1953. Nieuwe tijden voor de Islam

Datum bericht: 4 februari 2023

Op 2 oktober 1953 hield Jean Houben s.j. zijn oratie. Houben bezette als eerste de leerstoel Islam en Arabisch aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen. Uit zijn oratie blijkt dat Houben hoopvol is. Er breken nieuwe tijden aan.

Door Ignace de Haes

Ik laat eerst Houben zelf aan het woord wanneer hij uitlegt wat hij met zijn leeropdracht wil gaan doen:

‘De grote behoefte voor de Arabische en Islamvolkeren zijn de grondslagen waarop zij een nieuwe Islam kunnen bouwen, die hen in staat stelt zich in onafhankelijkheid en zelfbestemming volledig in te schakelen en zich als volwaardige leden één te voelen in de gemeenschap der volkeren, waarvan zij zo lang vooral door het enge keurslijf van hun vroegere orthodoxe leer zijn verre gehouden. Omdat deze grondslagen vóór alles liggen op philosophisch en theologisch gebied, is de tijd aangebroken om, meer dan welke andere tak van Islamkennis ook, de westerse gemeenschap in dienst te stellen van deze primaire behoeften van de Muslims zelf.’

Een paar regels later legt hij het nog scherper uit:

‘Terwijl in het Westen de nacht schijnt gevallen over een deel der mensheid, die haar cultuur uitgehold heeft tot een uiterlijke lege schim, en terwijl de Kerk dus bezig is alle krachten te ontplooien om als reddende engel de mensheid te verlossen uit haar ondergang, laait in andere werelden de hoop van de redding op tot ongekende hoogte. De Islamwereld, die voor tien eeuwen een gesloten blok vormde, dat ontoegankelijk was voor de heilzame invloed van de Kerk, ligt nu wijd open voor geestelijke steun. De modernen onder de Muslimbroeders zoeken een nieuwe leer, omdat de oude orthodoxe interpretatie van hun Heilige Boek als interpretatie tekort schiet en oorzaak werd van isolatie van de rest van de wereld , die elke democratische band onder de volkeren en elke vrije ontplooiing van de menselijke natuur tegenhield.’

Zuurdeeg

Voor de duidelijkheid: we hebben het hier over 1953.  Wat zou Houben gezegd hebben als hij nu nog had geleefd? Uit zijn teksten blijkt ook duidelijk dat de leerstoel voor een deel ondergebracht is bij het Missiologisch Instituut, waar Houben al sinds 1948 werkzaam was. De missionaire gedachte komt ook naar voren in zijn teksten. Het zijn juist ook de missionarissen die met de juiste kennis van de islam ‘het zuurdeeg moeten zijn waarmee ze de Muslims kunnen leiden in hun religiositeit en verre te houden van nihilistische invloeden, die maar al te gemakkelijk ingang kunnen vinden langs de paden van verkeerd begrepen humanistische en humanitaire levenswaarden’.

Al in 1938 schreef Houben dat ‘de leer van de Islam dicht tegen de geloofsleer van het Katholieke Christendom aanzit’. Door te wijzen op de vele en nauwe contactpunten met de christelijke gedachte, die de islam in zijn bloeitijden gekend heeft, wil Houben een bijdrage leveren aan het slopen van de scheidsmuur die de christelijke en mohammedaanse wereld zo lang van elkaar vervreemdde.

Islam en het klassiek Arabisch

Zijn leeropdracht heette officieel: ‘de leer en instellingen van de Islam en het Arabisch’. Arabisch staat wat Houben betreft in dienst van het onderzoek naar de leerstellingen van de islam. En Arabisch was voor Houben het klassiek Arabisch van de Koran en niet het actueel geschreven (en gesproken) Arabisch in de Arabische wereld.

