1937. Wijsbegeerte op Vondelstraat 1

Datum bericht: 17 januari 2023

Een paar kamertjes met enkele boekenkasten en tafels waaraan studenten konden zitten als ze studeerden of colleges volgden, dit was waar de studie Wijsbegeerte in 1923 mee begon. Meer was niet nodig: er waren maar een handjevol studenten en enkele hoogleraren, die ook nog eens veel thuis werkten. De drie faculteiten, Theologie, Rechten, en Letteren en Wijsbegeerte, waren ondergebracht in een voormalig wijnpakhuis op Muchterstraat 32. Al snel bleek dit echter te klein om alle studies te huisvesten. Daarom werd de sigarenfabriek van Jan Lijsen, op Muchterstraat 28, aangekocht. Toen ook deze huisvesting onvoldoende bleek, verhuisde de wijsbegeerte in 1937 naar het pand op Vondelstraat 1.

Door Mirte Debats

Toen de universiteit in 1923 net was opgericht, had ze nog weinig middelen tot haar beschikking. Wat ze had, kwam van kleine collectes. Er was nog geen sprake van sponsoren of subsidies. Dit was ook niet nodig, omdat ze slechts drie faculteiten huisvestte: Theologie, Rechten, en Letteren en Wijsbegeerte. Ondanks haar schaarse middelen, slaagde de Sint. Radboudstichting erin om drie gebouwen te kopen. Het hoofdgebouw werd een pand in neorenaissance-stijl aan het Keizer Karelplein, waar tegenwoordig het ABN-AMRO gebouw staat en waar, voor de oplettende wandelaar, een plakkaat op de grond herinnert aan de geschiedenis van deze plek. In de buurt van dit pand was niets beschikbaar, waardoor de universiteit moest uitwijken naar de Benedenstad van Nijmegen. Hier kocht ze een oud gebouw van de Nijmeegse Bankvereniging op de Platenmakerstraat, die doorliep in de Snijderstraat. Dit werd de huisvesting van een bibliotheek met een leeszaal en een boekenmagazijn. Als derde werd het voormalige wijnpakhuis op de Muchterstraat 32 aangekocht. Dit pand grensde aan de achterkant van de universiteitsbibliotheek en werd de huisvesting voor de drie faculteiten. Elke studierichting beschikte in dit gebouw over één, hooguit twee kamers.

Krap bij kas en krap in ruimte

Al snel bleek de huisvesting onvoldoende. Er was te weinig ruimte voor de boeken in de bibliotheek, waardoor tienduizenden werken onuitgepakt in chaotische stapels in lokalen moesten worden opgeslagen. Daarnaast was er te weinig studieruimte voor de faculteiten. Als hoogleraren college gaven, was het voor studenten niet mogelijk om te komen studeren. Daarom zocht de Sint Radboudstichting naar uitbreiding. De gemeente Nijmegen bood haar de optie aan om een terrein op de Wedren te kopen. Vooral hoogleraar Titus Brandsma was gecharmeerd van dit idee, omdat het de kans bood op groei op de lange termijn en op de bouw van panden die de hele universiteit op één terrein kon huisvesten. De autodidactische architect M.H.W.J. van Ooijen ging aan de slag. Hij kwam tot de conclusie dat de verbouwingen in de Benedenstad veel te duur zouden worden voor een huisvesting die slechts tijdelijk zou zijn en adviseerde nieuwbouw op de Wedren. Bij nader inzien zou de nieuwbouw echter duurder uitpakken dan gedacht, waardoor toch de optie van verbouwing aan de Snijderstraat werd gekozen. Omdat de universiteit de kans op een universiteitscomplex echter niet wilde laten lopen, werd de Wedren in 1928 alsnog aangekocht. In plaats van een gebouw dat de hele universiteit zou omvatten, werd er slechts een aula gebouwd.

