1945. Bernard Alfrink. Van hoogleraar tot kardinaal

Datum bericht: 25 januari 2023

Op 23 november 1945 sprak Bernard Alfrink zijn inaugurale rede uit als hoogleraar in de exegese van het Oude Testament en het Hebreeuws. Zijn hoogleraarschap zou van korte duur zijn: nog geen zes jaar later, in mei 1951, werd hij benoemd tot coadjutor (hulpbisschop) met recht van opvolging van de aartsbisschop van Utrecht, kardinaal Jan de Jong. Na diens overlijden in 1955 volgde hij hem op als aartsbisschop. Hij zou, na in 1960 tot kardinaal benoemd te zijn, een belangrijke rol spelen tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), de belangrijkste kerkvergadering van de rooms-katholieke kerk sinds eeuwen.

Door Peter Nissen

Zoon van een timmerman

Bernard Alfrink werd in oktober 1945 benoemd tot hoogleraar aan de na de oorlog heropende Rooms-Katholieke Universiteit in Nijmegen. Hij volgde in Nijmegen de Duitse priester Paul Heinisch (1878-1956) op, die vanaf de oprichting van de universiteit in 1923 het Oude Testament had gedoceerd. Heinisch was in 1907 in Münster gepromoveerd op de invloed van de joodse filosoof Philo op de vroegste christelijke exegese. Hij had een reeks Duitstalige commentaren op boeken van het Oude Testament op zijn naam staan, plus een succesvolle Theologie des Alten Testaments uit 1940, die in 1950 ook in het Engels werd vertaald. Een gerespecteerd wetenschapper dus, maar in Nederland zo goed als onbekend.

Bernard Alfrink, in 1900 in Nijkerk geboren als jongste zoon van een timmerman-aannemer, doorliep het kleinseminarie en grootseminarie van het aartsbisdom Utrecht en werd in 1924 tot priester gewijd. Hij had aanleg voor de studie en werd daarom naar Rome gestuurd, om zich aan het in 1909 opgerichte Pauselijk Bijbelinstituut, het Biblicum, te specialiseren in de studie van het Oude Testament. Na vijf jaar rondde hij zijn proefschrift af over hiernamaalsvoorstellingen in het oude Israël en Babylonië. Het werd in eerste instantie afgekeurd, omdat de tekst de indruk wekte dat het oude Israël geen besef had van de onsterfelijkheid van de ziel, en dat was in strijd met de katholieke leer. Teruggekeerd naar Nederland ging Alfrink zijn proefschrift herzien. In 1930 werd het goedgekeurd en kon hij in Rome promoveren.

Op eieren lopen

Om enige pastorale ervaring op te doen werd Alfrink in 1930 benoemd tot kapelaan in Maarssen. Drie jaar later werd hij benoemd tot docent (‘professor’) Bijbelse exegese aan het grootseminarie Rijsenburg in Driebergen, de priesteropleiding van het aartsbisdom, die hij zelf negen jaar eerder had afgerond. Met zijn benoeming deed een meer wetenschappelijke en minder apologetische benadering van de Bijbel zijn intrede in de priesteropleiding. Voor Alfrink bleef het overigens, zoals voor al zijn katholieke tijdgenoten, op eieren lopen, want Vaticaanse instructies hadden allerlei beperkingen opgelegd aan de uitleg van de Bijbel en Bijbelwetenschappers werden nauwlettend in de gaten gehouden. Dat weerhield Alfrink er niet van wetenschappelijk actief te blijven: hij publiceerde wetenschappelijke bijdragen in het Romeinse tijdschrift Biblica en meer populariserende in de Nederlandsche Katholieke Stemmen. Ook werkte hij mee aan een nieuwe Nederlandse Bijbelvertaling, de zogenaamde Canisiusvertaling, waarvan de voorbereiding gecoördineerd werd door de Nijmeegse hoogleraar Nieuwe Testament Reginald Jansen o.p. Alfrink vertaalde daarvoor enkele zogenaamde wijsheidsboeken: Prediker, Wijsheid, Ecclesiasticus (Wijsheid van Jezus Sirach) en Tobias. Ook maakte hij met anderen samen een Nederlandse vertaling van de epistel- en evangelielezingen in de katholieke misliturgie.

