Als neerlandicus en historisch letterkundige is Jensen gefascineerd door die discussies. Ze draaien om één vraag, zo stelt ze: ‘Moet je historische boeken aanpassen naar de normen van de huidige tijd? En hoe ver moet je daarin gaan?’ Jensen beschreef de verschillende manieren waarop we boeken aanpassen om ze geschikt te maken voor nieuwe generaties. Manieren, zo vertelde ze, waarop je ‘recht kan doen aan zowel de historiciteit van de tekst als de gevoeligheden van bepaalde groepen’.
Sambo werd Rajani
In een stoomcursus editiegeschiedenis somde Jensen de verschillende vormen op: kritische edities, hertalingen, vertalingen, maar ook bewerkingen voor film en televisie. Elke uitgave van een boek die niet het origineel is, zal iets met de taal of het verhaal doen om een roman een tweede leven te geven.
Aan de hand van Pipi Langkous en de Kleine Zwarte Sambo illustreert Jensen hoe ook kinderboeken zo, door de tijd heen, veranderen. Pipi Langkous in Taka-Tukaland was eigenlijk een heel antiracistisch verhaal, maar het gebruik van het n-woord schepte een andere indruk. Met toestemming van de dochter van Astrid Lindggren werd het daarom vervangen. De kleine zwarte Sambo werd in een latere Engelse editie een Indisch jongetje, Rajani. Ondertussen bleef in een recente uitgave in de Nederlandse prentenboekenreeks Gouden Boekjes het verhaal en de illustraties onveranderd. ‘Het is allemaal niet eenvoudig,’ concludeert Jensen, ‘met al die vormen en tussenmaten: edities, vertalingen, hertalingen en bewerkingen.’
De neerlandicus liet zien dat aanpassingen in boeken altijd plaatsvonden en dat ze zelfs essentieel zijn. Wel pleitte ze ervoor om de wijzigingen inzichtelijk te maken met een voor- of nawoord. Daarnaast moesten oudere edities goed geconserveerd worden voor de historisch letterkundigen. Deze literatuurwetenschappers, zo stelde ze, kunnen door die ingrepen in boeken in kaart brengen hoe onze normen en waarden verschuiven.
Computer telt de zichtbaarheid
Roel Smeets probeert in zijn onderzoek exact datgene te doen: de verschuiving van normen en waarden in kaart brengen in romans. De neerlandicus programmeert computerscripts die duizenden literaire teksten doorploegen op zoek naar patronen. Smeets noemt zichzelf een ‘socioloog van de Nederlandse literaire wereld’. Met zijn programma’s traceert hij allerlei aspecten van romanpersonages: geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, beroep en etnische achtergrond. Vervolgens kijkt hij in welke mate de literaire wereld overeenkomt met de échte sociale wereld.
Smeets keek eerst naar de zichtbaarheid van bepaalde groepen in romans. Welke personages voeren de schrijvers überhaupt op? Als het om de man-vrouwverhouding gaat, dan is er tussen de jaren zestig en de jaren tien weinig veranderd, zo blijkt uit zijn onderzoek. Ongeveer 60% van de personages was man, 40% was vrouw. Verder domineert één type personage: de hoogopgeleide, oudere, witte man. De gemiddelde leeftijd van deze personages ligt rond de veertig. ‘Niet toevallig dezelfde leeftijd als de gemiddelde auteur,’ merkte Smeets op.
Huisvrouw, docent en sekswerker
Vervolgens ging Smeets de tweede vraag van zijn onderzoek: wanneer verschillende sociale groepen zichtbaar zijn, hoe worden ze dan beschreven? In de woorden waarmee mannen en vrouwen werden getypeerd blijken verrassende stereotypen te zitten. Bijvoorbeeld in de verdeling van beroepen: de mannelijke personages zijn vaak kunstenaar, journalist en ondernemer, terwijl de vrouwelijke personages vaak huisvrouw, docent en sekswerker zijn.
Is het erg dat er zulke beelden bestaan in de fictionele wereld? Smeets legde uit dat personages groepen in de werkelijkheid representeren. Representatie betekent ‘in de plaats treden’. Een mannelijke personage met een bepaalde migratieachtergrond, vertelde de neerlandicus, vertegenwoordigt in een roman dus ook de groep ‘mannen met die migratieachtergrond’. En als de representatie te eendimensionaal is, dan wordt het een stereotype.