De verbouwingen in de Benedenstad konden beginnen. Voor de bibliotheek werd een brandvrij boekenmagazijn gebouwd aan de Snijderstraat, naast het oude bankgebouw. Voor de studierichtingen werden de oude sigarenfabriek van Jan Lijsen op Muchterstraat 28 en het verenigingsgebouw van de christelijke arbeidersbeweging op Snijderstraat 4 gekocht. Om alles op elkaar te laten aansluiten was er een verbouwing nodig, die door Van Ooijen werd ontworpen. Hij maakte een plan om het allegaartje aan gebouwen te verbinden, waardoor ‘een doolhof van gangen en trapjes, een wonderlijke verzameling vertrekken’ ontstond.

Intrek in de Vondelstraat

Tot 1937 waren de studierichtingen Wijsbegeerte, Opvoedkunde, en Zielkunde, die allemaal onder de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte vielen, gehuisvest in dit gebouwencomplex aan de Snijderstraat-Muchterstraat. Toentertijd was de psychologie, toen nog zielkunde, een onderdeel van de wijsbegeerte. Studenten Wijsbegeerte kregen colleges in de psychologie, en de studie Psychologie bestond nog grotendeels uit wijsgerige vakken. Dit waren de vakken geschiedenis van de Griekse en Romeinse wijsbegeerte, inleiding tot de wijsbegeerte, logica, metafysica en ethiek, en geschiedenis van de middeleeuwse wijsbegeerte. (Zie bijdrage over Frits Buytendijk, 1952

De huisvesting was zo beperkt dat het jaarboek van de Sint Radboudstichting haar beschreef als ‘vertrekken, die men uit beleefdheid een laboratorium zou kunnen noemen’. Door het toenemende studentenaantal bij Psychologie was er nood aan een goede wetenschappelijke vorming met praktische oefeningen, wat het gebouw niet kon faciliteren. Daarom gingen de Sint Radboudstichting en het College van Curatoren op zoek naar een geschikter pand.

Ze vonden de vrijstaande villa op Vondelstraat 1 op de hoek van de Van Schaeck Mathonsingel. Het pand stond al geruime tijd leeg en was daarom relatief goedkoop. Hoogleraar Empirische Zielkunde Theo Rutten en curator J.P.A. Hoefnagels kregen het voor elkaar om het pand van de succesvolle wasmiddelfabrikantenfamilie Dobbelmann te kopen. Het gebouw was kort voor de eeuwwisseling voor de familie gebouwd en droeg de naam ‘Mary’s Home’. In het trappenhuis bevond zich een schildering van koning Arthur met zijn zwaard Excalibur, van de hand van kunstenaar Piet Gerrits. Hierop baseerde de vereniging van de psychologiestudenten hun naam: Excalibur. Daarnaast was de Sint Radboudstichting trots op de ‘bijzondere geschiedkundige herinnering’ van het gebouw. In 1925 hadden de Belgische kardinaal Désiré-Joseph Mercier en de Duitse kardinaal Michael von Faulhaber elkaar namelijk voor het eerst sinds de Eerste Wereldoorlog op de Vondelstraat 1 ontmoet tijdens de Canisiusfeesten.

De studenten verhuisden alle spullen zelf en sjouwden met stoelen, tafels, boeken en instrumenten van de Muchterstraat naar de Vondelstraat. Allemaal met de benenwagen, want ze hadden geen auto’s tot hun beschikking. Toen bisschop Arnold Diepen van Den Bosch het psychologisch laboratorium kwam inzegenen, werd het contrast tussen de rijke villa waarin ze zich bevonden en de arme studenten die zich erin huisvestten duidelijk: ‘Iemand bracht een kopje mee, met een barst erin, een ander kwam met een paar lepeltjes.’ Tijdens de verhuizing werd het psychologisch laboratorium ingericht met een collegezaal, een instituutsbibliotheek en een practicumruimte voor onderzoek in de algemene zielkunde en kinderpsychologie. De hele eerste verdieping van het gebouw was gereserveerd voor de empirische psychologie, met verschillende observatieruimtes waar studenten ongezien het gedrag van kinderen, volwassenen en dieren konden observeren en waar ruimte was voor foto- en filmopnames. Naast deze observatieruimtes bevond zich de practicumruimte waar zich een deel van het instrumentarium bevond om proeven te kunnen doen. Deze ruimte was voorzien van een bijzondere zwakstroominstallatie. Verder bevonden zich op die verdieping de vertrekken van de student-assistent, de psychotechniek en de directeur.

