1955. Frits van der Meer. De leerstoel van Lent

Datum bericht: 6 februari 2023

In 1955 werd de veelzijdig begaafde priester Frits van der Meer benoemd tot gewoon hoogleraar liturgiewetenschap aan de Nijmeegse theologische faculteit, waar hij al sinds 1939 aan verbonden was. Hij werd tevens hoogleraar kunstgeschiedenis aan de letterenfaculteit. De benoeming was de bevestiging van een loopbaan die toen al indrukwekkend was. Frits van der Meer was de schepper van een omvangrijk en gevarieerd oeuvre. In 1963 zou hij daarvoor de P.C. Hooftprijs, de Nederlandse staatsprijs voor letterkunde, ontvangen. Maar voor zijn collega’s in de theologische faculteit was hij niet altijd de gemakkelijkste.

Door Peter Nissen

In mijn bibliotheek genieten enkele auteurs de eer een eigen plank te hebben. Dat is bijvoorbeeld het geval met de historicus Johan Huizinga en de letterkundige Louis Couperus. Maar de meeste anderen komen toch uit de katholieke cultuurwereld: Gerard Brom, Pieter van der Meer de Walcheren, Anton van Duinkerken en Kees Fens. Een van hen is ook Frits van der Meer. Soms heb je bij die speciale planken een probleem: horen de twee publicaties van Kees Fens over Frits van der Meer nu op de plank Fens of op de plank Van der Meer? Het ene is een door Kees Fens in 1981 samengestelde bloemlezing uit het werk van Frits van der Meer, met de titel Het toneel is in de hemel, uiteraard met een mooie inleiding van Fens zelf, ‘Horen en zien’. Het andere is een bibliofiele uitgave van het herdenkingsartikel dat Fens in de Volkskrant publiceerde bij het overlijden van Frits van der Meer in 1994: De leerstoel in Lent. Die bibliofiele uitgave, Van der Meer en Fens waardig, verscheen bij de Nijmeegse uitgeverij Verzameld Werk in opdracht van Paul Sars en Han Rouwenhorst namens het universitaire programma Zin en Religie (zie het verhaal bij 1987). Ik ben de gelukkige bezitter van het door Fens gesigneerde exemplaar nummer 14.

Verrukkelijke eigenzinnigheid

Frits (Frederik Gerben) van der Meer werd in 1904 in het Friese Bolsward geboren als zoon van een katholieke boekhouder en wethouder, in een beschaafd milieu: ‘Wij waren thuis niet chic maar wel keurig,’ zo beschreef hij het zelf. Hij bezocht het openbaar gymnasium in Sneek, maar toen hij roeping voelde tot het priesterschap, vertrok hij uit eigen beweging naar het kleinseminarie in Culemborg. Die eigenzinnigheid vormt een rode draad door het leven van Frits van der Meer: hij trok altijd zijn eigen plan. Zijn latere collega Jan van Laarhoven, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Nijmeegse theologische faculteit, herdacht hem in het blad De Bazuin van 5 augustus 1994 in een artikel met als kop: ‘De verrukkelijke eigenzinnigheid van Frits van der Meer’. Toen Van der Meer na het grootseminarie op 22 juli 1928 in Utrecht tot priester was gewijd, vertrok hij meteen daarna in zijn eentje naar Laon, want hij wilde de volgende dag zijn eerste mis opdragen in een Franse kathedraal. Een week later vierde hij zijn eerste mis met familie en parochianen thuis in Bolsward, waar hij vervolgens ’s middags met enkele vrienden onaangekondigd de vespers ging zingen in een hervormde kerk. Daarna vertrok hij opnieuw om een kathedralentocht van enkele maanden te maken door Frankrijk en Duitsland. Hij was in Keulen toen hem de benoemingsbrief bereikte tot assistent in de parochie van Oud-Zevenaar.

