1928. Karel Bellon en de vergelijkende godsdienstwetenschap

Datum bericht: 15 december 2022

In 1990 kreeg de Nijmeegse universiteit een nieuwe opleiding religiestudies, waarin de vergelijkende studie van de verschillende wereldreligies en levensbeschouwingen centraal staat, en tussen 2006 en 2011 had zij zelfs een afzonderlijke Faculteit der Religiewetenschappen. Maar de vergelijkende studie van het fenomeen religie bestaat in Nijmegen al sinds het aantreden in 1928 van de Vlaamse hoogleraar Karel Bellon.

Door Peter Nissen

Op 25 januari 1928 sprak Karel Bellon in Nijmegen zijn inaugurale rede uit als pasbenoemd hoogleraar in de godsdienstgeschiedenis en de godsdienstfilosofie aan de theologische faculteit. Hij vervulde die tot zijn dood op 12 september 1957, bijna dertig jaar lang. In 1946 kwam daar nog een leeropdracht bij in de letterenfaculteit voor de wijsbegeerte van de geschiedenis (ter opvolging van de overleden Titus Brandsma) en voor de godsdiensten der Grieken en Romeinen, en dat laatste vak was vooral bedoeld voor de studenten klassieke talen.

De inaugurale rede van Bellon, uitgesproken in tegenwoordigheid van onder meer de aartsbisschop van Mechelen, kardinaal Van Roey, was meteen programmatisch. Die droeg de titel ‘Methode of leerstelsel in de vergelijkende studie der godsdiensten’. Bellon had een sterke belangstelling voor methodische kwesties in de studie van het fenomeen religie. Religie of godsdienst definieerde hij als ‘een geheel van betrekkingen, die de mensch onderhoudt met een bovennatuurlijke macht, waarvan hij meent afhankelijk te wezen en gunsten wil bekomen.’ Als zodanig is religie volgens hem een algemeen verschijnsel bij alle volken en in alle tijden. Hij was van mening dat historisch, etnologisch en psychologisch onderzoek naar religie belangrijk was om het fenomeen te begrijpen, maar tegelijk onvoldoende. ‘De empirische kennis der werkelijkheid is niet de volledige kennis, zij geeft slechts het uiterlijk, staat niet op het plan van het wezenlijk zijnde en moet aangevuld worden door de metaphysische kennis.’ Er moest dus ook een metafysisch perspectief bij het onderzoek betrokken worden, wilde men het hart van religie begrijpen. Bellon koos daarmee positie in een debat dat in de vergelijkende godsdienstwetenschap bijna vanaf het begin aanwezig is, tot op de dag van vandaag: volstaat het om religie als antropologisch fenomeen te duiden of is er nog een ander perspectief nodig om het wezen van religie te begrijpen. Dat laatste was de positie van de systematische godsdienstfenomenologen, die door de verschijnselen van de religie (de ‘fenomenen’) heen het wezen van religie wilden ‘schouwen’. Die positie werd en wordt vooral ingenomen door religiewetenschappers met een theologische of filosofische achtergrond.

Karel Leopold Bellon was er zo een. Hij werd geboren op 30 november 1891 in Oppuurs, een klein dorp vijfentwintig kilometer ten zuiden van Antwerpen. Zijn middelbare schoolopleiding kreeg hij aan het college te Boom en daarna volgde hij de priesteropleiding aan het seminarie van het aartsbisdom Mechelen. In 1915 werd hij tot priester gewijd. Hij zette zijn theologiestudie voort aan de Katholieke Universiteit van Leuven, toen nog Franstalig, net trouwens als zijn middelbare school. Vervolgens was hij van 1920 tot 1924 leraar aan het kleinseminarie in Mechelen en daarna tot zijn komst naar Nijmegen in 1928 aan het grootseminarie. Intussen begon hij ook te publiceren, eerst vooral over klassieke theologische thema’s, zoals de Marialeer en de erfzonde, en vanaf 1925 over meer godsdienstfilosofische thema’s en thema’s uit de vergelijkende godsdienstwetenschap. Gepromoveerd was hij nog niet, maar met zijn benoeming in Nijmegen in het vooruitzicht verleende de universiteit van Leuven hem in 1927 een doctoraat honoris causa.

