Zoek in de site...

Hoe krijg je boeren aan de biologische landbouw?

Datum bericht: 14 juli 2022

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat boeren in Nederland duurzaam gaan landbouwen? Een complexe vraag die nogal wat losmaakt, getuige de ontwikkelingen in het land van de afgelopen weken en maanden. Volgens onderzoekers van de Radboud Universiteit is het nu zaak om te luisteren en perspectief te bieden, als we boeren een betere plek willen geven in Nederland in de toekomst.

pexels-tom-fisk-1595104

De Radboud Universiteit is sinds 2021 betrokken bij Living Lab Ooijpolder, een uniek project waarbij onderzoekers, boeren, overheden en andere organisaties samen aan tafel zitten om de biodiversiteit in het Gelderse gebied te herstellen. Het uiteindelijke doel: de lessen van dit Living Lab inzetten in andere gebieden in Nederland. De onderzoekers leggen zelf uit hoe dat een perspectief kan bieden op een duurzamere, toekomstbestendigere landbouw die beter samenwerkt met de natuur in Nederland.

Praten mét elkaar, niet over elkaar

Hans de Kroon, hoogleraar Experimentele plantenecologie: ‘Ik kan heel goed begrijpen waarom de boeren razend zijn. In de afgelopen decennia is er een probleem ontstaan dat alleen maar groeide en groeide. Er werd ondertussen niet open en eerlijk en niet toekomstgericht gepraat met de landbouwsector. Er is óver de boeren gepraat, niet met ze. Het was óf hun probleem, óf het werd gebagatelliseerd. De boeren werden vooral gestimuleerd om op de huidige weg door te gaan: blijf groeien, ga zo door. Nu blijkt dat dat een doodlopende weg was. Er worden hele harde doelen opgelegd, terwijl er geen traditie is van een gelijkwaardig gesprek tussen alle partijen. Dat maakt het bijzonder lastig om hier uit te komen.’

‘In het verleden waren er veel onderzoeksprojecten waarbij een aanpak bedacht werd, die dan direct van de tekentafel opgepakt werd om als beleid door te voeren. Mensen die complexe informatie presenteren aan boeren zonder ruimte voor tegenspraak, en dan doen alsof er geen ruimte staat – dat werkt niet. “Ik zal het nog één keer uitleggen”, was vaak het enige dat ze te horen kregen. Er was ook weinig zekerheid, want om de paar jaar lag er weer een nieuw plan met een nieuwe set eisen. Daardoor is een zekere terughoudendheid onder boeren ontstaan, dat hebben wij ook gemerkt toen we ons onderzoek begonnen. “Weer een project”, zeiden de boeren die we spreken dan. “Er is al zoveel onderzocht”.’

Huub Ploegmakers, universitair docent Planologie: ‘Hoe kunnen we alles weer laten floreren? Alleen door het probleem van onderop aan te pakken en door van gebied tot gebied een betere aanpak te ontwikkelen. In het Living Lab kijken we vooral naar de kleine stapjes, om vanuit daar uiteindelijk grotere stappen te kunnen zetten. De Ooijpolder is daar een heel mooi gebied voor. We weten ook dat iets kleins een groot effect kan hebben. In de rivieren van de Gelderse Poort hebben we een soortgelijke aanpak gehanteerd: samengewerkt met waterveiligheidsorganisaties, kleibaggeraars en anderen om er voor iedereen wat uit te halen. Daar is een enorme groei van soorten geweest die nu doorwerkt in andere natuur.’

Sander Meijerink, strategisch adviseur van het Living Lab Ooijpolder: ‘Het leuke aan Living Lab is dat we echt met partijen gezamenlijk het probleem proberen aan te pakken. Het is meer dan alleen het doen van onderzoek om problematiek beter te begrijpen. Samen met boeren willen we een andere richting inslaan.’

De Kroon: ‘We stellen veel vragen, en we luisteren. Toen de boeren merkten dat we veel open vragen hadden en dat we echt hun ervaringsverhaal wilden horen, begon het voorzichtig te kantelen. We nemen de problemen die ze noemen serieus, vragen stevig door. Ik noem dat “afpellen”, steeds iets dieper in de ervaring van de boer doordringen. Boeren zijn in de eerste plaats bezig met de eigen bedrijfsvoering, dat is begrijpelijk. Maar we vragen ze ook waar ze trots op zijn, waar ze heen willen in de toekomst, in wat voor omgeving ze willen werken. We organiseren veldbijeenkomsten, doen samen metingen en vragen ze wat ze nu al op het gras en met het land doen. Langzaam maar zeker komen er dan dingen los. Die stappen kosten allemaal tijd, maar die tijd betaalt zich dubbel en dwars terug. Zo kunnen we samen een landbouw ontwikkelen die beter is voor de natuur, die minder stikstof en koolstof produceert, en die nog steeds een toekomst biedt voor het boerenbedrijf in Nederland.’

