1996. Theologie > Religiewetenschappen > Filosofie: Jean-Pierre Wils als belichaming van FTR

Datum bericht: 16 maart 2023

In september 1996 werd Jean-Pierre Wils benoemd als hoogleraar theologische ethiek. In 2006 werd hij als de eerste – en overigens ook als de laatste – decaan van de nieuw opgerichte Faculteit der Religiewetenschappen. In 2011 werd hij de opvolger van Machiel Karskens als hoogleraar sociaal-politieke filosofie. Daarmee is hij de enige hoogleraar wiens leeropdrachten alle drie de disciplines van FTR hebben afgedekt. Een goede reden om hem te interviewen.

Door Christoph Lüthy & Mirte Debats

Volgens Jean-Pierre Wils bestaat er weliswaar een zekere overeenkomst tussen zijn biografische ontwikkeling en de ontwikkeling van de identiteit van de huidige Faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen. Maar er zijn ook onderliggende constanten, want de filosofie bedreef hij al toen hij nog theoloog was. ‘Ik heb tijdens mijn studie voornamelijk filosofisch gewerkt. En verder zijn er ook al vroeg religiewetenschappelijke belangstellingen ontstaan. De behoefte om te ontsnappen aan het keurslijf van de theologische dogmatiek en instituties was er overigens vanaf het begin.’

Tübingen als intellectueel doopvont

Uit België afkomstig, had Wils eerst in Leuven gestudeerd, maar dankzij de ontmoeting met zijn huidige vrouw vond zijn verdere intellectuele Werdegang geheel in Duitsland plaats. Het was in Tübingen waar hij in 1981 afstudeerde, in 1987 in de theologie promoveerde en zich in 1990, op vrij jonge leeftijd, habiliteerde. Reeds in 1980 werd hij aldaar getuige van de spanningen die intrinsiek bestaan tussen de katholieke theologie als wetenschappelijk vak en haar rol als de dienares van de Kerk. Als jonge student-assistent van de vermaarde Hans Küng (1928-2021) maakte hij het hoogtepunt van diens conflict met de Katholieke Kerk van dichtbij mee. Vanwege zijn leermeningen en met name zijn boek over de pauselijk onfeilbaarheid – werd Küng in 1980 door de Duitse bisschoppenconferentie de leerbevoegdheid ontnomen, waardoor hij de theologische faculteit moest verlaten. De theologiestudenten, maar vooral de hoogleraren waren toen verdeeld in twee kampen, pro en contra Küng. Küng was al jarenlang directeur van een zeer gerenommeerd instituut voor oecumenische theologie en ging zich nu nog sterker toeleggen op de studie van de wereldreligies.

Dat de Kerk de wetenschappelijke vrijheid van universitaire theologen kan beperken is, volgens Wils, een verschijnsel waarmee ook de Nijmeegse Theologische Faculteit door haar 100-jarige geschiedenis herhaaldelijk in aanraking is gekomen. In onze bijdrage over Ferdinand Sassen (1932) zien we daar een vroeg voorbeeld van; de twee bijdragen over Edward Schillebeeckx (1957 en 2010) bespreken de meningsverschillen tussen deze befaamde Nijmeegse hoogleraar en de Kerk, die herhaaldelijk ook richting leerverbod dreigden te ontaarden.

Na vele jaren in het ‘intensief intellectuele klimaat’ van Tübingen – ‘deze tijd heeft mij gevormd’ – begon Wils’ academische Wanderzeit: met een ‘Werner Heisenberg-Stipendium der Deutschen Forschungsgemeinschaft’ voor gehabiliteerden, als Humboldt-hoogleraar voor filosofie aan de universiteit van Ulm en als leerstoelvervanger in Freiburg, alvorens hij naar Nijmegen werd geroepen. De theologische faculteit in Nijmegen had een goede naam; er werd een vaste baan aangeboden; en bovendien ligt Nijmegen aan de grens met Duitsland, dat intussen Wils’ intellectuele heimat was geworden, en niet te ver af van zijn oorspronkelijk vaderland, België, waarmee hij naar eigen zeggen nog steeds een ‘muzikale band’ heeft.

Aankomst in Nijmegen

Wils beschrijft zijn eerste indruk van de Nijmeegse theologische faculteit als een omgeving met een uiterst amicale sfeer, een warme manier van omgang met elkaar, maar ook een faculteit in crisis, van aftakeling en van nood, nadat de theologie na de jaren 1960 en 1970 bijna geïmplodeerd was. Het was kortom een ‘faculteit die een overlevingsstrijd voerde’. In 1989 schreven zich bijvoorbeeld slechts zeven studenten in voor de opleiding theologie.

