2011. Senior-promovendus

Datum bericht: 1 mei 2023

Op 19 april 2011 verdedigde de toen 89-jarige Gerrit Deems aan de Radboud Universiteit zijn proefschrift over de Nederlandse priester Alfons Ariëns (1860-1928). Deems was op dat moment voor zover bekend de oudste promovendus van Nederland die zijn dissertatie in het openbaar verdedigde. Hij werd daarmee landelijk nieuws. In dit verhaal schets ik een beeld van Deems aan de hand van fragmenten uit verschillende nieuwsberichten en interviews.

Door Ignace de Haes

Vox, 31 maart 2011

Het universiteitsblad Vox vraagt Gerrit Deems waarom hij op zijn leeftijd nog wil promoveren. ‘Ik hèb helemaal niet willen promoveren’, reageert Deems. ‘Ik heb het in elk geval nooit nagestreefd. De voormalig deken van Enschede vroeg mij om studie te doen naar Ariëns, omdat de man altijd onderbelicht is geweest – wat ook zo is, dat blijkt wel uit mijn proefschrift. Al doende wordt men smid, dus die promotie is geruisloos zo gekomen. En ik heb er veel plezier aan gehad, studie is voor mij geen groot kruis.’

NOS Nieuws, 31 maart 2011

De NOS vermeldt op haar site dat Gerrit Deems werkte als vertegenwoordiger in het bedrijfsleven en in verschillende sectoren in het maatschappelijk werk. Na zijn pensioen studeerde hij af in de filosofie en de theologie. Deems heeft ruim vijftien jaar aan zijn proefschrift gewerkt en beschouwt de promotie als de afsluiting van een leven lang studeren. De oudste promovendus van Nederland is Deems overigens niet. Dat was de classicus Han Douwes, die in 2000 op 92-jarige leeftijd promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij kon zijn proefschrift echter niet in het openbaar verdedigen, omdat hij een week ervoor een hersenbloeding had gekregen en in het ziekenhuis lag. De promotiecommissie kende het doctoraat toch toe en bezocht Douwes in het ziekenhuis.

NRC, 18 april 2011

De dag voor zijn promotie publiceert NRC een interview met Deems. Hierin is te lezen dat Deems op 43-jarige leeftijd begon aan een studie filosofie. Op zijn 69ste voegde hij er een bul in de theologie aan toe. Deems schreef zijn scriptie over priester Alfons Ariëns, oprichter van de eerste Nederlandse katholieke vakbond in 1889, een sleutelfiguur in de rooms-katholieke arbeidersbeweging. Het idee om ook te promoveren op ditzelfde onderwerp, ontstond in de loop van de tijd, zo vertelt Deems in het interview: ‘Ik heb nooit willen promoveren. Na mijn studie theologie heb ik mijn scriptie over Alfons Ariëns langzaam uitgebreid. Midden jaren negentig bedacht ik ineens: hier zit een promotie in. Ik vond een professor die me wilde begeleiden. Zo is het gegaan. Zonder vooropgezet plan. En met vallen en opstaan. Ik heb er vijftien jaar over gedaan.’ Deems vertelt dat het proefschrift ook in boekvorm uitgegeven wordt, zodat het voor een breder publiek toegankelijk is en het gedachtengoed van priester en vakbondsoprichter Ariëns breder bekend wordt. ‘Hij was een bijzonder mens. Een integere intellectueel. In zijn werken zocht hij nooit naar zichzelf, het ging om de zaak. (…) Onrecht bestrijden, daar was het om te doen. En dat arbeiders zichzelf van onderaf zouden organiseren.’

Aan het eind van het artikel gaat Deems in op het proces van ouder worden. Voorzichtig verwoordt hij: ‘Verouderen is stilstaan, en dan ga je achteruit. Dat zie ik dagelijks om mij heen. Vandaag gaan ze hierheen op vakantie, overmorgen daarheen. Er is niets mis met vakantie, tot het een opvulling wordt van de tijd. Alsof het leven al is afgesloten. Het pensioen biedt juist een kans om op eigen manier verder te gaan met waar men al mee bezig was. Om zich nog meer te ontplooien, dóór te groeien in volwassenheid.’ Bescheiden voegt hij toe: ‘Ik heb ook makkelijk praten met mijn goede gezondheid. Veel mensen om mij heen hebben dit en hebben dat. Ik ben een bevoorrecht mens.’

Reformatorisch Dagblad, 19 april 2011

In het Reformatorisch Dagblad vertelt Deems over Alfons Ariëns. ‘Ariëns zag tijdens zijn studie in Rome de wantoestanden in de volkswijken en de vreselijke kinderarbeid in de zwavelmijnen en steengroeven van Sicilië. Terug in Nederland kwam hij in Enschede dezelfde sociale ellende tegen. Hij liep in de arbeiderswijken De Krim en Sebastopol aan tegen uitwassen van onrechtvaardige systemen: de ijzeren loonwet, de slechte behuizing, kinderarbeid en kindersterfte en drankverslaving.’ Vooral dat laatste zag Ariëns als een belangrijk punt, stelt Deems. ‘Alcoholisme was in die tijd al een mondiaal probleem. Nederland exporteerde miljoenen liters jenever naar West-Afrika en zorgde daar voor veel ontwrichting. Arbeiders in Nederland ontvluchtten in de drank hun ellende. Ariëns pakte het drankprobleem niet alleen geestelijk maar ook deskundig aan en drong aan op praktische maatregelen en voorlichting.’