Zijn verblijf daar duurde niet meer dan twee jaar. In 1931 kreeg Van der Meer zijn gedroomde opdracht: hij mocht christelijke archeologie gaan studeren in Rome. Hij nam daar zijn intrek in het Nederlands College, het Collegio Pontificio Olandese, waar de meeste in Rome studerende Nederlandse priesters woonden. Een van hen was de Bijbelwetenschapper Willem Grossouw, later collega van Van der Meer aan de theologische faculteit in Nijmegen (zie over hem onder meer de verhalen bij 1957 en 1964). Grossouw vertelt in zijn memoires (Alles is van u. Gewijde en profane herinneringen, 1981) dat Van der Meer, die nooit eerder in Rome was geweest, meteen na aankomst (na een reis via Joegoslavië, Roemenië en Istanbul) zijn huisgenoten, die er soms al jaren woonden, meenam voor een excursie door Rome en dat zij van hem veel nieuws leerden! Het was prachtig wat zij onderweg zagen, maar toen Frits van der Meer er bij terugkeer in het Nederlands College voor de achterblijvers over vertelde, werd het nog prachtiger. Hij was een groot stilist, een machtig verteller. Daarvan getuigen ook studenten die later in Nijmegen zijn colleges hebben meegemaakt. ‘Een geniaal artiest en ongelooflijk erudiet’, zo typeert Grossouw Frits van der Meer, maar ook ‘een excentrieke knaap’.

Naar Nijmegen en Lent

In 1934 promoveerde Frits van der Meer in Rome maxima cum laude (met de hoogste onderscheiding) op een proefschrift over de beelden uit het Bijbelboek Openbaring in de christelijke kunst. Het verscheen vier jaar later in druk, in het Frans. Van der Meer bleef door het thema geboeid: veertig jaar later, in 1978, verzorgde hij er voor het Mercatorfonds in Antwerpen nog een prachtboek over, Apocalypse.

Opnieuw maakte Van der Meer een grote reis door het Middellandse Zeegebied, om vervolgens in 1935 kapelaan te worden in een arbeiderswijk in Hilversum. De intellectueel en estheet deed het daar wonderwel goed. Hij die later een strijdbaar voorstander was van het behoud van het Latijn als liturgische taal, verzorgde in de jaren dertig, toen dat nog geenszins gebruikelijk was, in de arbeidersparochie met speciaal verlof doop- en uitvaartvieringen in het Nederlands.

In 1939 kwam Frits van der Meer naar Nijmegen. Hij werd lector aan de theologische faculteit in de christelijke archeologie en liturgie, en daarmee werd na negen jaar eindelijk de vacature opgevuld die was ontstaan door het vertrek van Anton Baumstark in 1930 (zie het verhaal bij 1925; in de tussenliggende jaren had Piet Kreling, zie het verhaal bij 1939, de colleges over liturgie verzorgd). In 1946 werd het lectoraat omgezet in een buitengewoon hoogleraarschap en kreeg Van der Meer bovendien een leeropdracht voor de oudchristelijke kunst en de kunst van de middeleeuwen in de letterenfaculteit. In november 1955 werd dan dit buitengewoon hoogleraarschap omgezet in een gewoon hoogleraarschap voor schoonheidsleer en kunstgeschiedenis bij de Letteren. Tegelijk behield hij zijn leeropdracht in de theologische faculteit. Voortaan hoorde hij helemaal bij Nijmegen. Hij zou er ook blijven tot zijn emeritaat in 1974, vijfendertig jaar dus.

Waar hij ook zou blijven, zelfs tot het einde van zijn leven, was in Lent. Daar had hij meteen in 1939 zijn intrek genomen in een klooster van Duitse zusters franciscanessen (van de congregatie van Waltbreitbach) in Lent, later een bejaardenhuis. Nijmegen hoorde (en hoort nog steeds) tot het bisdom ’s-Hertogenbosch en Lent hoorde bij het aartsbisdom Utrecht: zo kon Van der Meer toch blijven wonen in het bisdom waar hij als priester toe behoorde. Er werd ook gezegd dat hij geen hoge pet op had van de toenmalige bisschop van ’s-Hertogenbosch en daarom niet in diens bisdom wilde wonen.

Priester bleef hij, en bijna tot het laatst bleef hij bij de zusters elke dag de mis opdragen. Zijn collega en vriend Grossouw moest het priesterschap neerleggen toen hij in 1969 met de secretaresse van de theologische faculteit trouwde. Zij werden dorpsgenoten, want ook Grossouw vestigde zich met zijn echtgenote in Lent. Maar Van der Meer liet toen een andere kant zien: jarenlang negeerde hij Grossouw, zelfs bij toevallige ontmoetingen in het dorp. Het deed Grossouw veel verdriet. Bij het vijfentwintigjarig priesterfeest van Grossouw in 1955 had Frits van der Meer nog een lovend artikel over hem geschreven in het dagblad De Tijd. Pas toen zijn vrouw overleden was (zij overleed jong aan kanker en Grossouw bleef met twee kleine kinderen achter), gaf Van der Meer hem weer een hand. ‘De dood had het huwelijk ontbonden,’ aldus Grossouw in zijn memoires, maar ‘echt goed is het tussen Frits en mij niet meer geworden.’