Een mogelijkheid om de theologie tenminste qua studentinstroom boven water te houden was door de religiewetenschappelijke vakken uit te bouwen. Deze oplossing, alsmede de moeilijkheid om de religiewetenschappelijke vakken bij theologie onder te brengen, wordt onder andere in de artikelen over 1989 (‘Ontwikkeling van Religiestudies’) en over 2007 (‘Op weg naar het wonderbaarlijke ontstaan van de faculteit FTR’) in detail besproken. In 2006 werd ervoor gekozen om de religiewetenschappelijke vakken, die tevoren in een ‘interfacultair domein’ een merkwaardige status hadden verkeerd, in een eigen faculteit te plaatsen. Deze Faculteit Religiewetenschappen kreeg haar eigen decaan: Jean-Pierre Wils. Wils was de eerste, maar ook de laatste en dus enige decaan van deze faculteit. De faculteit werd namelijk per september 2010 inofficieel, en per januari 2011 officieel, een integraal onderdeel van de nieuwe Faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen.

Decaan Religiewetenschappen

Wils kijkt met tevredenheid en trots terug op de ontwikkeling van een gloednieuw curriculum voor religiewetenschappen, waar hij als decaan hard aan gewerkt heeft. Dit werd toen bottom-up gedaan, en omdat deze samenwerking een positieve sfeer creëerde, lukte dit binnen een half jaar. De meest opvallende versterking van de Faculteit Religiewetenschappen kwam door de ‘acquisitie’ van de afdeling Islam en Arabisch. De Faculteit Letteren had besloten om deze afdeling te liquideren, omdat de studentenaantallen tegenvielen. Dit besluit werd landelijk niet begrepen. Het ging immers om een internationaal gerenommeerd instituut en om een befaamde groep wetenschappers op een gebied dat voor Nederland, juist ook in het licht van de nauwe banden met landen als Marokko en Turkije, onmisbaar leek. ‘Ik zag dat als een gouden kans om de geloofwaardigheid van de Faculteit Religiewetenschappen te versterken. Je kunt geen Faculteit Religiewetenschappen hebben waar één van de belangrijkste wereldreligies niet aan bod komt.’ (Zie hierover ook het artikel over 2006: ‘De weg van Islamstudies: Ontheemding, asiel en een nieuw thuis’).

Wils herinnert zich de complexiteit van de decanale taak. Bijna elke medewerker had namelijk een dubbele aanstelling, bij de Faculteit der Theologie en bij de Faculteit Religiewetenschappen, waarbij de hoogleraren tevens twee verschillend gedefinieerde leeropdrachten kregen. Er was elk jaar weer onduidelijkheid over welke publicatie bij welke faculteit moest worden opgegeven. De identiteit van de twee aparte eenheden was daarom nooit helemaal helder. ‘De afstand van religiewetenschappers tot de theologie was overduidelijk.’ aldus Wils, ‘De affiniteit van theologen met religiewetenschappen was niet zo moeilijk, maar omgekeerd vaak wel.’ De problemen hadden overigens niet alleen met inhoudelijke affiniteiten en assymmetrische gevoelens te maken. Bestuurlijk waren de twee kleine faculteiten namelijk in een concurrentiestrijd verwikkeld: ze concurreerde over leerstoelen en financiële middelen.

Reflecterend op zijn periode als decaan denkt Wils dat hij ‘misschien het boegbeeld van het conflict tussen de theologie en de bisschoppen’ is geweest. ‘Dat waren geen persoonlijke conflicten, maar inhoudelijke. Ik pleitte al snel heel sterk voor verzelfstandiging van religiewetenschappen ten overstaande van de theologie. Ik vond die mengeling op den duur onmogelijk.’ Wils’ met enig aplomb bekendgemaakte besluit in januari 2009, om uit de Katholieke Kerk te treden, was waarschijnlijk het meest symbolische moment in dit conflict. De zo genoemde Williamson affaire was de aanleiding voor zijn stap. Richard Williamson, lid van de conservatieve Priesterbroederschap Sint Pius X, was in 1988 tegen de wens van de paus door de emeritus aartsbisschop Marcel Lefebvre tot bisschop geweid en daarna door de Kerk geëxcommuniceerd. Ondanks zijn insubordinatie en zijn antisemitische uitingen werd hij in januari 2009 door paus Benedictus XVI weer tot de Kerk toegelaten. Wils’ reactie daarop past bij het wereldwijde protest dat deze rehabilitatie toen heeft veroorzaakt.

Hoogleraar ‘Ethiek en Cultuurfilosofie’

Intussen is Wils al jaren hoogleraar ‘Ethiek en Cultuurfilosofie’ bij de filosofische tak van de faculteit. De filosofie is niet per se het einde van een intellectuele en emotionele bedevaart. Wils benadrukt dat hij altijd al filosofisch te werk is gegaan, en zich altijd voor de toegepaste ethiek heeft ingezet – misschien een beetje te theologisch voor de filosofen, en te filosofische voor de theologen, maar op een coherente manier, waarbij de theologische stempel in de loop der jaren langzaam steeds meer is verdwenen.

