1951. Bernhard Vroklage: doodsmak op de Kwakkenberg

Datum bericht: 2 februari 2023

Op zondagmiddag 7 oktober 1951 tufte Bernhard Vroklage met zijn solex de Kwakkenberg op. Ter hoogte van de kruising van de Kwakkenbergerweg en de Sophiaweg raakte de bromfietser de auto van een Tilburger. Vroklage “viel met het hoofd op de straat en werd levensgevaarlijk gewond naar het St.-Canisius-ziekenhuis gebracht, waar hij ’s avonds is overleden” (Het Vrije Volk, 8 oktober 1951).

Slechts drie jaar eerder, op 5 oktober 1948, was hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de volkenkunde aan het Missiologisch Instituut en de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Reeds in november 1934 was hij door het curatorium van de Universiteit Leiden voorgedragen voor benoeming tot hoogleraar in de volkenkunde van Nederlands-Indië. De minister van Onderwijs echter duldde geen katholiek op deze belangrijke leerstoel aan de rijksuniversiteit, zodat naar andere kandidaten moest worden omgezien.

Founding father van de Nijmeegse culturele antropologie

Bernard Vroklage, de founding father van de Nijmeegse culturele antropologie, leeft in de kringen van antropologen voort. De doodsmak op de Kwakkenberg heeft er mythische proporties aangenomen. Het verhaal gaat dat de goede man door verwurging om het leven kwam. Het uiteinde van zijn lange das zou in het achterwiel van zijn bromfiets vastgeraakt zijn. Terwijl de das zich aan het ene einde in het wiel vastdraaide naarmate de professor gas gaf, trok het andere einde van de das om de hals verknoopt als een strop almaar aan. Weldra blies de eerste Nijmeegse hoogleraar antropologie zijn laatste adem uit. Het broodjeaapverhaal over het noodlottig ongeval maakt al minstens vijftig jaar deel uit van de mondelinge overlevering. (Het werd opgetekend uit de mond van de heer Triebels, die ook in het verhaal over Godfried Bomans opduikt.)

Liever een scooter dan een haperende solex

Naspeuringen van de antropoloog Peer Meurkens (Vragen omtrent de mensheid, 1998) leerden dat Vroklage op 24 mei 1951 een brief had geschreven aan de provinciaal van de religieuze orde waartoe hij behoorde. In de brief schreef de professor dat hij ondanks zijn status niet om een auto durfde te vragen. ‘Gezien mijn gewicht en de steilte der heuvels hier’, zou hij de solex evenwel graag vervangen zien door een scooter. Zijn ‘machientje’, zo beklemtoonde Vroklage, was immers niet meer bedrijfszeker.

Maar die kreeg hij niet

Vroklage, die tijdens zijn kortstondig Nijmeegse hoogleraarschap in Klooster Mariëndaal te Groesbeek woonde, behoorde tot de Congregatie van het Goddelijk Woord (Societas Verbi Divini, S.V.D.). De provinciaal in Teteringen was niet te vermurwen. Dat Vroklage niet om een auto durfde te vragen, kwam omdat enkele jaren voordien een dergelijk verzoek van zijn leermeester Wilhelm Schmidt SVD, een grote naam in de antropologie, niet ingewilligd was.

Vroklage kwam uit een onbemiddeld gezin. Hij was afhankelijk van de congregatie. Wellicht kon de provinciaal niet bevroeden dat de haperende solex de bedelbriefschrijver spoedig fataal zou worden.

In memoriam

De hoogleraar Algemene taalwetenschap J. Wils, die gelijktijdig met Vroklage bij het Missiologisch Instituut benoemd was, schreef in een in memoriam in De Tijd (10 oktober 1951): ‘Hij zag duidelijk in, hoe de aanraking in de missiegebieden met allerlei oosterse gedachten- en godsdienstsystemen ook het christendom zelf in dogmatisch en moreel opzicht voor allerlei geheel nieuwe en onverwachte opgaven stelde.’ Tevens constateerde Wils dat Vroklage in toenemende mate het pad van de vergelijkende godsdienstwetenschap was opgegaan. Vroklage werkte aan een boekenreeks De godsdiensten der mensheid, die zestien delen zou moeten beslaan. Het eerste deel van zijn hand, De godsdienst der primitieven, verscheen in 1949.


Worklage

Bernard Vroklage
(1897-1951)

Bernard Vroklage werd in 1897 geboren in het Overijsselse Oldemarkt. Hij studeerde aan de missiehuizen in Uden, Helvoirt en Teteringen. Vroklage werd tot priester gewijd in 1924. In 1932 promoveerde hij magna cum laude in de theologie aan het Angelicum in Rome op een proefschrift over de opvatting van verlossing in het Christendom en het Boeddhisme.

Twee jaar later ontving hij de hoogste onderscheiding bij een tweede promotie, dit keer in de etnologie (volkenkunde) aan de Universiteit van Wenen op een proefschrift over Borneo.

Vroklage doceerde vervolgens vergelijkende godsdienstwetenschappen aan het Theologicum in Teteringen en volkenkunde aan de Katholieke Leergangen in Tilburg.

In 1936-1938 verrichtte hij antropologisch veldwerk in Nederlands Indië, de meeste tijd bij de Beloenezen in Centraal-Timor en vervolgens ook enige tijd op Flores, waar volkenkundig geÏnteresseerde missionarissen van de SVD verhalen optekenden over een kleine mensensoort, thans op basis van archeologische vondsten bekend als homo floriensis.

Zijn inaugurale rede in Nijmegen had als titel Het zondebesef bij de Beloenezen van Centraal-Timor (Nijmegen: Dekker & van de Vegt, 1948). De impact van zijn werk op de missie aldaar wordt door Karel Steenbrink (Catholics in Indonesia, 1808-1942: A Documented History, vol. 2. Leiden: KITLV Press, 2007, p. 178) als volgt omschreven: “Vroklage’s positive interpretation of Timor’s traditional religious beliefs did not have direct consequences for the methods of the Catholic mission. However, it decreased the pressure for quick conversions, and made the necessity of entirely abolishing traditional ideas and practices less urgent because it was thought that these would disappear anyway, once the basic elements of Christianity were accepted.”