1964. De professor en de schrijver: Willem Grossouw en Gerard Reve

Datum bericht: 24 februari 2023

Op 19 januari 1964 stuurde de Nijmeegse hoogleraar in de exegese van het Nieuwe Testament Willem Grossouw een brief aan de schrijver Gerard Reve, die zich toen nog Gerard Kornelis van het Reve noemde. Die brief was het begin van een intensieve en voor beiden vruchtbare vriendschap: Reve gaf Grossouw advies bij de Nederlandse vertaling van Bijbelteksten en Grossouw nam het in 1966 op voor Reve tijdens het geruchtmakende ‘ezelproces’.

Door Peter Nissen

Op 19 januari 1964 schreef Grossouw Reve om hem te bedanken voor het boek Op weg naar het einde. Dat had hem, zo zei hij, vermaakt, geboeid en ontroerd op een wijze die ik in de Nederlandse literatuur nauwelijks voor mogelijk had gehouden.’ Grossouw stuurde Reve een exemplaar mee van zijn proefvertaling van de eerste brief van Johannes, die onderdeel was van een nieuwe katholieke Bijbelvertaling in voorbereiding. Reve op zijn beurt prees de kwaliteit van Grossouws vertaling. Hij voelde in die vertaling ‘die machtige spanning tussen simpel taalgebruik en verpletterend gewicht van wat moet worden meegedeeld,’ zo schreef hij Grossouw. Zo raakten de twee met elkaar in briefwisseling. Grossouw ontving presentexemplaren van boeken en tijdschriftafleveringen met bijdragen van Reve en Reve, toen nog niet officieel toegetreden tot de rooms-katholieke kerk, gaf commentaar op proefvertalingen van Grossouw, onder meer van enkele Paulusbrieven en van de Jakobusbrief. Een aantal brieven van Reve aan Grossouw zijn opgenomen in Reves Brieven aan geschoolde arbeiders uit 1985.

Jawel hoor, daar zat God zelf

Reve deelde ook zijn religieuze ervaringen met Grossouw, althans ervaringen die Reve zelf als religieus duidde. Zo schreef hij Grossouw op 15 juli 1965 over een visioen dat hij, na de nodige alcoholconsumptie (hij had ontbeten met een halve liter rode wijn, was daarna met een liter wijn achter een dijk gaan liggen, had thuisgekomen alle bier opgedronken en ten slotte ’s avonds nog een halve liter jenever tot zich genomen), had gehad. Hij had ‘een spleet licht’ gezien en ‘vadsig gelach’ gehoord, was naar binnen gestapt, ‘en jawel hoor, daar zat God zelf, en flink lazarus ook: een kale vijftiger (met midden op de schilferige schedel, een platte, roze wrat), oud riekend als een oom die je vochtige, met stof vermengde zoute pinda’s uit zijn broekzak geeft.’ Dezelfde drankinname deed Reve soms met schrik denken dat hij zelf de ‘wedergekomen Gezalfde’ was. ‘Ik wil wel getuigen van het Licht,’ zo schreef hij aan Grossouw, ‘maar God geve, dat ik het niet Zelf ben. Zoals het is, is het al erg genoeg.’

Het Ezelproces

In 1966 bereikt hun correspondentie een hoogtepunt. Gerard Reve was in opspraak gekomen door enkele passages in zijn werk, onder meer in het literaire tijdschrift Tirade en in de bundel Nader tot U, waarin hij beschrijft seksuele gemeenschap te hebben met God in de gedaante van een eenjarige, muisgrijze ezel. Het leidde tot vragen van de SGP in de Tweede Kamer en tot een proces wegens ‘smalende godslastering’. Op 20 oktober 1966 moest Gerard Reve, inmiddels op 27 juni van dat jaar gedoopt, verschijnen voor de rechtbank in Amsterdam. Willem Grossouw was hem al van tevoren te hulp gekomen met een mooi essay over ‘Van het Reve en de religie of lezen en lezen is twee’, dat hij op Goede Vrijdag had geschreven en dat op 16 april 1966 in het vooruitstrevende katholieke tijdschrift De Nieuwe Linie was verschenen. Grossouw noemde daarin Reves beeldspraak diep religieus en wees erop dat ook in de Bijbel en in de mystieke traditie verrassende erotische beelden worden gebruikt om het godsverlangen uit te drukken. Reve was apetrots op het artikel. Hij herlas Grossouws artikel vele malen en schreef hem dat hij daarbij iedere keer ‘een erectie van trots’ kreeg. Reve was blij dat Grossouw het voor hem had opgenomen, want zelf zou hij zo’n artikel niet kunnen schrijven ‘zonder kwaad te worden, vooral op God zelf, Die door Zijn vaagheid in niet geringe mate tot de vele misverstanden bijdraagt. Het beste bezing ik Hem in mijn kunst, en wie me dan niet begrijpt, zal van een beschouwend artikel van mijn hand nog minder begrijpen.’

