Als je naar de huisarts stapt voor hulp met overgewicht, is het advies vaak hetzelfde. ‘In eerste instantie wordt altijd ingezet op een simpel mantra: minder eten, meer bewegen', legt Tatjana van Strien, emeritus-hoogleraar psychologie bij de Radboud Universiteit uit. ’Maar die gangbare behandeling slaat niet altijd aan.’ Met de Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag (NVE) kan een gezondheidsprofessional simpel ontdekken of er mogelijk ook iets anders speelt.
Dat gebeurt aan de hand van 33 vragen, die gaan over drie typen eetgedrag. De eerste: emotioneel eten, bij negatieve emoties. Daar horen stellingen bij als “Als u iets onprettigs te wachten staat, hebt u dan zin om iets te eten?”. Bij het tweede type, extern eten, op basis van externe voedselprikkels, zitten vragen als: “Als u langs een snackbar of cafetaria loopt, krijgt u dan zin om iets lekkers te kopen?” Lijngericht eten wordt getoetst met vragen als: “Eet u om niet dikker te worden met opzet wat minder?”
De vragen kunnen beantwoord worden op een schaal van 1 (nooit) tot 5 (altijd). Per type eetgedrag wordt vervolgens een somscore berekend die, na vergelijking met die uit de best normgroep kan worden gekwalificeerd als 1) zeer laag tot 7) zeer hoog. De NVE heeft aparte normgroepen voor jongens en voor meisjes en voor mannen en voor vrouwen, waarbij wordt onderverdeeld in groepen met en zonder overgewicht. Met de kwalificatiescore kan aan de hand van een beslisboom de juiste behandelingsstrategie worden bepaald.
Behandeling op maat
Van Strien: ‘Emotioneel eten, dat is eten in reactie op negatieve emoties of stress. Evolutionair gezien is dit afwijkend gedrag: onze verre voorouders moesten vechten of vluchten als ze zich bedreigd voelen, hadden geen tijd om dan te eten. En ook nu krijgen veel mensen bij stress geen hap door hun keel. Maar sommige mensen gaan dan juist wel eten, waarschijnlijk omdat ze weinig zicht hebben op signalen uit het eigen lichaam en signalen bij emoties – dat wordt ook wel gevoelsblindheid genoemd.‘
‘Een externe eter is iemand die gevoelig is voor voedselprikkels uit de omgeving. Denk bijvoorbeeld aan de geur van frietzaak waar je voorbijloopt, of als je collega's ziet eten tijdens de lunch. Dat is gedrag dat we allemaal weleens hebben, maar bij sommige mensen is dat net wat intenser.'
En lijngerichte eters, dat zijn mensen die bewust minder eten om af te vallen. In het begin vallen de meesten af, maar omdat deze mensen voortdurend honger hebben, hoeft er maar iets te gebeuren en het dieet mislukt toch weer, en uiteindelijk zijn ze vaak zwaarder dan voor het dieet’’
We weten nu dat vooral emotioneel eten om een speciale behandeling vraagt. Behalve met problematiek rondom emotieregulatie hangt het ook samen met eetbuistoornis. Zo hebben we net weer nieuw onderzoek afgesloten in een Nederlandse eetstoorniskliniek waar dialectische gedragstherapie (DGT) bij patiënten met een eetbui-stoornis en een hoge mate van emotioneel eten beter werkte dan de gangbare cognitieve gedragstherapie, doordat DGT meer gericht is op emotieregulatie en daarmee op emotioneel eten. Ook blijkt dat emotioneel eten de verbindende link is tussen depressie en obesitas wat de NVE ook heel relevant voor psychologen en psychiaters maakt.
Simpel, dus succesvol
De vragenlijst is ogenschijnlijk simpel, maar volgens Van Strien is dat ook de reden dat hij veertig jaar later nog steeds vaak gebruikt wordt door professionals in het veld. ‘Er zijn allerlei nieuwe vragenlijsten ontwikkeld, maar mensen blijven terechtkomen bij de drie eetstijlen die in de NVE staan. Het geeft bijvoorbeeld de huisarts een direct handvat: kan ik deze patiënt beter doorverwijzen naar de diëtist, of naar de psycholoog?’
De vragenlijst ontstond in de jaren 80. Van Strien promoveerde destijds aan de Universiteit Wageningen op onderzoek naar eetstijlen, en was betrokken bij een groot multidisciplinair onderzoek naar overgewicht. Als psycholoog werd ze gevraagd om een vragenlijst te ontwikkelen over eetgedrag. ‘Er bestonden toen drie theorieën over eetgedrag, één over de rol van opvoeding en negatieve emoties, één over externe voedsel prikkels en één over lijngericht eten, met elk een eigen therapie. Een goede theorie gestuurde vragenlijst bestond nog niet, waarbij de drie soorten eters afzonderlijk gemeten worden. Dat hebben we met de NVE neer kunnen zetten.’
Na Wageningen kwam Van Strien in Nijmegen terecht. Daar ging ze verder met onderzoek naar de achterliggende oorzaken van eetgedrag. Ze werkte onder meer bij het Instituut voor Genderstudies, waar ze zich bezighield met depressie bij vrouwen en de rol van gender in gezondheid. Toch bleef het eetgedragsonderzoek trekken. Zo was ze vlak voor haar emeritaat nog betrokken bij een grootschalig longitudinaal project, waarbij baby's van veertien maanden tot in de adolescentie gevolgd werden. Dat project (‘de kroon op mijn werk', aldus Van Strien) toonde aan dat emotioneel eten inderdaad al in de vroege kinderjaren ontstaat.
Eetgedrag blijkt grenzeloos
Bijzonder: de Dutch Eating Behaviour Questionnaire, zoals de NVE in het Engels heet, doet het ook over de grens goed. ‘De drie types eters overstijgen culturele verschillen. De lijst is vertaald in het Japans, Spaans, Chinees, Farsi, Indiaas en tal van andere talen. Onlangs werd ik zelfs benaderd door iemand die een Oekraïense vertaling wilde maken: daar was ik heel erg blij mee. En in al die vertalingen zijn de vragen eigenlijk hetzelfde gebleven. Dat laat zien dat, ongeacht je land en je achtergrond, dezelfde factoren je eetgedrag kunnen bepalen.’