Jean Houben werd in 1904 in Valkenburg geboren en heeft het gymnasium in Rolduc bezocht.  Na zijn eindexamen begon hij zijn leven bij de jezuïeten. Na zijn filosofiestudie werd hij naar Indonesië gezonden waar hij tussen 1930 en 1934 verbleef en terug in Nederland voltooide hij zijn theologische studie. In Indonesië kwam hij in contact met de islam en hij besloot toen al om zich daarin verder te specialiseren. In 1937 werd hij tot priester gewijd. Daarna is hij naar Londen vertrokken waar hij zich aan de vermaarde School of Oriental and African Studies   specialiseerde in het Arabisch en de islam. Vanaf 1941 was Houben aalmoezenier bij de Nederlandse marine en na de bevrijding werd hij in 1946 bij de jezuïeten benoemd tot professor in de leerstellingen van de islam en het Arabisch in hun theologische opleiding in Maastricht, waar hij tevens als vice-rector de scepter zwaaide over de studenten, waarbij hij er vooral op toezag dat ze zich zedelijk gedroegen. Daarnaast begon hij in 1948 te doceren bij het pas opgerichte Missiologisch Instituut. Oorspronkelijk was hij voorbestemd om weer naar Indonesië terug te keren, maar na de onafhankelijkheid van dat land was dat onmogelijk. Hij promoveerde in 1952 in de filosofie. Op 1 januari 1953 werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar en in 1963 tot gewoon hoogleraar.

De mu’tazilieten

Tijdens zijn hoogleraarschap specialiseerde Houben zich in de stroming van de mu’tazilieten, een denkrichting in de islam die rond het midden van de achtste eeuw in Basra werd ontwikkeld door Wasil Ibn Ata. Van alle stromingen stond deze school het meest open voor Griekse ideeën. Veel klassieke Griekse teksten werden naar het Arabisch vertaald en vooral de ideeën van Aristoteles vonden goede grond. De mu’tazilitische geleerden betoogden dat de ratio de richtlijn moest zijn bij zaken die met goed en kwaad te maken hadden, en niet primair de teksten van de Koran. Bovendien vonden ze dat de openbaring van de Koran gerechtvaardigd moest worden met rationele en logische argumenten. Door anderen werden de mu’tazilieten als ketters gezien en uiteindelijk moesten zij ook het onderspit delven. Voor Houben waren de mu’tazilieten het voorbeeld van hoe het idealiter verder zou moeten gaan met de islam. Het sloot naadloos aan bij zijn oratie.

Toch was Houben er niet gerust op dat de moderne invloeden in de islam dominant zouden worden. In 1961schreef hij dat moderne pogingen nog niet ver kunnen doorstoten. ‘Nog steeds zijn er miljoenen massa's der muslims de oude ideologieën toegedaan, zodat gewaagde vernieuwingen voor hen als verraad in de oren moeten klinken. Zullen de ideeën van de Koran over God, die nauwer aansluiten bij de christelijke begrippen het winnen en zal het christendom zijn taak weten te vervullen in deze komende vijftig jaren om mede de vernieuwing binnen de Islam te bevorderen?’ We zijn nu meer dan vijftig jaar verder. Hoe zou Houben nu op de ontwikkelingen (en de relatie tot het christendom) terugkijken?

Kamergeleerde

Volgens zijn opvolger Jan Peters was Houben desondanks een echte kamergeleerde. Zijn kennis haalde hij uit boeken en niet uit de dagelijkse praktijk. Wanneer hij college gaf, bereidde hij zich heel zorgvuldig voor en las vervolgens de tekst op. Wanneer je je hand opstak om te zeggen dat iets niet duidelijk was, las hij de laatste zinnen opnieuw voor.  
Op een gegeven moment had hij twee hoofdvakstudenten Arabisch: Jan Peters en Kees Versteegh, die uiteindelijk zijn opvolgers werden. Peters bekent dat hij zelf grote moeite had met het ontcijferen van pre-islamitische gedichten die Houben opgaf. Houben had geen oog voor de beginsituaties van zijn studenten. Voor de meeste letterenstudenten waren zijn colleges Islamologie sowieso niet te volgen, omdat het echte theologische colleges waren. Het ging hem om de theologie van de islam en zeker niet om de actuele islam.

Toen het duidelijk werd dat de studenten meer belang gingen hechten aan het modern Arabisch, vroeg Houben aan de jonge student Jan Peters om die lessen te verzorgen. Peters had inmiddels het actuele Arabisch gestudeerd aan de universiteit Saint Joseph in Libanon. Toen duidelijk werd dat het modern Arabisch belangrijker werd dan het klassiek Arabisch en dat de actualiteit van het Midden-Oosten ook een rol in het curriculum zou krijgen, was het haast vanzelfsprekend dat Peters Houben ging opvolgen.