Vlammen in de Vondelstraat

Het gebouw stond een duistere toekomst te wachten. Niet lang nadat het pand gekocht en bemeubeld was, moest het in 1943 de deuren sluiten, onder druk van de bezetters. De Sint Radboudstichting werd namelijk verplicht om al haar studenten een loyaliteitsverklaring te laten tekenen. Om dit te ontwijken sloot ze de deuren van de universiteit en kwam Vondelstraat 1 leeg te staan. Net zoals het hoofdgebouw aan het Keizer Karelplein en de universiteitsbibliotheek ontkwam ook het instituut voor wijsbegeerte en opvoedkunde met het psychologisch laboratorium niet aan het oorlogsgeweld. De gebouwen hadden het bombardement van februari 1944 overleefd, maar werden in september van datzelfde jaar opzettelijk in brand gestoken door terugtrekkende Duitse troepen. In de Vondelstraat verbrandden stuk voor stuk alle boeken, tijdschriften, instrumenten en al het studiemateriaal. Er bleef slechts nog een stuk buitenmuur overeind.

Nieuw onderdak voor de wijsbegeerte

Hoe nu verder met de huisvesting van de universiteit? In het naoorlogse Nijmegen, dat afgebrand was, in puin lag en kampte met een grote woningnood, was het moeilijk om aan panden te komen. Hele straten waren verdwenen. Vierduizend woningen – twintig procent van alle woningen – waren onbruikbaar geworden. Toch kreeg de universiteit dankzij haar connecties en goede relaties in 1945 de kans om villa Stella Maris aan de Van Schaeck Mathonsingel te betrekken. Daar werden instituten, zoals de wijsbegeerte, ondergebracht. Dit was echter tijdelijk, want in 1948 werd de wijsbegeerte ondergebracht op de Berg en Dalseweg. Deze huisvestingen waren verre van ideaal. De panden waren te klein en door groeiende studentenaantallen kwam er steeds meer plaatsgebrek, waardoor studenten nauwelijks ruimte hadden om te studeren en collegezalen overvol zaten. Door de woningschaarste had de universiteit geen kans om meer gebouwen te kopen, dus moesten er andere oplossingen gezocht worden. Zo werden tafels ingeruild voor schrijfplankjes, die aan stoelen werden bevestigd, en werden docenten aangespoord om buiten de piekuren (10.00-12.00 uur en 15.00-17.00 uur) les te geven. Daarnaast werd er nog steeds lesgegeven in de beschadigde gebouwen in de Benedenstad, hoewel de universiteit deze liever kwijt dan rijk was. Noodgedwongen moest ze kopen wat ze kopen kon, wat resulteerde in een twintigtal losse gebouwen, verspreid over heel Nijmegen.

Nieuwe kansen

Dit zou echter niet lang duren. In het voorjaar van 1947 gaf de Sint Radboudstichting een commissie onder leiding van architect Granpré Molière opdracht om de mogelijkheden te onderzoeken. Aan het eind van dat jaar publiceerde de commissie een rapport, waarin werd gepleit voor een vestiging van de nieuwe universiteit op het Galgenveld en het landgoed Heyendael. Dit advies wilde de Sint Radboudstichting opvolgen. In het rapport staat de beoogde toekomst van de universiteit als volgt beschreven: ‘Het is ons dus te doen om het huis van de universiteit. Het gaat dus om een gebouwencomplex, misschien wel een gebouwenwijk, maar dit doet niets af van het feit, dat het hier een eenheid blijft gelden, een eenheid die zich naar buiten zal moeten demonstreren in een Hoofdgebouw met Aula en Bibliotheek, terwijl een Universiteitskapel de eenheid van ons Geloven en Weten zal moeten betekenen. (…) En dat het streven om de Universiteit voor een deel in de binnenstad en voor een deel zo dicht mogelijk grenzend aan de binnenstad onder te brengen alleen maar kan leiden tot een hopeloze decentralisatie en versnippering.’