De priester richtte in 1889 een rooms-katholieke arbeidersvereniging op, die hij in 1891 omvormde tot de eerste rooms-katholieke vakbond in Nederland. Ariëns stond aan de wieg van vijf tijdschriften: De Katholieke Werkman, Unitas, De Kruisbanier, Sobriëtas en Bonus Miles.

De eerste twee hadden de arbeidersbeweging tot onderwerp, de derde en vierde de drankbestrijding. Het laatste tijdschrift was bestemd voor priesters. Deems vertelt: ‘Ariëns zag een nauw verband tussen maatschappij en godsdienst. Zonder ingrijpende veranderingen van de samenleving zou er geen gezonde maatschappij mogelijk zijn. Maar zonder de godsdienst zou men daarin niet slagen. Vandaar dat hij grote nadruk legde op de missie. Niet om de roomse leer te verbreiden, maar om de bewogenheid van Christus te laten zien in het sociale leven.’ Deems typeert Ariëns als voorloper van de maatschappelijke en godsdienstige emancipatie van de rooms-katholieken, net zoals Schaepman dat was in politiek opzicht. ‘In die zin lijkt hij op de rode gereformeerde dominee A.S. Talma. Ariëns was een orthodoxe en progressieve priester en juist in die paradoxale combinatie is hij groot geweest. Hij was verguisd in eigen kring, maar aan het eind van zijn leven vond hij steeds meer erkenning. Vergeet niet dat hij de emancipator is geweest van de rooms-katholieke vrouwen. Hij heeft bijgedragen aan intellectuele bewustwording van deze groep.’ Het actuele belang van Ariëns ziet Deems vooral in diens ascese, een leven in soberheid. ‘Hij bepleitte een leven van onthechting en concentratie op het geestelijke, tegenover het opgaan in materialisme en genotzucht. Dat laatste zien we vooral in onze tijd.’

De Gelderlander, 14 mei 2017

De Gelderlander vermeldt op 14 mei 2017 dat Gerrit Deems overleden is: ‘De 95-jarige Nijmegenaar is vrijdag thuis overleden. Hij werkte nog aan een nieuw boek, over de Duitse jezuïet Friedrich Muckermann die in de oorlog vluchtte en onder meer in Nijmegen was ondergedoken. Want, zo zei Deems, die drie studies had gedaan: “Als ik ophoud met studeren, dan ga ik dood.”’


9789055123018_front

Afgeronde promoties
De faculteit houdt een lijst bij van afgeronde promoties.
Daarbij gaan we terug tot 1986.

Lopende promoties
Ook is er een lijst op de site van de faculteit te vinden over lopende promoties.

Eerste promotie
In 1931 vond de eerste promotie plaats in de faculteit der theologie.

De promotor, Peter Nissen, over de promovendus

‘In een interview met NRC zei Gerrit Deems: “Ik vond een professor die me wilde begeleiden.” Die professor was ik dus. Ik had al eerder met Gerrit gesproken over zijn plannen. Hij had al sociale wetenschappen gestudeerd, aan het eind van zijn beroepsleven filosofie (in Amsterdam) en ten slotte na zijn pensionering theologie (in Nijmegen). Hij vroeg zich af of hij nu aan een vierde studie zou beginnen. Ik zei toen: “Misschien moet je maar eens een proefschrift gaan schrijven.” Ik zag mijzelf toen nog helemaal niet als zijn beoogde promotor. Maar toen hij met het plan kwam om over de theologie van Alfons Ariëns te gaan schrijven, lag het voor hand dat de hoogleraar Kerkgeschiedenis hem daarbij zou begeleiden. Het werd een langdurig traject, door ziekte en overlijden van zijn tweede vrouw, door zijn eigen gezondheid en toch ook door de gevorderde leeftijd. Maar hij had doorzettingsvermogen.

Een handicap was: Gerrit was van het pre-digitale tijdperk. Gelukkig had hij iemand die zijn teksten voor hem in de computer invoegde. Zijn promotie trok veel aandacht: in landelijke kranten verschenen prachtige foto’s van een betogende Gerrit, de bril op het voorhoofd, heftig gesticulerend. Enkele maanden na zijn promotie kwam hij weer bij me met de opmerking “Als ik stop met studeren, ga ik dood.” Daarom begon hij aan een boekproject over de Duitse jezuïet Friedrich Muckermann, een criticus van het nationaalsocialisme. Hij belde me op een gegeven moment met de mededeling dat het laatste hoofdstuk klaar was. Vier weken later overleed hij. Toen wachtte me nog een taak: Gerrit had tijdens het promotietraject kennelijk zoveel vertrouwen in mij gekregen, dat hij mij ook gevraagd had de executeur van zijn testament te willen zijn. In mijn onschuld had ik daar ja op gezegd, niet wetend wat daar allemaal bij komt kijken. Het is allemaal goed afgelopen, maar postuum heeft hij mij nog een lesje geleerd.’