‘Een bloedarm geval’

Veel studenten had Karel Bellon in Nijmegen niet, maar dat gold voor de hele theologische faculteit. Toen Bellon in 1938 een jaar het ambt van rector magnificus had vervuld en dit overdroeg aan zijn opvolger, klaagde hij dat zo weinig priesterstudenten een hogere wetenschappelijke theologische vorming ambieerden. Zo kon de universiteit de katholieke theologie niet de plaats geven in de Nederlandse samenleving die zij verdiende. In besloten kring sprak hij onomwonden over de theologische faculteit als ‘een bloedarm geval’.

Maar het eigen onderwijs van Bellon werd wel hoog gewaardeerd. Uit dat onderwijs kwamen enkele handboeken voort, waarvan er één zelfs drie drukken beleefde: zijn Inleiding tot de vergelijkende godsdienstwetenschap, waarvan de eerste druk in 1932 verscheen. Het is een van de eerste handboeken voor dat vak van katholieke zijde. In 1942 en 1953 kreeg het een tweede en derde druk, maar toen onder de titel Inleiding tot de natuurlijke godsdienstwetenschap. Bellon vond het woord ‘natuurlijk’ geschikter om te beklemtonen dat het vak, dat wel tot het theologische curriculum behoorde, niet met een theologische methode (uitgaande van de Openbaring) te werk ging, maar puur op basis van ‘natuurlijke’ kennis over religieuze fenomenen en tradities. In 1935 publiceerde hij ook nog een Inleiding in de godsdienstgeschiedenis, een historisch overzicht van de religies van de Oudheid tot heden. Uit de andere vakken die hij doceerde, kwam in 1934 nog het boek Godsdienstwijsbegeerte voort en in 1953 Wijsbegeerte der geschiedenis. Het waren brave boeken; er waren ‘geen nieuwlichterij noch riskante escapades van de geest’ in te ontdekken, zoals zijn collega-hoogleraar filosofie pater Henri Robbers s.j. na zijn dood schreef. Bellon was ook een

veelgevraagd spreker voor allerlei kerkelijke en wetenschappelijke gremia in Nederland en Vlaanderen. Zijn archief in het Katholiek Documentatie Centrum bevat een hele verzameling lezingen, preken en toespraken.

Symboliek van de voet

Karel Bellon was een gerespecteerd wetenschapper. Dit kwam tot uitdrukking in zijn benoeming in 1956 tot lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten. Ook ontving hij verschillende onderscheidingen: van de paus die van geheim kamerheer, zodat hij zich in zijn laatste levensjaren met de titel ‘monseigneur’ mocht sieren, van de Nederlandse koningin die van Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en van de Belgische koning die van Ridder in de Leopoldsorde. Hij trad in Nijmegen veertien keer als promotor op, en dat is vaak in vergelijking met zijn collega’s in de theologische faculteit. Nogal wat van de promoties hadden betrekking op de godsdienst van de Grieken en de Romeinen, maar ook andere thema’s uit de wijsbegeerte en de vergelijkende godsdienstwetenschap kwamen langs. Zijn beroemdste promotus was zijn laatste: de classicus en filosoof Cornelis Verhoeven (1928-2001), later zelf hoogleraar in Amsterdam, bekend auteur en bekroond met onder meer de P.C. Hooftprijs, die in 1956 cum laude bij Bellon promoveerde op een studie over de Symboliek van de voet. (Zie het verhaal over 1956.)


jp2a895

Karel Bellon

wwwopac1

In tegenwoordigheid van mgr. Henricus van de Wetering, mgr. Arnoldus Franciscus Diepen, Jozef Ernest kardinaal van Roey, autoriteiten en leraren aanvaardde prof. Karel Leopold Bellon (derde rij in het midden) het hoogleraarschap aan de R.K. Universiteit (Archief KDC).

Oratie van Karel Bellon in 1928: METHODEN OF LEERSTELSEL IN DE VERGELIJKENDE STUDIE DER GODSDIENSTEN

'ONDER WELKE VOORWAARDEN IS DE WETENSCHAP DER GESCHIEDENIS MOGELIJK ?'
Karel Bellon in 
Tijdschrift voor Philosophie , JUNI 1953, 15de Jaarg., Nr. 2 (JUNI 1953), pp. 163-178

IN MEMORIAM MGR. PROF. Dr.K. L. BELLON
door H. Robbers. Tijdschrift voor Philosophie 20ste Jaarg., Nr. 2 (JUNI 1958), pp. 369-374.