Dankzij geldinzamelingen in binnen- en buitenland voor de wederopbouwplannen van de universiteit kon ze gaan uitbreiden. Zo ontving de universiteit een som van tienduizend dollar van het Vaticaan. Daarnaast werden er in de Verenigde Staten acties gevoerd om geld op te halen door het American Committee to Aid the University of Nijmegen om de universiteit te herbouwen als een ‘permanent memorial to the European war dead of the U.S. 82nd Airborne Division’, die Nijmegen van de bezetters had bevrijd.

Er lagen echter obstakels op de weg naar de realisatie van dit idee. Vanuit de Academische Senaat kwam er weerstand, omdat sommige hoogleraren het landgoed Heyendael, dat nog van de familie Jurgens moest worden gekocht, veel te ver buiten de stad vonden liggen. Uiteindelijk werd besloten om de universiteit wel naar het landgoed Heyendael te verhuizen, om de droom van één groot universiteitscomplex te kunnen realiseren. In 1949 werd het noordelijke gedeelte van het landgoed gekocht. De volgende stap werd in 1953 gezet, toen de Sint Radboudstichting een terrein op het Galgenveld van de gemeente Nijmegen kocht. Dit werd echter in 1958 weer terug aan de gemeente verkocht, omdat de familie Jurgens bereid was om de rest van het landgoed Heyendael te verkopen. Nu herinneren slechts nog enkele straatnamen in de zogenaamde professorenbuurt aan de plannen die de universiteit toen voor het Galgenveld heeft gehad. Zo kwamen stukje bij beetje de ontwikkelingen op gang die zouden leiden tot de campus die we vandaag de dag kennen.

Bibliografie

Abma, Ruud. 1983. Methodisch zonder confessie: Uit de geschiedenis van de Nijmeegse psychologie. Nijmegen: Psychologisch Laboratorium KUN.

Brabers, Jan. 1998. Proeven van eigen cultuur: Vijfenzeventig jaar Katholieke universiteit Nijmegen 1923-1998. Deel 1: 1923-1960. Nijmegen: Valkhof Pers.

—. 2019. "Sporen van de Radboud Universiteit tijdens de bevrijding." Radboud Universiteit     Website. Sporen van de Radboud Universiteit tijdens de bevrijding - Radboud Universiteit (ru.nl)

Dam, Yvette en Yvonne Verstappen. 2013. "Instituut voor Wijsbegeerte, Pedagogiek en Psychologie." Huis van de Nijmeegse Geschiedenis. Instituut voor Wijsbegeerte, Pedagogiek en  Psychologie. - Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Mes, Wim en Theo Reul en Jan Roes en Hans de Valk. 1974. Exfoto: Een halve eeuw Katholieke Universiteit Nijmegen in beeld. Bilthoven: Amboboeken.

Van Rijn. 1994. "De huisvesting van de R.K. universiteit in de eerste vijfentwintig jaren van haar  bestaan. " Uit Jaarboek 1994 van Numaga, 135-153.

Wolf, Rob. 1998. De trek naar het zuiden: gebouwen van de Katholieke Universiteit Nijmegen 1923- 1998. Nijmegen: Uitgeverij KU Nijmegen.


vondelstrat

vondelstraatoorlog

De Vondelstraat na de vernietiging in 1944.

Filosofie blijft verhuizen

De filosofie in Nijmegen is door de jaren heen blijven verhuizen: van de Snijder-Muchterstraat naar de Vondelstraat, van de Vondelstraat naar het Stella Maris, van het Stella Maris naar de Belg en Dalseweg, van de Berg en Dalseweg naar de Thomas van Aquinostraat, van de Thomas van Aquinostraat naar het Erasmusgebouw, (en hoogst waarschijnlijk zijn er nog een paar verhuizingen hier en daar waar ik geen weet van heb), en nu moet ze binnenkort weer verhuizen. Gezien alle ontwikkelingen, rampen en verhuizingen die de huisvesting van de filosofie heeft doorgemaakt, is de gedachte, die Marcel Becker neerpent in zijn verhaal over het Erasmusgebouw, (zie verhaal 1994) dat het denken in de filosofische traditie niet afhankelijk is van materie, zeker een troostende gedachte.

1937 Wijsbegeerte gaat in 1948 bergendalseweg

Het gebouw aan de Berg en Dalseweg