1947. Spijt over de gemiste Dode Zee Rollen

Datum bericht: 27 januari 2023

Jan van der Ploeg was de eerste wetenschapper die de oude handschriften van de nu beroemde Dode Zeerollen in handen heeft gehad. De Syrische bisschop Mar Athanasios toonde ze hem in juli 1947. Maar Van der Ploeg kon niet geloven dat deze teksten tweeduizend jaar oud waren. De eer van de ontdekking ging aan hem voorbij.

Door Ignace de Haes

Jan van der Ploeg (1909-2004) trad op zeventienjarige leeftijd in bij de paters dominicanen in Huissen. Tijdens zijn studie hield hij zich vooral bezig met het Hebreeuws en het Oud-Syrisch. In 1932 werd hij tot priester gewijd en 1934 promoveerde hij in Rome op een proefschrift over het profetenboek Jesaja. Vanaf 1936 doceerde hij Hebreeuws en Oude Testament aan de eigen theologieopleiding van de dominicanen in Zwolle en het Albertinum in Nijmegen. In 1946 promoveerde Van der Ploeg voor de tweede keer en in 1947 verbleef hij in Jeruzalem in de École biblique et archéologique Française van de dominicaanse orde en volgde er colleges Arabisch en Bijbelse archeologie. Hij was dus in Jeruzalem toen de Syrische bisschop bedacht: welke wetenschapper moet ik vragen om te bevestigen dat deze manuscripten oud en bijzonder zijn?

Het verhaal begint bij een geit

In de publicatie Vondsten in de woestijn van Judea. De rollen der Dode Zee doet Van der Ploeg uitgebreid verslag van de vondst. In het voorjaar van 1947 probeerde Mohammed ed-Dhib, een bedoeïen van de Ta‘amireh-stam, een afgedwaalde geit terug te halen door stenen naar een grot te gooien waar het dier in verdwenen zou kunnen zijn. Het geluid van brekend aardewerk leidde tot de ontdekking van een aantal kruiken. In één daarvan bevonden zich oude schriftrollen. Een handelaar in Betlehem, Jalil Iskander Shalim Kando, kreeg ze in bezit en hij zocht contact met zijn bisschop, de Syrisch-orthodoxe metropoliet Mar Athanasius Samuel van het Sint-Marcusklooster in Jeruzalem.

Na een eerste contact in april kocht Mar Samuel op 19 juli 1947 vijf rollen voor 250 dollar. Van der Ploeg, die vanwege zijn belangstelling voor de Syrische traditie reeds tweemaal bij de bisschop op bezoek was geweest en al in 1942 een studie over het Syrische monnikenwezen had geschreven, werd uitgenodigd een oordeel over de vondsten te geven. Daarmee was hij de eerste wetenschapper die de rollen onder ogen kreeg.

‘De bisschop vertelde ervan dat zij ergens in het land in kruiken waren gevonden (wáár, wilde hij niet zeggen) en dat zij tweeduizend jaar oud waren. Met enige verwondering hoorde ik het eerste, ongelovig het tweede deel van deze mededeling aan.’

Wel foto’s van de bisschop, niet van de documenten

Dat het om een oude Jesajatekst ging, was Van der Ploeg wel duidelijk, maar hij kon niet geloven dat deze teksten tweeduizend jaar oud waren. De bisschop gaf hem geen enkel bewijs. Daarom vroeg Van der Ploeg aan de bisschop of hij een andere deskundige van de Hebreeuwse universiteit mocht raadplegen. Dat mocht niet. Wel wist Van der Ploeg de bisschop te bewegen om een Joodse geleerde uit Amsterdam die toevallig in Jeruzalem was, toe te laten. Deze geleerde liet weten geen tijd te kunnen vinden. Van der Ploeg nam met zijn Leica nog enkele foto’s van het klooster en van de bisschop voordat hij vertrok. De foto van de bisschop is in het boek Vondsten in de woestijn van Judea opgenomen. Waarom Van der Ploeg geen foto’s heeft gemaakt van de manuscripten is een raadsel. In 1948 nam de bisschop contact op met de American School of Oriental Research. John C. Trever kreeg toestemming om de documenten te fotograferen. Na het zien van de foto’s kreeg hij van collega’s te horen dat hij de grootste ‘manuscripten-ontdekking’ had gedaan van deze tijd.

