1939. Piet Kreling, rectoraat in benarde tijden

Datum bericht: 19 januari 2023

Op 18 september 1939 droeg de ene theoloog het rectoraat van de Katholieke Universiteit in Nijmegen over aan de andere. De rector die afscheid nam, was de franciscaan Desiderius Franses, die vanaf de oprichting van de universiteit tot zijn emeritaat in 1942 hoogleraar patrologie en vroege kerkgeschiedenis was. Zijn opvolger was de dominicaan Gerard (kloosternaam Petrus, roepnaam Piet) Kreling, sinds 1928 hoogleraar dogmatiek, de voorganger van Edward Schillebeeckx.

Door Peter Nissen

In zijn overdrachtsrede zinspeelde Franses al op de benarde tijden. Het jaar van zijn rectoraat was er een van tegenstellingen: boven alle vreugdevolle gebeurtenissen die er ook waren geweest (hij noemde onder meer de geboorte van prinses Irene), hing ‘den donkeren hemel van een internationale spanning, die zich in de eerste dagen van September ontlaadde in een oorlog.’ Op 1 september 1939 was Duitsland immers Polen binnengevallen: de Tweede Wereldoorlog was begonnen. Tijdens het rectoraat van Kreling viel Duitsland ook Nederland binnen. De oorlog werd alledaagse werkelijkheid, ook voor de universiteit.

Piet Kreling en zijn school

De theoloog Kreling (1888-1973) was, anders dan zijn opvolger Schillebeeckx, niet een man van dikke boeken en internationale publicaties. ‘Ik heb te weinig wat anderen te veel hebben, namelijk ambitie,’ zo zei hij ooit tegen collega-hoogleraar Andries van Melsen. Het overzicht van zijn publicaties in de feestbundel die hem in 1953 bij zijn vijfentwintigjarig hoogleraarschap en zijn vijfenzestigste verjaardag werd aangeboden, begint met de mededeling dat Kreling ‘voornamelijk verdiensten heeft verworven door de vorming van een school.’ Dat blijkt ook wel uit de bijdragen in de door Gerard Brom ingeleide bundel, waarin een keur van onderwerpen uit de theologie aan de orde komt. De kracht van Kreling lag behalve in zijn onderwijs in het schrijven van artikelen, en dat in een helder Nederlands.

Gerard Brom schrijft in de inleiding op de bundel dat Kreling ‘levend Nederlands schrijft zonder omhaal van geleerdheid of overmaat aan abstracties, waar scholastiek gevormde geesten wel eens aan lijden, ook zonder mengelmoes van vreemde woorden, waarmee sommige deelnemers aan een wereldbeweging bijna de indruk geven hun vaderland te vergeten.’ Zes jaar na de dood van Kreling, in 1979, werden zijn belangrijkste artikelen, waaronder een aantal academische redes, gebundeld. Die bundel bevat een door Jan Roes, de directeur van het Katholiek Documentatie Centrum, samengestelde bibliografie van Kreling, en die telt 96 nummers, allemaal artikelen en brochures. Het aantal is trouwens enigszins misleidend, want de grote aantallen artikelen van Kreling in De Katholieke Encyclopaedie (1933-1938: 68 lemmata!) en in het Theologisch Woordenboek (1952-1958) zijn onder verzamelnummers bij elkaar gebracht.

Gerardus Kreling, Nijmegenaar van geboorte en oud-leerling van het Dominicuscollege, trad in bij de dominicanen en kreeg daar de kloosternaam Petrus (naar de heilige dominicaan Petrus van Verona). In de wandeling werd hij Piet genoemd. Hij studeerde na zijn opleiding binnen de orde (filosofie in Zwolle en theologie in Huissen) twee jaar filosofie aan de universiteit van Fribourg in Zwitserland, waar ook zijn Nederlandse medebroeder De Langen Wendels had gestudeerd en inmiddels hoogleraar was (zie het verhaal bij 1927). Toen Kreling in 1918 terugkwam in Nederland, werd hij eerst docent filosofie in Zwolle en daarna docent theologie in Huissen. Ofschoon niet gepromoveerd, werd hij in 1926 benoemd tot hoogleraar filosofie aan de eigen universiteit van de dominicanen in Rome, het Angelicum. Twee jaar later werd hij echter teruggeroepen naar Nederland om in Nijmegen zijn leermeester De Langen Wendels op te volgen, die in januari 1928 aan een longontsteking was overleden. Bij zijn vertrek uit Rome kreeg Kreling van het Angelicum een eredoctoraat. In 1934 zou hem nog de hoge dominicaanse graad van magister worden toegekend, die later ook onder meer de Nijmeegse hoogleraren Schillebeeckx en Van der Ploeg hebben ontvangen.

