1997. Stichting van het Center for the History of Philosophy and Science

Datum bericht: 17 maart 2023

Voor de moderne mens zijn de natuur- en geesteswetenschappen gescheiden werelden. Historisch gezien is deze scheiding echter vrij recent. Van Plato en Aristoteles tot Descartes, Leibniz, Newton of Kant, schreven filosofen over thema’s die we thans als natuurwetenschappelijk zouden beschouwen, maar die toen tot de ‘natuurfilosofie’ behoorden. Globaal tot het begin van de negentiende eeuw overlapt de geschiedenis van de wetenschappen met die van de filosofiegeschiedenis. Ook al is dit feit alom bekend, toch zijn er nauwelijks plekken op de wereld te vinden waar deze twee academische domeinen als een integraal geheel worden bestudeerd en onderwezen. Het in 1997 opgerichte Center for the History of Philosophy and Science aan onze faculteit is zo’n plek.

Door Christoph Lüthy

Tot ver in de zeventiende eeuw vormden de geschriften van Aristoteles de basis voor het universitaire onderwijs en drukten op deze manier hun stempel op het wereldbeeld van elke intellectueel. In sommige landen duurde de dominantie van het aristotelische wereldbeeld zelfs nog langer. De werken van Aristoteles bestreken de huidige domeinen van alfa, bèta, gamma én techniek, met titels als Metafysica, Physica, Over de hemel, Over dieren, Economie, Mechanica of Over de psyche. In die tijd hoorde het nadenken over kosmologie, de ontwikkeling van dieren, de totstandkoming van chemische stoffen of de toestanden van de ziel echter vanzelfsprekend tot het terrein van de filosoof. De filosofie had drie taken: zij moest inzicht geven in de natuur (natuurfilosofie, inclusief biologie en psychologie, enzovoort), in de methode van het denken (logica, kenleer, metafysica, enzovoort) en in het gedrag (ethiek, politiek, economie, enzovoort). Dit allesomvattende kader van de filosofie komt nog duidelijk tot uitdrukking in de titel van het befaamde boek van Isaac Newton uit 1687. Newton beschouwen we als de grondlegger van de klassieke mechanica en ontdekker van natuurwetten, maar zelf noemde hij zijn werk De wiskundige beginselen van de natuurfilosofie. Het Aristotelische raamwerk verklaart ook waarom zelfs vandaag nog bètawetenschappers bij hun promotie geen SciD krijgen maar een PhD – een doctorstitel in de filosofie (philosophiae doctor). En het verklaart tenslotte waarom er aan onze eigen universiteit nog in de jaren zestig een leeropdracht ‘natuurfilosofie’ bestond, die tussen de filosofische faculteit en de bètafaculteit werd gedeeld (zie het verhaal over Dries van Melsen, 1949).

Wat hoort bij de geschiedenis van de filosofie?

Een afdeling Geschiedenis van de filosofie, zoals die ook aan onze faculteit al lang bestaat, hoeft daarom niet uitsluitend naar logische, metafysische, ethische of politiek-filosofische werken uit het verleden te kijken, ook al is dat precies wat de overgrote meerderheid van soortgelijke afdelingen elders in de wereld doet. Het is in feite een vernauwing van het blikveld naar onderdelen die tegenwoordig tot de filosofie worden gerekend. Met evenveel recht kunnen de geschiedenis van de kosmologie, de psychologie, de economie of de biologie onderdelen zijn van de filosofiegeschiedenis. Geredeneerd vanuit de geschiedenis van de filosofie zelf, is het in feite merkwaardig dat je de bestudering van de voorgeschiedenis van al deze wetenschappen zou buitensluiten.