Wils benadrukt in het gesprek de indruk die de felle debatten in het Tübingen van de jaren ‘70 en ’80 op hem hebben gehad. Hoe moest men zich bijvoorbeeld verhouden tot de leden van de linkse terreurgroep RAF, die niet ver daarvandaan in de gevangenis van Stammheim waren opgesloten? De politisering en ideologisering van het discours liet de wijsgerige ethiek voor een paar decennia naar de achtergrond verdwijnen. De overtuiging overheerste immers dat ‘morele problemen er zijn zolang de burgerlijke maatschappij er is. In een ooit rechtvaardige maatschappij, verdwijnen ook de morele problemen.’ In de jaren ’80 begonnen de twijfels aan deze opvatting. Was ideologiekritiek inderdaad de enige taak van de ethiek? Kwamen er niet nieuwe uitdagingen uit de technologische hoek, zoals de genetica; was er niet een ecologische crisis waarop men een antwoord moest zoeken? En zo kwam de wijsgerige ethiek weer op de proppen – en zij deed dat zo overduidelijk dat volgens Wils 15 of 20 jaar lang bijna alle filosofie ethiek was.

Publicaties

Jean-Pierre Wils schrijft vooral in het Duits, en zet zich ook expliciet in voor het behoud van Duits als academische taal – de taal die tot na de Tweede Wereldoorlog ook in Nederland de taal was van het academische leven. Met voldoening wijst hij daarom op de nieuwe Duitstalige minor ‘Leben, Kultur und Krise’ in de verder Engelstalige opleiding ‘Philosophy, Politics and Society’. ‘Internationaliseren’ kan niet alleen ‘verengelsen’ betekenen, vooral niet in een gebouw van waaruit je Duitsland kunt zien.

Wils heeft een indrukwekkende publicatielijst. Opvallend is, dat hij steeds weer nieuwe thema’s aanpakt: subjectiviteit, technologie, esthetica, euthanasie, mildheid, godslastering, suïcide, troost, polarisatie. Volgens Wils is het belangrijk om niet een eigen filosofische positie te ontwikkelen waaruit je dan het gehele universum verklaart vanuit je geleerdenkamer, maar om in beweging te blijven door op de maatschappelijke ontwikkelingen en crises te reageren. ‘Een academisch debat gaat zich op een bepaald moment verzelfstandigen, een eigen leven leiden. Daartegen heb ik altijd geopponeerd en geprobeerd om via belangrijke thema’s mijn eigen ethische positie te ontwikkelen. De wereld om ons heen staat bij wijze van spreken in vuur, dus we moeten interveniëren. Je moet de muren van de toren altijd weer verlaten.’ De tijd die Wils na zijn habilitatie als geestelijk verzorger werkte op een IC in Tübingen heeft hem in de opvatting gesterkt dat het belangrijk is om als ethicus met beide benen in de maatschappij te staan en om in aanraking te komen met de ervaringen en het lijden waarover je schrijft.

Overtuigingen

‘Ik had altijd drie regio’s in mijn intellectuele borst: er was een theologische regio, een regio religiewetenschappen, maar vooral een regio filosofie.’ Emotioneel worden deze drie regio’s door esthetische beleving verbonden, met name door de polyfonie die tussen de 15e en 17e eeuw is ontstaan, en qua gedrag door de poging, om ethisch te leven. Wat betekent dit precies? Volledig kun je je niet onttrekken aan de mores van je eigen tijd, maar een bijdrage kun je toch leveren, in je persoonlijk gedrag en in samenwerking met anderen. Zo was Wils mede-initiator en spreker bij het burgerinitiatief dat het doorgaand verkeer uit Kranenburg, waar hij woont, heeft verwijderd. Ook heeft hij besloten om niet meer te vliegen. ‘Je kunt niet water preken en wijn drinken, je moet proberen om volgens de normen te leven die je academisch verdedigt. Het moet toepasbaar zijn in je eigen omgeving, ethiek en het eigen leven mogen niet te onderscheiden zijn. Universiteiten spelen daar ook een belangrijke rol in.’


foto-prof.-wils_20190301

Jean-Pierre Wils (Duitse wikipedia)

Foto: Ted van Aanholt

Artikelen

Alhoewel Jean-Pierre Wils veel in het Duits geschreven heeft, zijn er een aantal arikelen in het Nederlands van hem op het web te vinden.

'De gevaarlijke romantiek van het verlangen naar gemeenschap' in: Christen Democratische Verkenningen (jaargang 2010, nr 1).

Gevoelens van thuisloosheid, van eenzaamheid of van existentiële vermoeidheid vormen de reële schaduwzijden van modernisering en liberalisering, Deze worden door gemeenschapsdenkers gearticuleerd en als ‘verlangen naar gemeenschap’ samengevat. Maar het is een gevaarlijke misvatting te menen dat hiermee ook een zinnig alternatief geboren wordt, zeker als dit ‘verlangen naar gemeenschap’ zich vertaalt in een misleidende romantische hang naar eenduidige identiteiten en een homogene samenleving met weinig ruimte voor verschillende opvattingen over goed en kwaad.

'Ziekte, hoop en vertrouwen'in: Thijmgenootschap  (jaargang 91, 2003).

De auteur reflecteert op langdurig en zwaar ziek-zijn als een aanslag op het bestaan, een aantasting van het lichaam en niet zelden ook van de geest. ‘Het gelukkige lichaam’, schreef Paul Valéry, ‘heeft geen weet van zijn bestaan’. Het zieke lichaam wèl.