1984. Harm Boukema: een Nijmeegse Wittgenstein?

Datum bericht: 24 maart 2023

In 1984 verscheen Wittgenstein: Sein Leben in Bildern und Texten, samengesteld door Michael Nedo en Michele Ranchetti, met een uitvoerige biografische inleiding van Brian McGuiness. Dit boek gebruikte Harm Boukema, docent hedendaagse filosofiegeschiedenis aan de toenmalige Faculteit der Wijsbegeerte, veelvuldig in zijn colleges om de verschillende kanten van Wittgensteins leven en denken te belichten. Boukema had echter zelf ook een reeks opvallende Wittgensteiniaanse trekken.

Door Christoph Lüthy

Levende legende

Het lukt niet veel docenten om de universiteit als een levende legende te verlaten. Toen echter Harm Boukema op de dag van zijn pensionering zijn proefschrift verdedigde, was hij al lang een legende. Hij had sinds 1971 decennialang de geschiedenis van de moderne filosofie gedoceerd met een intensiteit die geen student onverschillig had gelaten. En volgens het door de hele faculteit gekoesterde gerucht had hij drie proefschriften – over John Austin, Ludwig Wittgenstein en Gottlob Frege – één voor één verbrand om uiteindelijk op de eerste dag van zijn pensioen, op 1 juli 2010, te promoveren op een vierde proefschrift, over een paradox van Bertrand Russell.

Intussen is het behoorlijk stil geworden in de oude boerderij in Velp waar Boukema nog steeds woont. Zijn temperamentvolle Agnes is een paar jaar geleden overleden, en de twee kinderen zijn al lang het huis uit. In de tuin fluit een zwartkop. Af een toe springt een kikker van achter de hortensia’s in het vijvertje. Een groene specht vliegt op, als ik door de grote tuin stap. Want af en toe stuurt Harm Boukema me naar buiten, wanneer hij namelijk in zijn geheugen moet graven.

In het verhaal over 1995 beschrijft Daan Roovers hoe ze als geneeskundestudente naar intellectuele stimulans zocht en een willekeurig filosofisch college binnenliep. Het ging over Galileo Galilei, en de docent was Boukema:

‘Wat me van die eerste colleges altijd is bijgebleven, is de begenadigde manier van vertellen van Boukema. Hij vereenzelvigde zich zo met de stof die hij overbracht, dat de ingewikkelde teksten echt tot leven kwamen. Ik droomde van die colleges en dat was na die dorre twee jaar geneeskundestudie een enorme verademing.’

Op de tafel in Boukema’s keuken ligt een boek van Roovers, Wij zijn de politiek (2019), met een opdracht: ‘Voor Harm, mijn eerste docent filosofie (Nijmegen, 1990) die met zijn colleges mij liet zien wat filosofie is en de liefde daarvoor – die nooit is overgegaan – heeft aangewakkerd. Veel dank! “Filosofie is de strijd tegen de vooroordelen” (p. 29). Daan Roovers.’

Denken heeft nooit een eindpunt

‘Wat was het geheim van je colleges? Hoe heb je onderwezen?’ ‘Ontzettend serieus.’ Stilte. ‘Het gaat om iets.’ -- ‘Serieus’ is een woord dat in de herinneringen van oud-studenten telkens terugkomt. Evert van der Zweerde, intussen hoogleraar politieke filosofie, beschrijft Boukema als

‘fantastisch docent, die er heel slecht tegen kon wanneer studenten de stof niet net zo serieus namen als hijzelf, waarbij “net zo” de betekenis had van “in de zelfde mate” en niet van “op dezelfde manier”, want dat laatste was juist een dankbaar aanvaard beginpunt voor verder serieus nemen! Maar Boukema had een broertje dood aan ongeïnteresseerde of slecht voorbereide studenten.’

Corien Bary, intussen hoogleraar logische semantiek, herinnert zich dat je

‘als student op die colleges het idee had dat we ter plekke echt tot nieuwe inzichten kwamen. Dat vond ik toen heel enthousiasmerend, en nu, nu ik zelf college geef, erg knap. Wij als studenten hadden het idee dat hij daar ter plekke zocht, nadacht, nuanceerde, tot inzichten kwam, en dat wij daaraan bijdroegen.’