Van der Ploeg heeft het er niet over in zijn boek. Te pijnlijk waarschijnlijk. Wel zegt hij dat hij veel spijt heeft dat hij niet de volle aandacht heeft gehad om de daadwerkelijke betekenis te doorgronden. Hij zegt het zo:

‘Het komt voor in het leven van een mens dat hij iets doet, of nalaat, zonder dat hij zich goed rekenschap geeft van het waarom daarvan, eenvoudig omdat het zijn volle aandacht niet heeft. Later kan hij daar spijt van hebben, of zich met verwondering afvragen hoe hij toch zo kon doen, maar dan is het te laat om het gebeurde ongedaan te maken. Zo verging het ook mij.’

Terug in Nederland ontwikkelde Van der Ploeg zich tot een Qumran-specialist (Qumran is de plek waar de rollen zijn gevonden). Inmiddels was hij in 1951 benoemd tot hoogleraar aan de Katholieke Universiteit en in 1958 werd hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Via zijn contacten in Jeruzalem kreeg Van der Ploeg publicatierechten van nieuwe rollen te koop aangeboden en de KNAW heeft deze rechten gekocht. Met een jonge wetenschapper uit Groningen (A.S. van der Woude) reisde hij in 1962 af naar Jeruzalem om de teksten te bestuderen en te publiceren. Van der Ploeg bleef als Nijmeegse eenling onderzoek doen, terwijl Van der Woude een team om zich heen kreeg wat uiteindelijk resulteerde in de oprichting van het Groningse Qumran Instituut.

Eenling

In 1979 ging Van der Ploeg met emeritaat. Daarna werd het snel duidelijk waarom Van der Ploeg juist in Nijmegen als eenling fungeerde. Hij werd door het College van Bestuur voorgedragen voor een koninklijke onderscheiding: Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. De faculteit was verbolgen en de decaan Bas van Iersel en het faculteitsbestuur weigerden bij de uitreiking aanwezig te zijn. Van Iersel schreef een reactie die opgenomen werd in het weekblad Vrij Nederland: ‘Die bezwaren hadden te maken met de niet aflatende stroom van verdachtmakingen die Prof. van der Ploeg sinds jaar en dag publiceert met betrekking tot een aantal collegae en de faculteit in haar geheel. Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat antisemitische publikaties bij de motivering van deze afwezigheid geen rol hebben gespeeld. De herinnering aan de oude publikaties was vervaagd.’

Van der Ploeg verafschuwde de ontwikkelingen die door het Tweede Vaticaans Concilie in gang werden gezet. Waar de decaan van de theologische faculteit vooral op doelde, was dat Van der Ploeg stelselmatig zijn collega’s op de faculteit als nieuwlichters veroordeelde en voortdurend over hen klaagde in Rome; vooral zijn mede-dominicaan Edward Schillebeeckx heeft het zwaar te verduren gehad. Ze woonden een tijd lang in hetzelfde klooster, het Albertinum, maar Van der Ploeg ging uiteindelijk op zichzelf wonen.

De oude publicaties waarover Vrij Nederland op 20 december 1980 publiceerde, betroffen voornamelijk het boek dat Van der Ploeg in 1940 publiceerde met als titel Het Joodsche Vraagstuk. Een maatschappelijk probleem. Dit boek, dat vlak voor het begin van de Tweede Wereldoorlog werd gepubliceerd, kent, als we het nu lezen, huiveringwekkende passages. Het ‘Joodsche vraagstuk’ was een probleem dat opgelost diende te worden. In 1954 schreef Van der Ploeg in zijn boek Kerk en Israël dat de Joden geliefd zijn bij God vanwege de verdiensten van hun voorvaderen, maar voor hun zielenheil toe dienen te treden tot de ene Kerk.

Geen spijt

In Dagblad De Stem van 28 januari 1981 betoogde Van der Ploeg dat hij geen spijt had en ook niet wilde betuigen omdat hij er toen zo over dacht. ‘Maar spijt kun je alleen hebben over een bedreven zonde.’ Toch hebben we gezien dat hij spijt heeft betuigd over het missen van de betekenis van de Dode Zeerollen. Na zijn overlijden in 2004 schreven Trouw en de Volkskrant necrologieën die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. Hij was een antisemiet vol gal en azijn. De Groningse hoogleraar Ed Noort schreef een in memoriam voor de KNAW en liet zien dat Van der Ploeg ondanks alles toch van grote waarde is geweest voor de studie van de Dode Zeerollen.


dodezee (2)

Zie voor algemene informatie over de Dode Zee Rollen de Wikipediapagina
Ook is er een uitgebreide biografie op Wikipedia te vinden.

ploeg

De Groningse theoloog Ed Noort heeft op 10 januari 2005 een uitgebreid memoriam uitgesproken voor de Koninklijke Academie van Wetenschappen.

In dit digitale dossier zijn veel artikelen te lezen die Van der Ploeg geschreven heeft voor de bladen Katholiek Maandblad en Confrontatie.