Kinderen zijn als kleine leermachines. In de eerste levensjaren leren ze zo veel en zo efficiënt. Het begrijpen van de snelle en efficiënte leervermogen van kinderen is al decennia lang de kernfocus in de ontwikkelingswetenschap. Een verklaring voor deze verbazingwekkende leervermogen is dat kinderen van jongs af aan nieuwsgierig zijn, en dat hun nieuwsgierigheid hun verkenning en leren aanstuurt. Nieuwsgierigheid wordt algemeen gezien als een intrinsiek gemotiveerde neiging om informatie te zoeken. Omdat het een interne toestand is die niet direct waarneembaar is, is het bijzonder uitdagend om deze bij baby's en kleuters te bestuderen. Daarom worden er verschillende benaderingen gebruikt om nieuwsgierigheid te conceptualiseren en te bestuderen. In dit proefschrift heb ik twee complementaire benaderingen gebruikt om verschillende aspecten van nieuwsgierigheid in de vroege kinderjaren te onderzoeken, variërend van berekeningen tot gedragingen.
In de eerste benadering heb ik computationele modellen ingezet om de cognitieve processen te ontrafelen die ten grondslag liggen aan door nieuwsgierigheid gedreven gedrag, waarbij ik me heb gericht op de ‘Learning Progress’-hypothese, die stelt dat leren op zichzelf intrinsiek belonend is en kinderen daardoor motiveert om te verkennen. In de tweede benadering heb ik de gedragsmatige uitingen van nieuwsgierigheid breder onderzocht en twee door verzorgers ingevulde vragenlijsten geïntroduceerd en gevalideerd die vroege uitingen van nieuwsgierigheid en individuele verschillen daarin vastleggen. Samen dragen de bevindingen en de in dit proefschrift ontwikkelde meetinstrumenten (experimenteel speelgoed en de vragenlijsten) niet alleen bij aan een beter begrip van nieuwsgierigheid in de vroege kinderjaren, maar bieden ze ook praktische aanknopingspunten voor toekomstig onderzoek om nieuwsgierigheid in meer naturalistische settings te bestuderen en factoren te identificeren die nieuwsgierigheid in de vroege kinderjaren kunnen bevorderen, waarbij ook rekening wordt gehouden met individuele verschillen.
Eline de Boer behaalde een BSc in Psychologie (Honours Program) aan de Universiteit Utrecht. Ze voltooide een MSc cum laude in de Research Master Clinical & Developmental Psychopathology aan de Vrije Universiteit Amsterdam en een tweede MSc in Klinische Kinder- en Jeugdpsychologie en behaalde haar Basisaantekening Psychodiagnostiek (BAPD), waarmee ze bevoegd is om psychologische onderzoeken bij kinderen uit te voeren. Tijdens haar studie werkte ze als onderzoeksassistent aan de Vrije Universiteit Amsterdam en deed ze vrijwilligerswerk bij Stichting De Kindertelefoon. Van oktober 2021 tot september 2025 volgde Eline een doctoraatsprogramma aan het Donders Center for Cognition. Haar doctoraatsproject richtte zich op nieuwsgierigheid, leren en cognitieve ontwikkeling in de vroege kinderjaren, en omvatte (combinaties van) computationele en gedragsmatige benaderingen. Sinds november 2025 werkt Eline als wetenschappelijk onderzoeker bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, waar ze beleid en interventies bestudeert die gericht zijn op huiselijk geweld en kindermishandeling.