Roovers, Van der Zweerde en Bary zijn allemaal professioneel filosoof geworden, en ze zullen zich goed op Boukema’s colleges hebben voorbereid. Wie echter niet bereid was om dezelfde intensiteit te ontwikkelen over een tekstpassage of gedachtegang, zal Boukema’s colleges vaak hebben vermeden. Wie niet ijverig meedeed, kon op onbegrip of zelfs toorn rekenen. De ijverigen daarentegen konden na afloop van de colleges met Boukema in een kroeg in de stad verder discussiëren. Bij hem heeft het denken namelijk nooit een eindpunt.

Wittgensteiniaanse aspecten

Toen ik zelf naar Nijmegen kwam, werd ik Boukema’s jongere collega in de afdeling Geschiedenis van de filosofie. Ik herinner me ons eerste gesprek (dan toen nog in het Engels moest worden gevoerd), zijn levendige, lichtblauwe ogen, zijn scherp profiel en de duizend manieren waarmee hij zijn mond plooide om alle emotionele facetten van enthousiaste toestemming via scepsis tot diep ongenoegen uit te drukken. Zijn gelaat deed me toen aan dat van Wittgenstein denken. In de jaren daarna kwamen andere Wittgensteiniaanse aspecten naar voren, die meer met Boukema’s gedrag te maken hadden. Wittgenstein wilde filosoferen, maar geen college tutor zijn, en zijn studenten herinneren zich intensieve denksessies, die weinig van een college hadden. En de normen die voor masterscripties of proefschriften golden, minachtte Wittgenstein ten diepste – wat tot gevolg had dat hij voor zijn Tractatus logico-philosophicus geen diploma had ontvangen. Hetzelfde geldt, op een net wat minder dramatische manier, voor Boukema. Hij verzette zich tegen wat hij als verschoolsing van het onderwijs beschouwde: de studiegidsen, het rendementsdenken, de evaluaties, de nieuwe bachelor-master-structuur met zijn Dublin-indicatoren. Men wilde dat docenten hun studenten door een cursus heen leidden, linksom of rechtsom, zonder per se te verwachten dat zij een extatische passie voor het ingewikkelde denken van een moeilijke filosoof ontwikkelden.

Ook biografisch lijken er overeenkomsten te zijn. Wittgenstein begon met een opleiding tot werktuigbouwkundig ingenieur en met het construeren van vliegtuigmotoren, en ontdekte pas vervolgens via de logica de taalfilosofie en vanuit de taalfilosofie de andere filosofische vakken. Boukema op zijn beurt, geboren in Delft (1945), is eerst opgeleid tot wiskundige, natuurkundige en astronoom en werd pas vervolgens filosoof. In 1967 volgde hij bij Jan Hollak in Amsterdam college en werd door hem op een nieuw spoor gezet. De Hegeliaan Hollak, die daarna in Nijmegen hoogleraar Geschiedenis van de moderne wijsbegeerte werd, haalde Boukema in 1971 na diens afstuderen als assistent naar Nijmegen.

‘Vijf jaar lang volgde ik met groot enthousiasme Hollaks Nijmeegse colleges […]. Ik raakte diep onder de indruk van zijn onconventionele overtuiging dat geschiedenis van de filosofie niet serieus bedreven kan worden zonder met de grote filosofen in discussie te gaan’, aldus Boukema in zijn rede over ‘Jan Hollak en het Neothomisme’.

Deze vijf extra jaren als Hollaks assistent hebben duidelijk sporen in Boukema’s eigen onderwijsstijl achtergelaten. Wat het voor Hollak betekende om met een filosoof in discussie te gaan, beschrijft Machiel Karskens in het verhaal over 1966 als volgt:

‘En wat was dat fascinerend! Want in elk van die zinnen werd zo ongeveer de hele westerse filosofie en theologie en antropologie op militante wijze aan de orde gesteld, kritisch heen en weer gedacht en - dat was Hollaks drijven – “in zich gereflecteerd”. Als toehoorder hoorde je en voelde je dat in elke met snerpende stem uitgesproken volzin iets gebeurde dat je steeds opnieuw uitdaagde om mee te doen, om, zoals Hollak het graag zei, “dat denken na te voltrekken”.’

Maar de denkers die Boukema interesseerden, waren niet allemaal Hollaks helden. Boukema schrijft daarover:

‘Hollaks advies mijn eigen weg te zoeken, volgde ik aanvankelijk op door te proberen mijn dialectische scholing in te zetten in een kritiek op gerenommeerde specifieke leerstukjes van bij uitstek ondialectische denkers. Geïnspireerd door mijn leermeester wilde ik vooral concreet filosoferen en niet in abstracto. Ik zocht weerstand en vond die bij zogenaamde ‘analytische’ filosofen. Aldus kwam ik terecht bij Austins taaldaadtheorie en bij Wittgensteins vaak geroemde beschouwing over familiegelijkenissen en over, zoals hij het noemt, “het taalspel dat we met het woord ‘spel’ spelen”. Let wel, deze voorbeelden waren voor mij slechts van belang om als paradepaardje van analytisch filosoferen op mijn dialectische operatietafel gelegd te kunnen worden. Mijn interesse was niet historisch en ook niet thematisch, maar methodisch.’

