Verschillende verwachtingen: ongelijkheid in het onderwijs
Verschillende verwachtingen: ongelijkheid in het onderwijs

Verschillende verwachtingen: ongelijkheid in het onderwijs

Idealiter zien we dat elk kind in het onderwijs dezelfde kansen krijgt om zichzelf te ontwikkelen. In de realiteit blijkt echter dat onderwijs te maken heeft met ongelijkheid in de samenleving. Eddie Denessen, onderwijswetenschapper aan de Radboud Universiteit, legde uit hoe onderwijs en ongelijkheid met elkaar te maken hebben. Margriet van Hek, socioloog aan de Radboud Universiteit, ging in op de oorzaken en gevolgen van genderverschillen in het onderwijs. Tot slot gingen zij in gesprek met Jan Bransen, filosoof van de gedragswetenschappen aan de Radboud Universiteit.

Eddie Denessen legde uit dat, hoewel de definiëring van ongelijkheid in het onderwijs verschilt langs politieke lijnen, ongelijkheid tegenwoordig wel als een van de grootste problemen in het onderwijs wordt gezien. Volgens Denessen heeft onderwijs op vier manieren te maken met ongelijkheid. Ten eerste creëert onderwijs ongelijkheid, omdat binnen ons onderwijs elk persoon de mogelijkheid heeft om zijn of haar verschillende interesses en talenten te volgen. Die verschillen creëren automatisch ongelijkheid. Tegelijkertijd creëert onderwijs ook maatschappelijke ongelijkheid in de vorm van verschillen in kansen, bijvoorbeeld door de opdeling in verschillende niveaus. Ten tweede maakt onderwijs in bepaalde mate ongelijkheid ongedaan. Kinderen die in verschillende contexten opgroeien komen in de klas terecht in dezelfde pedagogische omgeving. Ook de gemeenschappelijke doelen van het onderwijs zorgen ervoor dat verschillen tussen leerlingen zo klein mogelijk worden gemaakt.

Legitimatie van ongelijkheid

Een derde relatie tussen onderwijs en ongelijkheid is de legitimatie van ongelijkheid. Het dominante gedachtegoed in het onderwijs is gebaseerd op individuele ontwikkeling en verantwoordelijkheid: als je je best doet en je de juiste capaciteiten hebt of creëert, is het onderwijs toegankelijk voor iedereen. Het wordt dan ook als een individuele verantwoordelijkheid gezien om je eigen toekomst te realiseren en om een bepaalde status met onderwijs te verwerven. In die zin wordt ongelijkheid door onderwijs gerechtvaardigd om een bepaalde maatschappelijke positie te verwerven die bij jou past. Een vierde en laatste verband dat Denessen schetste tussen onderwijs en ongelijkheid is dat onderwijs ongelijkheid reproduceert. Hierbij gaat het vooral om gelijke kansen. Het onderwijs lijkt bepaalde groepen beter te bedienen dan anderen. Zo doen kinderen met hoogopgeleide ouders het beter in het onderwijssysteem. Niet alleen individuele cognitieve vermogens spelen een rol in de schoolloopbaan, maar ook de sociaaleconomische situatie waarin iemand opgroeit.

Optimisme

Als een leraar hoge verwachtingen heeft van een leerling, dan zien we dat terug in de leermogelijkheden die de leerling krijgt aangeboden, zoals extra uitdaging, meer tijd om iets te leren en betere instructie van de leerkracht. Met die mogelijkheden kunnen kinderen zichzelf goed ontwikkelen, vertelde Denessen. Waar een leerkracht negatievere verwachtingen heeft van een kind, krijgt het kind minder leermogelijkheden. Oneigenlijke verwachtingen die leraren hebben, bijvoorbeeld vanwege de achtergrond van de leerling, kunnen dus leiden tot meer ongelijkheid. Volgens Denessen moet de leraar optimistischer denken over alle leerlingen, zodat zij allemaal optimale leermogelijkheden krijgen om tot bloei te kunnen komen.

Genderverschillen

Ook genderongelijkheid speelt een rol in het onderwijs. Margriet van Hek doet als onderwijssocioloog onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van deze ongelijkheid. Meisjes en jongens groeien op in dezelfde families en zitten op dezelfde scholen, maar dat betekent niet dat ze evenveel kans hebben op onderwijssucces. De afgelopen jaren zijn vrouwen gemiddeld naar een veel hoger opleidingsniveau gestegen dan mannen. Ook wanneer specifiek naar bepaalde vakgebieden wordt gekeken, zijn jongens ingehaald: in leesvaardigheid, natuurwetenschappen en wiskunde presteren meisjes gelijk of beter dan jongens. Deze verschillen hebben gevolgen voor mannen, vrouwen en voor de samenleving als geheel, legde Van Hek uit. Zo zijn voor het grootste deel van de mannen, die het niet zo goed doen in het onderwijs, banen uit het lagere- en middensegment schaars. Daardoor hebben zij meer kans op werkloosheid, flexibele arbeidscontracten en slechtere werkomstandigheden.

Verwachtingen

Over de verklaringen voor deze genderongelijkheid zijn wetenschappers het nog niet helemaal eens. In bepaalde mate lijken biologische verschillen een rol te spelen. Zo hebben jongens vaker dyslexie dan meisjes. Tegelijkertijd hebben familie, leeftijdsgenoten, school en de samenleving waarin jongens en meisjes opgroeien invloed op ongelijkheid, vooral via gendernormen die voorschrijven hoe mannen en vrouwen zich behoren te gedragen. In elke samenleving verschillen die verwachtingen voor mannen en vrouwen: van meisjes wordt eerder verwacht dat ze rustig en meegaand zijn. Van jongens verwachten we dat zij fysiek actiever en zelfstandiger zijn en dat zij autoriteit minder makkelijk accepteren. Die verwachtingen omtrent gedrag kunnen leiden tot verschillende onderwijsprestaties. Zo zijn de docentverwachtingen voor jongens en meisjes verschillend en dat creëert ongelijkheid.

Compenseren of gelijke behandeling?

Jan Bransen vroeg zich in het nagesprek af wanneer onderwijs het dan wel goed doet. Moet het onderwijs compenseren voor bepaalde achtergronden van kinderen met extra aandacht voor deze groepen? Of moet iedereen evenveel liefde en aandacht krijgen? Voor Denessen is het belangrijk dat het onderwijs zo wordt ingericht dat kinderen niet worden afgerekend op kenmerken waar zij niets aan kunnen doen, zoals het opleidingsniveau van ouders. Een bepaalde mate van compenseren zou dus goed kunnen zijn. Volgens Van Hek zit dat met sekse iets anders, omdat jongens en meisjes in principe dezelfde startsituatie hebben. Zij betwijfelt dus of jongens automatisch meer aandacht zouden moeten krijgen, omdat ze jongens zijn. Optimistischere verwachtingen van leraren, ouders en de samenleving voor elk kind, ongeacht achtergrond, sekse of gender, zou wat betreft de sprekers in ieder geval een verschil kunnen maken in de bestrijding van ongelijkheid in het onderwijs.

Tekst: Inge de Vries. Dit is het verslag van een evenement van Radboud Reflects. Foto: Free-Photos via Pixabay.

Contactinformatie

Thema
Onderwijs, Diversiteit