Ouderdom is achteruitgang?
Linda Geerligs, neurowetenschapper bij het Donders Instituut, trapte af met een lezing over veranderingen in de hersenen als we ouder worden. Ze ziet dat veel mensen, ook collega-neurowetenschappers, ouderdom koppelen aan achteruitgang. “Dit beeld is wat mij betreft veel te eenzijdig,” aldus Geerligs.
Waar komt dit beeld vandaan? Geerligs legde uit dat MRI-scans laten zien dat mensen meer hersenvocht aanmaken naarmate ze ouder worden. Dat hersenvocht komt in de plaats van neuronen en hun onderlinge verbindingen. En dat laatste wordt dan gekoppeld aan achteruitgang. Maar Geerligs plaatste hier twee kanttekeningen bij. Ten eerste verschilt per persoon hoe diegene veroudert. “Die onderlinge verschillen tussen mensen zijn eigenlijk veel groter dan het effect van leeftijd,” benoemde de neurowetenschapper. Daarnaast zegt de structuur van hersenen niet altijd zoveel over de manier waarop die hersenen functioneren. Afname van activiteit in het ene deel van de hersenen kan bijvoorbeeld opgevangen worden door extra activiteit in andere hersendelen.
Het lab versus het leven
Ook wees Geerligs op een traditioneel beeld van ouderdom dat voortkomt uit de manier van testen. Zowel het korte- als het langetermijngeheugen als de snelheid van informatieverwerking gaat achteruit als je ouder wordt. Maar, zo benadrukte Geerligs, dit soort testjes vergelijken vaak mensen van verschillende generaties, gemeten op één moment. Als we daarentegen één persoon gedurende meerdere leeftijdsfasen meten, komt er een genuanceerder beeld naar voren. En ook hier zijn er weer grote verschillen tussen individuen.
Maar Geerligs’ belangrijkste kanttekening is dat er een belangrijke discrepantie is tussen de cognitieve taakjes die worden gemeten in een lab en het dagelijks leven. Ze wees erop dat we oudere mensen belangrijke taken geven, bijvoorbeeld het besturen van een land. Dat laten we niet aan een twintig jarige over. De reden is dat ouderen ontzettend veel kennis en ervaring met zich meenemen. Helaas wordt dat in standaard testen in het lab niet gemeten. Geerligs pleit voor een “eerlijker en holistisch beeld van veroudering.”
“Lelijk”, “knorrig” en “eenzaam”
Marcel Olde Rikkert, klinisch geriater bij het Radboudumc, sprak vanavond over hoe de omgeving, ouderen zelf en de wetenschap naar ouderen kijken. Hij ziet een stereotypering die met de paplepel ingegoten is: kinderen denken bij ouderen snel aan “lelijk”, “knorrig”, “eenzaam” of aan “in een rolstoel of tehuis”. Oorzaken daarvan zijn bijvoorbeeld beelden in sommige kinderboeken, maar ook de manieren waarop familieleden en de overheid over ouderen spreken. Daarnaast komen er veel karikaturen van ouderen voor in de media en heerst er op de arbeidsmarkt een negatief beeld van vijfenvijftigplusser, ziet de geriater.
Olde Rikkert: “De grote paradox is: ouder worden treft iedereen, dus als je kritisch denkt en spreekt over ouderen, heb je het voortdurend over je toekomstige zelf.” Hij wees erop dat ons taalgebruik van groot belang is. We moeten dan ook letten op subtiele woordjes. Denk aan vragen aan en opmerkingen over ouderen met het woordje “nog” erin: “Loopt u nog?” Bent u nog geïnteresseerd in politiek?” Olde Rikkert legde uit dat dit soort taal tot zelfvervullende profetiëen kan leiden. En hij wees op zogenoemde ouderenspraak (elderspeak) - aanduidingen als: “bejaarde”, “pensionado”, of, betuttelend, “omaatje”. Wetenschappers spreken bij dit soort taal ook wel over linguistische beschadiging.