Boukema’s denken en zijn worsteling met filosofische systemen kregen in een winternacht van 1987 een voor anderen moeilijk te bevatten spirituele dimensie. Deze extra dimensie heeft de door hem ervaren Wesensverwandtschaft met Ludwig Wittgenstein nog verder vergroot. Boukema schrijft daarover:

‘Ik werd diep geraakt door de spirituele achtergrond van zijn filosofie, maar voelde mij, opmerkelijk genoeg, totaal niet genoodzaakt iets van mijn kritiek terug te nemen. In 1987 leidde dat tot een soort mystieke ommekeer. Ik zakte, althans zo zag ik het toen en zo zie ik het nog steeds, door de hiërarchische aristotelische bodem van mijn toenmalige filosofie, tevens de bodem die Thomas, Hegel, Scheler en Hollak met elkaar gemeen leken te hebben.'

En heb je je proefschriften nu echt verbrand?

‘Maar, Harm, is het waar dat je drie proefschriften hebt verbrand?’ Legendes zijn per definitie legendes, omdat ze niet per se waar zijn. In ieder geval is er geen vuur in het spel geweest, want de manuscripten staan nog in de bibliotheek. Maar bij de eerste poging – over John Austin – lijkt de begeleider, Hollak, in eerste instantie gewoon niet in staat te zijn geweest om deze voor hem zo vreemde gedachtegang van een zo vreemde denker fatsoenlijk te begeleiden. Toen hij toch zijn goedkeuring had gegeven, was Boukema al met een ander thema bezig. Dat thema was Wittgenstein, maar in dit geval was het onderwerp zelf het hoofdobstakel. In zijn boerderij reflecteert Boukema als volgt over dit onvoltooide tweede proefschrift: ‘Bij Wittgenstein kom je nooit een punt tegen waarvan je zegt: en nu is het klaar.’ Hoe het met thema nummer 3,namelijk Frege, is verlopen, is minder duidelijk, maar wat buiten kijf staat is dat met poging nummer 4, Russell’s Second Paradox: A Dialectical Analysis of ‘On Denoting’, het lange traject van drs. Boukema tot een einde was gekomen. Ik mocht toen overigens als de Nijmeegse promotor van Boukema optreden, terwijl prof. dr. Göran Sundolm (Leiden)  de eerste, inhoudelijk deskundig promotor was. Ik vond mijn rol als promotor toen zeer gênant: het voelde alsof ik als scholier publiekelijk moest bevestigen dat de meester deugde.

Promotie en afscheid op één dag. ‘Dat was opmerkelijk’, zegt Boukema zelf daarover. ‘Maar ik moest ook iets bewijzen, ook aan mezelf’. Dat de verdediging van een proefschrift over een paradox op de laatste werkdag zelf iets paradoxaals had, besefte hij goed. Niet voor niets luidt de laatste stelling op Boukema’s bijsluiter als volgt: ‘Omdat het niet zeker is of er in het hiernamaals gepromoveerd kan worden, is het aan te raden, áls je wilt promoveren, dat te doen voor de dood is ingetreden.’

Bronnen

De schriftelijke citaten van Boukema zijn te vinden in een ongedateerde rede, onder de titel ‘Jan Hollak en het Neothomisme’, te vinden op: http://www.harmboukema.nl/work/JAN_HOLLAK_EN_HET_NEOTHOMISME.pdf


Harm Boukema heeft een eigen site. Daarover schrijft hij zelf over zijn eigen publicaties.

De foto hieronder komt van zijn site.

werkkamer

Harm Boukema. '(On)waarheid in oppositie. Frege, Thomas en het neothomisme' in: Thijmgenootschap Jaargangg 94 (2006) aflevering 3.

In de Vox van 17 december 2009 vertelt Harm Boukema op pagina 10  hoe de belangrijkste ervaring in zijn leven zijn omgang met de filosofie radicaal veranderde. “Het licht werd duister in dit nieuwe licht.”

1984Boukemaachteraanzogrootmogelijkliekeheefttekst