Het laatste proces over godslastering

Dezelfde boodschap als in het essay vatte Grossouw samen in zijn ‘deskundigenrapport’ voor de rechtbank. Ook verscheen hij zelf ter zitting om daar zijn advies toe te lichten: wat Reve beschrijft is geen ontucht, maar diep gevoelde religiositeit. Die zitting nam uren in beslag: ‘we waren allemaal gaar en doodop’, schreef Grossouw in een brief aan een vriend. Het deskundigenrapport van Grossouw is opgenomen in de documentatie over het ezelproces die journalist Jan Fekkes samenstelde in het boek De God van je tante (1968), het essay heeft Grossouw zelf opgenomen in zijn bundel Een overlevende van de voortijd (1967). Op 3 november 1966 werd Reve door de rechtbank ontslagen van rechtsvervolging. De rechtbank concludeerde dat de passages wel godslasterlijk waren, maar niet ‘smalend’. Zowel de officier van justitie als Reve zelf gingen hiertegen in hoger beroep. Dat eindigde met een triomf voor Reve, die bij het hoger beroep zelf een prachtige ‘Pleitrede’ had uitgesproken: in oktober 1967 werd hij volledig vrij gesproken. Het werd het laatste proces over godslastering in de Nederlandse rechtsgeschiedenis. Per 1 maart 2014 werd het artikel over ‘smalende godslastering’ uit het Wetboek van Strafrecht geschrapt.


390px-Willem_Karel_Grossouw_(1972)

Willem Grossouw (1906-1990)

Willem Grossouw (zie eigen wikipediapagina en het Nederlands Bibliografisch woordenboek) is zonder meer een van de boeiendste en meest getalenteerde hoogleraren geweest in de geschiedenis van de Nijmeegse theologische faculteit. Geboren in Amsterdam, maar opgegroeid in ’s-Hertogenbosch werd hij tot priester opgeleid aan het kleinseminarie Beekvliet en het grootseminarie in Haaren. Op 14 juni 1930 werd hij door de bisschop van ’s-Hertogenbosch tot priester gewijd. De priesterkelk die hij bij die gelegenheid van zijn ouders ontving, wordt met piëteit bewaard door schrijver dezes. Meteen na zijn wijding werd de begaafde Grossouw naar Rome gestuurd om daar verdere theologische studies te doen. Hij studeerde Bijbelwetenschap aan het Pauselijk Bijbelinstituut en promoveerde in 1936 in Rome op een studie over de Koptische vertalingen van de kleine profeten. Teruggekeerd in Nederland werd hij benoemd tot docent voor Bijbelwetenschap aan zijn vroegere grootseminarie in Haaren.

Het innerlijke leven

Maar al in 1947 kwam daar een benoeming tot hoogleraar in de exegese van het Nieuwe Testament in Nijmegen bij. Zes jaar lang combineerde hij beide functies, eerst vanuit Haaren en vanaf 1950 vanuit Nijmegen. Al snel werd Grossouw een van de spraakmakende hoogleraren van de Nijmeegse theologische faculteit. Behalve wetenschappelijke studies op zijn eigen vakgebied schreef hij ook enkele boeken die een enorme invloed hebben gehad op de spiritualiteit van een hele generatie priesters, kloosterlingen en gewone gelovigen in Nederland: Innerlijk leven uit 1947, een dik boek met overwegingen voor elke dag van het jaar, goed voor maar liefst zestien drukken in tien jaar tijd, en Bijbelse vroomheid uit 1955, dat zes keer herdrukt werd, de laatste keer als Aulapocket. Als decaan van de theologische faculteit wist hij in 1957 Edward Schillebeeckx naar Nijmegen te halen. In het academisch jaar 1957-58 was Grossouw rector magnificus van de Nijmeegse universiteit.

Getrouwd

In 1969 zorgde Willem Grossouw opnieuw voor sensatie: hij trouwde met Wil Holland, de dertig jaar jongere secretaresse van de theologische faculteit. Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren, maar zes jaar later overleed zijn vrouw. De gewezen priester, inmiddels bijna zeventig, bleef met twee kleine kinderen achter. Die werden ondergebracht in een gastgezin. In 1977 nam Grossouw afscheid van de universiteit en begon hij te schrijven aan zijn fascinerende memoires, die in 1981 verschenen onder de titel Alles is van u. Gewijde en profane herinneringen. De laatste zes jaar van zijn leven bracht hij door in het Berchmanianum, toen verzorgingshuis van de paters jezuïeten, waar inmiddels ook leden van andere kloosterorden en (ex-)priesters onderdak konden vinden. Hij overleed op 22 mei 1990.