In de bijna dertig jaar van zijn hoogleraarschap vormde Kreling een hele generatie van theologiedocenten aan seminaries en priesteropleidingen van orden en congregaties in Nederland. Hij stond bekend als een begenadigd docent: helder, zonder retoriek, kritisch en vernieuwend. Frans Haarsma, een van zijn oud-studenten en van 1964 tot 1984 de eerste hoogleraar pastoraaltheologie van Nijmegen, noemt Kreling ‘de man van één boek’. De ene boek was de Summa theologiae van Thomas van Aquino. Vernieuwend aan Kreling was dat hij niet uitging van allerlei latere commentaren op het werk van Thomas, maar terugkeerde naar de tekst zelf. Hij leerde zijn studenten die tekst kritisch te lezen en te analyseren. Daarmee maakte hij de geesten van een hele generatie theologen in Nederland rijp voor de vernieuwing van de theologie in de jaren vijftig en zestig. Zelf voelde hij zich echter te oud om die vernieuwing nog met kracht door te voeren. Hij stond er, zoals Schillebeeckx later over hem schreef, ‘afzijdig sympathiek’ tegenover. Daarom ging hij met vervroegd emeritaat en bepleitte hij zijn opvolging door zijn veelbelovende Vlaamse medebroeder Edward Schillebeeckx (zie het verhaal bij 1957).

Goddelijk geheim

De belangrijkste artikelen van Piet Kreling werden in 1977 gebundeld onder de titel Het goddelijk geheim. Die titel is ontleend aan de diesrede die hij als rector magnificus op 17 oktober 1939 uitsprak: Het goddelijk geheim in de theologie. Die diesrede wordt wel beschouwd als zijn meest fundamentele tekst. Hij bepleitte daarin een rationele benadering van het geloof, maar tegelijk een benadering die ook de grenzen van de rede erkent. Met het eerste verzette hij zich zowel tegen het irrationalisme, vooral het zogenaamde fideïsme, dat geloven beschouwde als een kwestie van gehoorzame onderwerping met uitschakeling van het verstand, maar ook tegen een ver doorgevoerd rationalisme, dat geen openheid meer kent naar het mysterie. Voor Kreling is de menselijke geest het vertrekpunt voor de theologie: het is de mens die over God spreekt. Maar de verstandige mens doet dat vanuit een principiële openheid naar de zich openbarende God, dus naar een God die tot de mens spreekt. Zo bracht Kreling rationaliteit en openbaring bij elkaar. Maar hij deed dat in het besef van het onvermogen van de rede en de menselijke taal om het goddelijk geheim te begrijpen en uit te drukken. De theologie, zo zei hij, moest ‘het goddelijk geheim niet te na willen komen en deemoedig haar ontoereikendheid erkennen.’ Zij was ‘slechts een inzet van de symphonie, waarvan de voltooiing eerst in den hemel zal klinken.’

In zijn diesrede van 1939 is de Zwitserse theoloog Karl Barth, volgens velen de belangrijkste protestantse theoloog van de twintigste eeuw, zijn voornaamste gesprekspartner. Kreling besteedde aandacht aan Karl Barth bijna twee decennia vóór Hans Küng zijn beroemde proefschrift over Barth schreef. Door heel het werk van Kreling loopt trouwens een grote oecumenische belangstelling. Aan de feestbundel die hij in 1953 kreeg aangeboden, werkten ook protestantse theologen mee, evenals oecumenische theologen als zijn Nijmeegse collega Willem van de Pol en Henk van der Linde, die na zijn overgang tot het katholicisme van 1961 tot 1981 hoogleraar oecumene in Nijmegen zou worden. Van 1931 tot 1962 was Kreling een actief lid van de Kring van Katholieke en Protestantse Hoogleraren, die was opgericht door Gerard Brom en de Groningse hoogleraar Gerardus van der Leeuw. Oecumene had zijn hart.

