden voor onderzoek en onderwijs beter te maken, maar besturen was niet echt zijn ding.
‘Ik was met 101 triviale administratieve ruzies bezig. Daar heb ik veel van geleerd, onder meer dat ik er het geduld niet voor heb.’
De universiteit is doorgeschoten in regeltjes en het optuigen van controlemechanismen, vindt hij. Het gaat te veel over Oracle-evaluatieformulieren en te weinig over vertrouwen of menselijkheid.
Laat hem maar in zijn dry suit in de modder staan om sedimentmonsters te nemen. Vervolgens uitzoeken welke bacteriën erin zitten. Liefst met een paar promovendi naast zich.
Op zijn telefoon laat hij foto’s zien van zijn meest recente veldwerk in Denemarken, eerder deze maand. Onder een strakblauwe hemel vaart een onderzoeksbootje. Medebiologen staan op een parkeerplaats met auto’s vol meetapparatuur. ‘Heerlijk’, verzucht hij.
77 promovendi
In zijn veertig werkzame jaren begeleidde hij 77 promovendi. Daarvan komen er meer dan vijftig naar zijn afscheidsrede op 29 mei. De jonkies die nog aan het begin van hun carrière staan, heeft hij al geïnstrueerd met wie ze die dag kunnen netwerken. Niet dat ze anders niet aan een baan komen, want de meesten worden al weggekocht voor ze überhaupt hun diploma hebben, maar toch. ‘Als mijn laatste vier promovendi straks ook klaar zijn, ga ik dat wel missen’, voorspelt hij. ‘Die jonge mensen. Dat is echt het allerleukste.’
Mieke zal er niet bij zijn die dag. Omdat ze er zelf niets aan heeft, en omdat Jetten dan alleen maar oog zou hebben voor hoe het met háár gaat. Daags na het afscheidsfeestje stapt hij weer in de auto naar Lund. ‘Een one way-ticket,’ noemt hij het met een grimas. Symbolisch dan, want hij zal altijd binnen twee weken terugkeren naar zijn vrouw, maar zijn leven aan de Radboud Universiteit ligt dan achter hem.
‘Weet je wat ik ga doen?’ denkt hij hardop. ‘Ik zet de out of office aan op mijn RU-account. Boodschap: dit mailaccount wordt nooit meer gelezen. Als u iets van professor Jetten wilt, dan stuurt u maar een brief.’
Dit artikel verscheen eerder op Vox. Tekst: Annemarie Haverkamp.