Veelzijdig oeuvre

In 1963 ontving Frits van der Meer, als derde hoogleraar van de Nijmeegse universiteit, de P.C. Hooftprijs, de Nederlandse staatsprijs voor letterkunde; de andere twee waren de historicus L.J. Rogier en de letterkundige Anton van Duinkerken (Willem Asselbergs). In 1950 was hij al, als een van de weinige katholieke geleerden, lid geworden van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen; hij was daar toen ook nog eens het jongste lid. In 1980 ontving hij de Karel de Groteprijs van de stad Nijmegen.

Het zijn allemaal onderscheidingen die te maken hebben met het veelzijdige oeuvre dat Frits van der Meer tot stand heeft gebracht. De lijst van zijn geschriften telt 196 nummers. ‘Dat is mijn roeping. Ik moet niet chaufferen, niet tennissen, niet het nieuws volgen. Ik moet schrijven,’ zo zei Van der Meer in 1981 in een interview. Maar zijn oeuvre is niet alleen omvangrijk, het getuigt ook, aldus Kees Fens (en die kon het weten), van een briljante stijl. Zijn boeken bestrijken een breed terrein. Centraal staat uiteraard de vroegchristelijke en middeleeuwse religieuze kunst. In Geschiedenis eener kathedraal (1940), Keerpunt der middeleeuwen (1950), Chartres (1951) en Onbekende kathedralen in Frankrijk (1967) schreef hij over zijn grote liefde: de Franse kathedralen en de overgang van de romaanse naar de gotische bouwstijl. Over het ontstaan van een eigen christelijke kunststijl schreef hij in Christus’ oudste gewaad (1949) en De oudchristelijke kunst (1959, vertaald in het Duits en Engels). Beroemd waren ook zijn cultuurhistorische atlassen: Atlas der westerse beschaving (1951), Atlas van de oudchristelijke wereld (1958, samen met Christine Mohrmann), allebei in het Frans, Duits en Engels vertaald, Kleine atlas der westerse beschaving (1965) en zijn in het Frans verschenen Atlas de l’ordre cistercien (1965).

Van heel andere orde waren zijn vaak herdrukte Catechismus (1941), een inleiding in het christelijk geloof, en zijn boek Augustinus de zielzorger (1947), over de preken van Augustinus, ook herdrukt en in vier talen vertaald. Daarnaast publiceerde hij kleine meer autobiografische boeken, bijvoorbeeld Praeses van Schaik (1943), over zijn kleinseminarietijd, en De kleine stad (1977), over het Bolsward waar hij opgroeide. Heel fijnzinnig is zijn essay Paasmorgen (1959), opgebouwd rond een Paasicoon en een altaarluik van Rogier van der Weyden. Kerkhistoricus Jan van Laarhoven vertelde in zijn herdenkingsartikel over Van der Meer dat hij het elk jaar in de Paasnacht herlas. Her en der publiceerde Frits van der Meer ook beschouwingen over andere liturgische feesten. Zij werden na zijn overlijden op 19 juli 1994 door twee oud-studenten gebundeld onder de titel Feestelijke gedachtenis. Beschouwingen over het kerkelijk jaar en uitgegeven door de SUN, ooit de Socialistische Uitgeverij Nijmegen.

Onaangenaam

Frits van der Meer kon een groot oeuvre opbouwen omdat hij er ook alle tijd voor nam. Vergaderingen bezocht hij zelden of nooit en aan bestuurlijke taken binnen en buiten de universiteit wist hij zich altijd te onttrekken. Dat vond hij tijdverspilling. Liever las en schreef hij boeken. Kees Fens bezocht hem ooit terwijl hij het complete werk van de verlichte Franse filosoof Voltaire aan het lezen was: ‘Het was natuurlijk een boef, maar hij schrijft schitterend.’

Voor collega’s, studenten en huisgenoten was Van der Meer niet altijd gemakkelijk in de omgang. Toen een zuster eens naar zijn zin te lang bezig was met stofzuigen en daar na herhaalde verzoeken niet mee wilde ophouden, nam Van der Meer de stofzuiger in handen en smeet het apparaat door het geopende venster naar buiten. Onder de studenten kregen alleen de uitblinkers zijn aandacht. In een interview dat Joos Florquin in 1973 voor de Vlaamse televisie bij hem thuis in Lent opnam, zei hij over de studenten: ‘Hun manieren zijn slecht geworden en dat is de schuld van het onderwijs en de opvoeding.’ In de vijfendertig jaar dat hij aan de universiteit verbonden is geweest, is Van der Meer maar drie keer als promotor opgetreden, waaronder bij zijn opvolger als hoogleraar kunstgeschiedenis Cees Peeters.

