Zoek in de site...

FM Focus | Peter Kruyen: “Veel vakkennis blijft nog onbenut, dat willen we veranderen”

Medewerkers van de afvaldienst, stadsreiniging en groenvoorziening doen hun werk in de publieke ruimte, maar zijn toch op een bepaalde manier onzichtbaar. Universitair docent Bestuurskunde Peter Kruyen: “In onderzoek naar loopbaanontwikkeling en duurzame inzetbaarheid stellen we voornamelijk theoretisch geschoolden centraal. Maar wat hebben mensen met een praktische opleiding nodig om het beste uit zichzelf en hun werk te halen?” Ook opleider en docentonderzoeker Jan-Willem Noom (Aeres Hogeschool) buigt zich hierover.

Noom: “De publieke beroepsbeoefenaars staan steeds meer in contact met andere belanghebbenden dan hun opdrachtgever. Zij worden aangesproken door omwonenden, passanten en ondernemers in de buurt, soms zelfs ter verantwoording geroepen. Communiceren is een steeds belangrijker deel van hun vak geworden. Voor sommigen voelt dat als ballast. Zij hebben voor het vak gekozen omdat zij met hun handen willen werken, niet per se om er ook over te praten. Maar die vaardigheid hoort er inmiddels wel bij.”

Peter KruyenKruyen: “Door hun werk in de publieke ruimte zijn deze vakmensen zowel het visitekaartje van de gemeente als de ogen en oren. Zij weten wat er speelt op straat, in buurten en wijken, zien wat wel en niet werkt, waar onderhoud en aandacht nodig is. Bovendien bedenken zij nogal eens creatieve oplossingen voor praktische problemen die nú verholpen moeten worden. Dat is heel belangrijke input voor het verbeteren van de dienstverlening van de organisatie. Maar deze werknemers wordt vaak niets gevraagd.” Noom: “Neem de groenvoorziening. De planvormers en beleidsmakers maken het ontwerp, de vakkrachten voeren het uit. Door die tweedeling blijft veel vakkennis onbenut; van collectief leren is nauwelijks sprake. In onze opleidingen proberen we dat te veranderen. Onze docentenopleiders – die lesgeven aan hbo-studenten die straks als docent op het vmbo en mbo aan de slag gaan – onderstrepen het belang van bijvoorbeeld de vaardigheid ‘samenwerken’ en leren de docenten van morgen hoe zij de competentieontwikkeling van praktisch geschoolden kunnen ondersteunen.”

Kruyen: “Ik denk dat ieder mens gebaat is bij een zekere mate van autonomie. Maar niet iedereen presteert het beste in interdisciplinaire samenwerking of samenspraak met anderen. Waar theoretisch geschoolden enige vrije ruimte veelal waarderen, doen veel praktisch geschoolden juist graag overzichtelijk, afgebakend werk. Wat we uit onderzoek weten over de ene groep werknemers gaat dus niet automatisch ook op voor de andere groep. Een denkfout die we ook niet moeten maken: het idee dat een carrière altijd een stijgende lijn volgt. Nee, niet iedereen wil de hoogte in. Je kunt ook het beste uit jezelf en je werk halen door je in de breedte te ontwikkelen.”

Noom: “Erkenning voor praktisch vakmanschap, daar ontbreekt het nog aan. Terwijl alle vakmensen in het publieke domein heel belangrijk werk verrichten. Stel je maar eens voor dat ze hun werk een maand niet zouden doen. We framen veel beroepen ook zo negatief. Over milieureinigers denken we: wat een vies werk. Hoe anders klinkt: ‘Wat fijn dat jullie onze omgeving schoon houden’?”

Kruyen: “Wat leeft er onder deze vakmannen en -vrouwen? Welke inzichten uit onderzoek onder theoretisch geschoolden zijn wel en niet toepasbaar op deze beroepsgroepen? Wat hebben deze werknemers nodig om hun werk fijner, fitter, gezonder en beter te kunnen doen? En hoe kunnen we hun praktische, creatieve inzichten en vaardigheden beter waarderen en benutten? Samen met collega’s Hester Paanakker en Lianne Visser ga ik dit onderzoeken. We zetten een praktijknetwerk op, gaan in gesprek met leidinggevenden en lopen mee met vakmensen. We willen dit onderzoek niet óver maar mét hen doen.”

Noom: “Heel relevant. Ik ga het op de voet volgen.”