Overigens is de benadering in Nijmegen niet te verwarren met een andere combinatie, die je veel vaker aantreft, namelijk de combinatie tussen wetenschapsgeschiedenis en wetenschapsfilosofie. Deze combinatie van History and Philosophy of Science vind je op alle continenten, in Cambridge, Pittsburgh, Melbourne, of Toronto. In Nederland heeft Utrecht voor deze combinatie gekozen. Het is een combinatie die uit de gedachte is ontstaan dat de geschiedenis van de wetenschap zonder de filosofie blind zou zijn, en de wetenschapsfilosofie zonder geschiedenis leeg. Het is echter een combinatie die een inherente spanning herbergt. Zoals reeds werd gememoreerd door Thomas Kuhn, die een inspiratiebron was voor wetenschapsfilosofen én wetenschapshistorici, verschillen de twee disciplines in hun centrale doelstelling.

Vrij unieke Nijmeegse combinatie

De vrij unieke Nijmeegse combinatie van filosofiegeschiedenis en wetenschapsgeschiedenis lost een reeks didactische en inhoudelijke problemen op. Aan het Center for the History of Philosophy and Science (CHPS) kun je de Beginselen der Filosofie van Descartes als één tekst lezen, terwijl men elders in de wereld vaak deel I (waarin de bewijsvoering van de Meditations wordt herhaald) in het filosofische instituut leest, en deel II tot IV (waar het over kosmologie en natuurkunde gaat) bij het wetenschapshistorische instituut. Bij het CHPS leer je de Perzische denker Avicenna niet alleen als filosoof kennen, maar ook als theoloog én als de meest vooraanstaande medicus van de middeleeuwse medische canon (ons woord ‘canon’ komt letterlijk van Avicenna’s ‘canon der geneeskunde’ – Al Qanun fi al-Tibb). Bij het CHPS leer je begrijpen hoe het mogelijk was dat Leibniz ‘s ochtends aan wiskunde deed, ‘s middags aan geschiedschrijving en ‘s avonds aan metafysica en aan een theodicee. En bij het CHPS kun je doorgronden waarom Émilie du Châtelet probeerde om Newtons natuurkunde met Leibniz’ metafysica te verzoenen.

Het ontstaan van het CHPS

Maar hoe is deze unieke Nijmeegse combinatie ontstaan? Het begint allemaal met een proefschrift, verdedigd in 1988 door J.M.M.H. (Hans) Thijssen, onder de titel Johannes Buridanus over het oneindige. Een onderzoek naar zijn theorie over het oneindige in het kader van zijn wetenschaps- en natuurfilosofie. De promotores waren prof. dr. H.A.G. (Henk) Braakhuis, hoogleraar middeleeuwse filosofie aan onze faculteit, en prof. dr. J.E. (John) Murdoch, hoogleraar antieke en middeleeuwse wetenschapsgeschiedenis aan de Harvard-universiteit. De twee disciplines – filosofiegeschiedenis en wetenschapsgeschiedenis – waren echter niet alleen vertegenwoordigd in de leeropdrachten van de twee begeleiders, maar ook in de thematiek van de dissertatie. Wanneer middeleeuwse wijsgeren nadachten over het oneindige, speelden wiskundige, kosmologische, religieuze en metafysische overwegingen allemaal een rol. Hoe nauw wetenschap en filosofie historisch verstrengeld zijn, werd Thijssen tijdens zijn postdoc verblijven in Harvard en Santa Barbara nog duidelijker. Terug in Nijmegen dacht hij na over manieren om deze combinatie tot bloei te brengen in het onderzoek. In 1996 ontving hij van de NWO een genereuze Pionier-subsidie (tegenwoordig Vici) om het project ‘From Artes to Science’ uit te voeren. Thema was de transformatie van de traditionele natuurfilosofie naar de moderne (natuur)wetenschappen.

Team van jonge wetenschappers...