Daarmee kwam hij in beeld voor de Nijmeegse universiteit, toen daar een nieuwe hoogleraar Oude Testament nodig was. De dominicanen schoven ook een eigen kandidaat naar voren, Jan van der Ploeg. Die zou Alfrink in 1951 opvolgen, maar in 1945 vonden de bestuurders van de universiteit dat er al genoeg dominicanen in de theologische faculteit werkzaam waren. Bovendien was Van der Ploeg nog niet klaar met zijn proefschrift. Het werd dus Alfrink, en die liet er geen gras over groeien: al anderhalve maand na zijn benoeming sprak hij zijn oratie uit: ‘Over "typologische« exegese" van het Oude Testament’. Hij waarschuwt daarin voor een al te vrome omgang met de boeken van het Oude Testament, waarbij in alles een voorafbeelding of ‘typos’ wordt gezien van het Nieuwe Testament. Naar toen geldend goed katholiek gebruik sloot Alfrink natuurlijk niet uit dat het Oude Testament vooruitwijst naar het Nieuwe; het Nieuwe Testament werd gezien als de voortzetting en vervulling van het Oude. Maar die typologische duiding moest toch allereerst gebaseerd zijn op een goede kennis van de letterlijke en historische betekenis van de oudtestamentische teksten. Het werk van de exegeet begint met een goede historisch-kritische analyse van de tekst, en dat was voor een katholieke Bijbelwetenschapper in die tijd best al een gedurfd standpunt. ‘Eerbied voor de sensus litteralis [de letterlijke betekenis], voor hetgeen met alle beschikbare technische hulpmiddelen te verstaan valt uit hetgeen er staat, is de eerste taak van de exegeet,’ aldus Bernard Alfrink in zijn oratie.

Groen licht voor historisch-kritische Bijbelwetenschap

De oratie was het begin van een hoogleraarschap van korte duur. Veel studenten zal Alfrink niet gehad hebben tijdens zijn colleges in het gebouw Stella Maris aan de Van Schaeck Mathonsingel. De theologische faculteit, waar toen volgens een uitdrukking van de historicus L.J. Rogier ‘de professoren en de studenten elkaar in heilige wedijver poogden te overtreffen in aantal,’ was een klerikaal instituutje met acht hoogleraren, één lector en geen enkele wetenschappelijke medewerker; de studenten waren priesters en mannelijke kloosterlingen, die opgeleid werden om zelf een theologisch vak aan een priesterseminarie te gaan geven. De colleges van Alfrink golden als degelijk, maar ook als saai, en in zijn contacten met de studenten was hij afstandelijk. Promovendi heeft Alfrink in de kleine zes jaar van zijn hoogleraarschap niet gehad.

Hij hield dus tijd genoeg over om her en der lezingen te geven, conferenties voor priesters en religieuzen en om te publiceren. Zo verscheen in 1946 van hem een vergelijkende studie van de lijdensverhalen in de vier evangelies (Het Passieverhaal der vier Evangelisten) en in 1952 een analyse en vertaling van het Bijbelboek Jozua (Josue, uit de grondtekst vertaald en uitgelegd). Ook bleef hij artikelen publiceren. In 1946 besprak hij in de Nederlandse Katholieke Stemmen de encycliek Divino afflante Spiritu uit 1943, waarin paus Pius XII het licht op groen had gezet voor het gebruik van een technisch-wetenschappelijke methode bij het bestuderen van de Bijbel: de studie van de tekst in de oorspronkelijke talen, het gebruik van de archeologie, de studie van de historische en culturele context van de Bijbelboeken. Wat Alfrink in zijn oratie in 1945 had gepresenteerd, lag helemaal in de lijn van deze encycliek. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat hij in 1947 door dezelfde paus werd benoemd tot adviseur (consultor) van de Pauselijke Bijbelcommissie.

Die benoeming kan wellicht gezien worden als een voorteken van de kerkelijke loopbaan die Bernard Alfrink wachtte. Die zou hem nog regelmatig met de Nijmeegse universiteit in contact brengen, maar nu in een heel andere hoedanigheid: als aartsbisschop en dus tot 1961 ook als hoogste bestuurder van de Sint-Radboudstichting en daarna nog als grootkanselier van de theologische faculteit. Dat leidde wel eens tot spanningen, maar die liepen nooit zo hoog op dat de wederzijdse waardering verloren ging. Die laatste kwam in 1976 tot uitdrukking in de verlening van een eredoctoraat, zijn vijfde, aan kardinaal Alfrink, die inmiddels als aartsbisschop van Utrecht was opgevolgd door kardinaal Jo Willebrands. In het aulagebouw van de universiteit wordt zijn nagedachtenis in ere gehouden door een Alfrinkkamer, waar zijn strenge blik vanaf een portret toeziet op de beraadslagingen bij examens en promoties.


Bernard Alfrink heeft een uitgebreide wiki-pagina.

Ook het Huygens-Instituut heeft een uitgebreide biografie.

Kardinaal_Alfrink

Bataafs én rooms, Alfrinks dilemma. De biograaf als ingewijde
Wam de Moor. Biografie Bulletin. Jaargang 8 DBNL.

"Een biografie is van betekenis als zij overtuigend laat zien uit welke cultuur en samenleving een mens is voortgekomen en wat diens bijdrage tot de ontwikkeling van die cultuur en samenleving is geweest. In de biografie Alfrink van Ton H.M. van Schaik is dat in hoge mate het geval. Een boek dat bij de ingewijde weemoed wekt en het inzicht verscherpt in de eigen cultuur en bij de buitenstaander ongetwijfeld verbazing teweegbrengt."