Niet hoopvol

Peters zelf kan wel antwoorden op de vragen die Houben in zijn oratie stelde. 
De traditionalisten leggen nog steeds een groot gewicht in de schaal en de echt kritische islamwetenschappers uit het Midden-Oosten wijken uit naar Europa en Amerika. Hoopvol is Peters niet. Hij heeft zelf vele jaren gewerkt in Libanon. Ook nog toen hij hoogleraar in Nijmegen werd. De visie op heden en toekomst van de islam was vooral op de Franse wetenschap gebaseerd. De mentaliteit van de studenten in Libanon verschilde niet veel van die in Europa, en het bestel dat door Atatürk in Turkije was ingevoerd, dat wil zeggen een sterke scheiding tussen staat en religie, was voor veel moslims in de universiteit het ideaal: juist in Libanon, dat als moderne modelstaat werd gezien. Als je nu naar Libanon kijkt, zie je hoezeer het land in een neerwaartse spiraal terecht is gekomen, zowel in economisch en politiek opzicht als in sociaal opzicht.

Jean Houben was een hoogleraar van zijn tijd. Traditioneel en rechtlijnig met een duidelijke missionaire ideologie, gelukkig met zijn boeken, de meesten in klassiek Arabisch geschreven.

Gebruikte literatuur

Houben S.J., Dr J.J.A.M. (1953). De Koran als het woord van God. Nijmegen: Dekker & Van de Vegt

Houben, J.J. (1938). Elementen van geestelijk leven in de Islam. In: Bijdragen van de philosophische en theologische faculteiten der Nederlandsche Jezuieten. Eerste deel, aflevering II.

Houben S.J., Prof.Dr. J.J. (1961). De Muhammedaanse mensvisie. In: De Oosterse mens (p19 - 45). Brugge: Desclée de Brouwer.


houben

Jean Houben (foto KDC)

Jubileumcongres

In het programmaboekje gemaakt ter gelegenheid van het Jubileumcongres 'Talen en Culturen van het Midden-Oosten 1947-1997' schreef Kees Versteegh een inleiding. Versteegh  volgde Peters in 1989 op als hoogleraar Arabisch en Islam. Hij heeft nog de overgang meegemaakt van de faculteit der Letteren naar de FTR en stopte met zijn hoogleraarschap in 2011. Hij laat Jean Houben in 1947 starten maar zover wij weten is dat 1948 geweest. Hieronder volgt een samenvatting daarvan.

Sinds haar oprichting in 1923 heeft de Universiteit van Nijmegen een voorziening voor de talen en culturen van het Midden-Oosten gekend.  Aanvankelijk lag de nadruk op de oude culturen van het Nabije Oosten, waarvoor in 1923 Anton Baumstark (semtische taal- en letterkunde), Paul Heinisch (Hebreeuws) en Reginald Jansen (Assyrisch-Babylonisch) werden benoemd.

Het onderwijs Arabisch begon in 1947 toen Jean Houben benoemd werd tot eerste hoogleraar Arabisch en Islam. Het onderwijsprogramma maakte onderdeel uit van de studierichting Semitische talen aan het Instituut Semitica en stond bijna geheel in het teken van de klassieke periode, met grote nadruk op de Islamologie. In het begin werd het onderwijs vooral door de studenten van de theologische faculteit als bijvak gevolgd. Lange tijd combineerde Houben zijn aanstelling met het geven van colleges aan de Université Saint Joseph in Beiroet.

In 1973 overleed Jean Houben en hij werd opgevolgd door Jan Peters. In 1977 werd Peters benoemd tot hoogleraar Arabisch en Islam met een gecombineerde opdracht binnen de faculteiten Letteren en Theologie. De studierichting kreeg al snel een ander karakter en in 1975 werd de vakgroep Talen en Culturen van het Midden-Oosten opgericht.

In 1978 werd de studierichting Semitische talen omgezet in de studierichting Arabisch, Nieuw-Perzisch, Turks (Islamtalen). De nadruk kwam te liggen op het actief beheersen van de taal en de kennis van de hedendaagse Arabische wereld. De studenten werden bovendien gestimuleerd om een deel van hun studie in het Midden-Oosten door te brengen. De belangstelling voor het Midden-Oosten leidde in 1986 tot het oprichten van twee bovenbouwstudies, Midden-Oosten Studies (MOS) en Mediterrane Studies (MES). Na 1989 werd Jan Peters lid van het College van Bestuur van de universiteit.