Transitie met perspectief

Tonny Nijmeijer, hoogleraar Bestuursrecht, in het bijzonder omgevingsrecht: ‘Het omgevingsrecht gaat over de regels voor de leefomgeving van jou en mij. Waar mag je bouwen, waar krijgt de natuur voorrang, waar mag welke grond gebruikt voor worden: dat soort vraagstukken. Omgevingsrecht is een containerbegrip: alle facetten van onze fysieke leefomgeving, zoals water, lucht, bodem, natuur, cultureel erfgoed, en meer wordt erdoor gereguleerd. Daardoor sluit mijn juridische expertise goed aan op het onderzoek van de anderen: wat zij denken dat vanuit het oogpunt van ecologie wetenschappelijk verstandig is, moet wel wettelijk geregeld worden om goed tot uitvoering te komen.’

‘In Nederland moeten we op dit moment aan de slag met een ingrijpende transitie in het landelijk gebied. Enerzijds omdat we de natuur willen herstellen, anderzijds omdat de landbouw in sommige gebieden te intensief is. Dat is een ontwikkeling die al veel langer speelt: het hangt deels samen met de huidige stikstofproblematiek, en deels met de Green Deal die door de Europese Unie onlangs is gelanceerd. De Green Deal maakt een hervorming van het Europese Gemeenschappelijke landbouwbeleid noodzakelijk. Dat nieuwe beleid gaat in 2023 in. De Europese Unie wil, Europabreed, toe naar kringlooplandbouw. Dat betekent onder meer dat anders moet worden omgegaan met grondstoffen, met de wijze van akkerbouw en weidegang, kortom: dat andere agrarische keuzes gemaakt moeten worden. In ons land moeten die keuzes de komende tijd op provinciaal niveau worden uitgewerkt in gebiedsgerichte plannen die de juridische kaders voor de komende decennia vaststellen.’

Meijerink: ‘Het helpt om met concrete voorbeelden te komen. Tegen boeren zeggen we: het kan je ook wat opleveren om het anders aan te pakken. Kruidenrijk grasland heeft bijvoorbeeld een veel hogere voedingswaarde dan het grasland dat de meeste boerengebieden nu hebben.’

Nijmeijer: ‘Dit is – mede gelet op het Europese perspectief en in het bijzonder de hervorming van het Gemeenschappelijke landbouwbeleid van de EU - het moment waarop integrale, gebiedsgerichte en vooral ook toekomstbestendige afwegingen gemaakt moeten worden. Geen kortetermijnbeleid. Het is daarom begrijpelijk dat allerlei betrokkenen zich juist nu roeren. Maar: het is belangrijk dat er niet alleen plannen gemaakt worden, maar dat er goed wordt nagedacht wordt over een realistische uitvoering.’

De Kroon: ‘Het geld is er gelukkig wel, er zijn miljarden voor de stikstofmaatregelen. Nu is het cruciaal om de inspanningen van boeren serieus te nemen, en om opnieuw vertrouwen op te bouwen. Met dit geld kun je boeren perspectief geven, de ruimte en tijd om echt door te pakken. Gezamenlijk plannen ontwikkelen waar ze vervolgens zeker twintig, vijfentwintig jaar op voort kunnen bouwen. In de Ooijpolder zijn destijds contracten voor dertig jaar afgesloten met de boeren voor onderhoud van houtwallen en bloemstroken. Dan worden ze zelf ook meer eigenaar van wat er gebeurt. Vanuit het Living Lab onderzoek willen wij de experimenten aanwakkeren, waarbij we hopen dat de boeren de ruimte krijgen om erop voort te bouwen. Het is een investering vooraf, maar dan koop je wel tijd om een structurele omvorming van het systeem te organiseren.’

Nijmeijer: ‘Er wordt vaak gezegd dat er te weinig perspectief is voor boeren. Maar: er is volgens mij wel een duidelijk perspectief te zien in het nieuwe Europese  gemeenschappelijke landbouwbeleid. Op Europees niveau wordt toegewerkt naar extensivering van landbouw, met minder verspilling en meer kringlooplandbouw. Voor dat type landbouw kunnen de komende jaren Europese subsidies worden aangewend. Dus hoezo is er geen perspectief? Dat dat perspectief een serieus “omdenken” vergt van vele actoren binnen de landbouw, is evident. Vooral de melkveehouderij is juist door Europese subsidieregelingen tien, twintig jaar lang de kant opgeduwd van meer koeien, meer productie per koe, grotere machines, meer land, minder kleine bedrijven. Die bedrijven voelen zich door de overheid een bepaalde kant opgeduwd: ga ze dan maar eens uitleggen dat het nu weer helemaal anders moet.’