Benarde tijden

Bij de overdracht van het rectoraat in september 1939 sprak Krelings voorganger Franses al over ‘benarde tijden’. Toen Kreling op zijn beurt op 3 september 1940 het rectoraat overdroeg aan Willem Duynstee, ook een pater (namelijk redemptorist), maar hoogleraar proces- en strafrecht (en later rechtsfilosofie) in de juridische faculteit, kon hij daarbij aanknopen. Toen hij aan zijn rectoraat begon, aldus Kreling, hadden ‘de kansberekenaars – iedere volwassen Nederlander deed daaraan mee – nog vrij spel.’ Maar de Duitse inval op 10 mei 1940 had aan de kansberekening een einde gemaakt: ook Nederland werd in de oorlog betrokken. En dat drukte een stempel op de universiteit. Het gewone leven was voorbij.

Dat was eigenlijk al zo in de maanden voorafgaand aan de Duitse inval. Van de studenten werden er 72 gemobiliseerd, van de docenten twee (alleen leken konden gemobiliseerd worden), de hoogleraar psychologie (‘empirische en toegepaste zielkunde’) Theo Rutten en de lector volkskunde Winand Roukens, alsmede drie medewerkers van de universiteitsbibliotheek, de secretaris van het College van Curatoren en (heel lastig voor de rector) de pedel. In zijn rede in september 1940 moest Kreling al melding maken van het overlijden door oorlogshandelingen van acht studenten en oud-studenten.

Ondernam de universiteit nog iets bijzonders in die benarde tijden? Ja zeker: in het najaar van 1939 en het voorjaar van 1940 organiseerde zij een reeks van negen lezingen van theologen en filosofen voor breed publiek over de menselijke waardigheid. De lezingen vonden plaats op vrijdagmiddag tussen twee en drie uur in wat ‘de kleine aula’ heette, het allereerste aulagebouw aan het Keizer Karelplein, dat in 1931 concurrentie had gekregen van de nieuwe aula (inmiddels ook al oud-aula) aan de Wilhelminasingel. Prominente professoren als Bellon, Mulders, Sassen, Kors, Jansen en Kreling zelf belichtten aspecten van het mensbeeld vanuit verschillende bronnen. De missioloog Mulders (zie over hem het verhaal bij 1948) besprak expliciet het thema ‘christendom en rassenwaan’. In zijn overdrachtsrede meldde Kreling dat de lezingen door tachtig tot honderd mensen werden bijgewoond, en het publiek bestond voor het grootste deel uit vrouwelijke toehoorders. De lezingen vonden plaats van 3 november 1939 tot en met 8 maart 1940. Goed twee maanden later vielen de Duitsers ons land binnen: de menselijke waardigheid zou op grote schaal geschonden worden.


thumbnail_A0F5BA4C-CCB5-449C-8CF8-D4BC9B1E0C30

Piet Kreling

Theologen en filosofen als rectoren

De ene theoloog droeg in 1939 bij de opening van het academisch jaar het rectoraat van de universiteit over aan de andere. Tot de bestuurlijke hervormingen aan het eind van de jaren zestig was het rectorschap van de universiteit een functie die jaarlijks wisselde. In de eerste 45 jaren van de Nijmeegse universiteit zijn er dus ook 45 rectores magnifici geweest. Daarvan waren er dertien hoogleraar in de theologische faculteit. Vooral in de eerste twee decennia waren de theologen sterk vertegenwoordigd onder de rectoren: Kreling was de zeventiende rector magnificus en de negende theoloog in het rijtje. Zijn beide voorgangers waren ook theologen: de al genoemde Franses en de godsdienstwetenschapper Karel Bellon (zie over hem het verhaal van 1928).

Minder prominent

In de tweede helft van de geschiedenis van de universiteit zijn de theologen veel minder prominent vertegenwoordigd. Voor de laatste theoloog die rector was, moeten we 33 jaar terug: de Bijbelwetenschapper Bas van Iersel was rector van 1987 tot 1990. Voor de laatste filosoof moeten we nog veel verder terug: de laatste wijsgeer die als rector optrad, was Andries van Melsen in 1955-1956. In de hele eeuw Radboudgeschiedenis zijn slechts drie hoogleraren in de filosofie rector magnificus geweest. Zegt dat iets over de bestuurlijke kwaliteiten van filosofen en theologen, of misschien toch meer over de marginale positie die deze vakken kregen in de steeds maar groter en breder wordende universiteit? Ik vermoed toch vooral het laatste.