Zoals over meer hoogleraren van zijn generatie deden ook over Van der Meer verschillende anekdotes de ronde. Zo wordt verteld dat hij bij de studenten kunstgeschiedenis alleen iets van de mannen verwachtte. Hij begon zijn colleges dan ook altijd met alleen de ‘heren’ welkom te heten. De mannelijke studenten besloten op een gegeven dag om solidair te zijn met hun vrouwelijke studiegenoten: ze bleven allemaal weg bij het college, om te zien hoe Van der Meer de studenten, nu alleen vrouwen, zou begroeten. Van der Meer kwam de collegezaal binnen, keek rond, zei ‘Ik zie dat er vandaag niemand is’,  en vertrok weer. Hij zou er in onze dagen voor aan de universitaire schandpaal geslagen worden, en terecht. Of de anekdote waarheidsgetrouw is, valt niet uit te maken. In het boek over professorenanekdotes ‘Hier pleeg ik een grap te vertellen’ schrijven de auteurs Jean-Marie Dubelaar en Antoon Erftemeijer precies hetzelfde verhaal toe aan een Delftse hoogleraar in de metaalkunde.

Groot kenner en minnaar van de christelijke traditie als hij was, had Van der Meer enorme moeite met de kerkelijke, theologische en liturgische vernieuwingen rond en na het Tweede Vaticaans Concilie. In 1973 publiceerde hij een vlijmscherp pamflet tegen de vernieuwingen, Open brief over geloof en eredienst. Het werd in 1975 beantwoord door de dominicaan Ad Willems, vanaf 1970 lector en vanaf 1980 hoogleraar dogmatische theologie aan dezelfde faculteit, met een Open brief aan de vrienden die toch willen geloven, waarin Willems op milde toon verantwoording aflegde voor de vernieuwing van kerk en theologie en de noodzaak ervan beargumenteerde. Maar mildheid was doorgaans niet aan Van der Meer besteed.

Leven in het licht

In de jaren zeventig ging Frits van der Meer een nieuw talent ontwikkelen, eigenlijk een oude liefde: hij ging, net als zijn enige zus, die karmelietes was, iconen schilderen. Zijn appartement in Lent hing er vol mee. Het was zijn wereld, de wereld van het geleefde geloof, dat in de christelijke kunst, in de iconen en in de liturgie zichtbaar werd. Zijn interview met Joos Florquin in 1973 eindigde met het getuigenis dat geloven ‘leven in het licht’ is: ‘Dat is het ware geloof. Probeer het maar: zolang als u in het licht blijft, bent u in de dag. En dat is de dag van God.’

Aartsbisschop kardinaal de Jong zou ooit over zijn priester Frits van der Meer gezegd hebben: “Het is goed dat we er zo een hebben, maar het is ook goed dat we er maar één hebben.’ Menige collega in faculteit en universiteit zou het beaamd hebben.


Laar,_L.J.M._van_-_Meer,_prof._van_der_-_SFA008007298 (1)

Van der Meer (links) ontvangt de P.C Hooftprijs uit handen van Staatssecretaris van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen Louis van der Laar.

Ook van Frits van der Meer is er een biografie bij het Huygens Instituut.

Frits van der Meer was een kleurrijk figuur. Hieronder een passage uit 'Huis van de Nijmeegse geschiedenis'.

Van der Meer, niet alleen kunstliefhebber, maar zelf ook een begenadigd tekenaar, is een wat excentrieke persoon. Ofschoon hij priester is, draagt hij liever geen priestergewaden, maar donkere overhemden en corduroy colbertjasjes, waarin steevast een portefeuille zit vol foto's en fiches. Hij vertelt graag anekdotes en neuriet te pas en te onpas kerkgezangen. Zijn colleges geeft hij meestal aan kleine groepen studenten. Hij houdt er niet van voor grote groepen te spreken. Het verhaal gaat dat hij voor de Sint Adelbert Vereniging wel een lezing wil houden, maar dan alleen voor het bestuur. Hij doorrijgt zijn colleges met uitroepen als 'admirabel', 'superbe', 'afschuwelijk' of 'ordinair' – onderwijl naar buiten kijkend: 'wat een mooie hemel buiten.

Hierbij het interview van Joos Froquin met Frits van der Meer met als titel: 'Prof. dr. Frits van der Meer. Schoolstraat 1, Lent (Nijmegen) - Nederland.