Experimenten aanmoedigen, belemmeringen wegnemen

Nijmeijer: ‘Wat ik goed vind is dat er in het nieuwe Europese landbouwbeleid meer ruimte is voor keuzevrijheid voor de boer om natuurmaatregelen te treffen én dat er een subsidiesysteem komt waardoor die maatregelen hopelijk beter kunnen worden ingepast in de bedrijfsvoering. Dat gaat via de zogenoemde ecoregeling. Dat is een soort keuzemenu voor boeren, met verschillende gesubsidieerde opties om boeren te verleiden vrijwillig natuurmaatregelen te treffen. Denk bijvoorbeeld aan bloemenranden rond een maisveld aanleggen, het aanleggen van houtwallen en het periodiek braag laten liggen van akkers.’

De Kroon: ‘Als we experimenten willen aanmoedigen, moet er ook inkomenszekerheid tegenover staan. Niet weer een plan dat na een paar jaar wordt ingeruild voor iets anders, dat is onwerkbaar en heeft voor veel wantrouwen gezorgd. Als je de boeren middelen en tijd geeft, creëer je een echt langetermijnperspectief. Je geeft ze de ruimte om tot hun pensioen door te gaan, of om hun bedrijf over te dragen aan de volgende generatie. Zo’n aanpak vereist desalniettemin durf, zeker nu met radicale boeren. Er is een hele grote groep die niets van de radicale aanhang wil weten, maar die wél bezorgd is en geen perspectief heeft. Als we er met zijn allen voor open staan, en dat perspectief creëren, zitten we niet ver van verandering af.’

Nijmeijer: ‘Binnen Living Lab kijk ik mee hoe al die aanpassingen juridisch gefaciliteerd worden. Maar ook welke juridische belemmeringen er soms zijn om dingen anders te doen. Als er in Nederland mest uitgereden wordt, gebeurt dat door middel van mestinjectie.  Daarmee wordt de weidegrond een paar keer per jaar intensief doorkliefd. In andere landen gebruiken ze juist andere apparatuur omdat het doorklieven schadelijk is voor het bodemleven. In Nederland mág je drijfmest echter alleen maar uitrijden door middel van mestinjectie. En zo zijn er meer voorbeelden te vinden in ons juridische systeem die boeren belemmeren om natuurvriendelijker te werk te gaan. Als we dat soort belemmeringen kunnen opsporen en wegnemen, scheelt dat al veel.’

“Boeren, jullie zijn nodig”

Meijerink: ‘Er zit een mooie onderlinge aanvullendheid in het onderzoek dat we doen. Vanuit juridisch onderzoek wordt gekeken of de doelen die opgesteld worden goed passen bij de wetgeving die er ligt. En met een ecoloog als Hans kunnen we analyseren waarom een bepaalde aanpak misschien niet tot genoeg herstel leidt: ligt dat aan de boer, aan de omgeving, of speelt er iets anders een rol? Zo kunnen we duidelijk in kaart brengen welke factoren tot herstel leiden, en welke belemmeringen er misschien zijn waar onvoldoende rekening mee wordt gehouden.’

Nijmeijer: ‘Als jurist vind ik het niet alleen belangrijk om de systematiek en verbanden tussen regels en wetten te begrijpen, maar ook zicht te hebben op waar die regels inhoudelijk eigenlijk over gaan. Ik heb geen verstand van hoeveel woningen je het beste op een hectare plaatst en hoe je die het beste kan plaatsen, maar een planoloog wel. Net als dat een ecoloog veel beter begrijpt wat de effecten op biodiversiteit kunnen zijn van bepaalde regels. Om echt te begrijpen waar het inhoudelijk over gaat, is de wisselwerking tussen de juridische wereld en bijvoorbeeld de ecologie, van groot belang.’

De Kroon: ‘De Healthy Landscape samenwerking aan de Radboud Universiteit werkt breder dan de Living Labs. Vanuit een groot aantal vakgebieden zoeken we naar wegen voor integrale oplossingen voor een gezond landschap in al zijn facetten. Een eyeopener van Healthy Landscape is voor mij tot nu toe de cultuurhistorische dimensie. Ik kom zelf uit een boerengezin. Mijn vader was een boer en via een omweg van tientallen jaren fundamentele wetenschap werk ik nu weer met boeren samen. Het is een hele unieke wereld: boeren zijn vaak familiebedrijven, met kennis en traditie als voedselproducent, maar ze zien zichzelf ook als ondernemer. Je moet die twee werelden, van ondernemerschap en traditie, daarom verenigen. Daarvoor is dat gevoel van eigenaarschap essentieel. Daarom is mijn appel: “boeren, jullie zijn nodig”.’

Dit artikel is geschreven naar aanleiding van een vraag van een lezer van Radboud Recharge en verscheen eerder op www.radboudrecharge.nl

Bron afbeelding: Pexels