Vanaf 1997 ging een internationaal multidisciplinair team van jonge wetenschappers aan de slag. De auteur van dit artikel, Christoph Lüthy, die Thijssen in 1989 in Harvard had leren kennen, begon als eerste postdoc. Hij werd spoedig gevolgd door de mediëvist Olaf Pluta, een pionier in de digitalisering van middeleeuwse afkortingen of ‘abbreviationes’; Carla Rita Palmerino, pas gepromoveerd in Florence op Pierre Gassendi’s interpretatie en verdediging van Galileo’s mechanica en kosmologie; Cees Leijenhorst, die op precies dezelfde dag en hetzelfde uur als Palmerino in Utrecht zijn proefschrift over de natuurfilosofie van Thomas Hobbes had verdedigd; Paul Bakker, die uit Parijs terugkeerde om in Nijmegen zijn proefschrift over ‘rede en wonder’ in middeleeuwse verklaringen van de eucharistie te verdedigen; en David Lines, een Amerikaan opgegroeid in Italië die aan Harvard was gepromoveerd op de aristotelische traditie in Noord-Italië. Omwille van de cohesie en de zichtbaarheid organiseerde de Pionier-onderzoeksgroep zich als ‘Center’. Dit bleek achteraf een goede beslissing, want in de loop der jaren heeft het CHPS vele buitenlandse onderzoekers aangetrokken voor kortere of langere studieverblijven, van Iran tot Japan, van de VS tot Rusland, en van Portugal tot Litouwen. Toen de afdeling Geschiedenis van de filosofie een paar jaar later de naam Center for the History of Philosophy and Science ook voor een visitatierapport als naam voor haar gehele onderzoek wilde inzetten, kwam het echter tot maandenlange discussies met het toenmalige faculteitsbestuur. Was ‘Center’ niet een misleidende naam? En moest daar niet het College van Bestuur eerst akkoord mee zijn? Inmiddels presenteert elke onderzoeksgroep binnen de faculteit zich als een ‘Center’.

...behoort inmiddels tot de vaste staf

Dat het CHPS ook na afloop van Thijssens initiële NWO-subsidie kon blijven voortbestaan, had ermee te maken dat verschillende postdocs nieuwe middelen wisten te verwerven – via de KNAW, NWO, de ESF, buitenlandse prijzen of internationale samenwerkingsverbanden. Terugkijkend kun je nu vaststellen dat een fors aantal van de oorspronkelijke tijdelijke onderzoekers inmiddels tot de vaste staf behoren. Dit is opmerkelijk, omdat er in die tijd nog geen duidelijk personeelsbeleid bestond van ‘tenure-track’ of iets dergelijks en de vacatures niet voor het oprapen lagen.

Wat bij de verankering en zichtbaarheid van het CHPS heeft meegeholpen is dat Thijssen in 1996 het tijdschrift Early Science and Medicine (Brill) had opgericht, en in 2001 samen met Lüthy de boekenreeks Medieval and Early Modern Philosophy and Science (Brill). Het tijdschrift, vanaf 2001 onder leiding van Lüthy, bestaat inmiddels 27 jaar, en wordt nog steeds, regel voor regel, in Nijmegen geredigeerd. Dankzij het internationale team van associate editors kan het maar liefst dertien talen toelaten, althans in de voetnoten: naast de moderne talen Engels, Nederlands, Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Portugees, Hongaars en Russisch ook de klassieke

pionier.Thijssen

Het bericht over Hans Thijssens Pionier-subsidie in KUNieuws van 6 juni 1997.


chps

Garber1

Het Center for the History of Philosophy and Science viert zijn 20-jarig bestaan in 2017. Daniel Garber (met de gele das) naast Carla Rita Palmerino (afdelingsvoorzitter) plus de leden van het CHPS, vroegere medewerkers, (ex-)promovendi plus een afgevaardigden van filosofiehistorische afdelingen in het land (Lodi Nauta, Groningen; Theo Verbeek, Utrecht; Frans de Haas, Leiden; Han van Ruler, Rotterdam).

Noten

[1] Thomas Kuhn, "The Relations Between the History and the Philosophy of Science," in Kuhn, The Essential Tension (Chicago, 1977), blz. 3-20.

[2] Voor de lijst van boeken, zie
https://brill.com/view/serial/
MEMPS?language=en.

[3] https://www.degruyter.com/
document/
doi/10.1515/9783110546798/html