2004. Hans Thijssen wordt decaan en Jeroen Linssen wint een onderwijsprijs; een dubbelinterview

Datum bericht: 24 april 2023

De universiteit is een plek waar mensen met verschillende achtergronden komen en gaan. Sommigen komen maar even voor een diploma, anderen blijven plakken. Dit laatste geldt voor Hans Thijssen en Jeroen Linssen. Beiden hebben ze in Nijmegen gestudeerd, om daarna de universiteit een poos achter zich te laten, maar toch weer terug te keren. Ze hebben hun universitaire leven niet alleen aan onderwijs en onderzoek besteed, maar hebben ook jarenlang een bestuurlijke rol vervuld.

In 2004 werd Hans Thijssen tot decaan benoemd, eerst van de Faculteit der Wijsbegeerte en later van de gefuseerde Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen. Hij is twaalf jaar lang decaan gebleven. In hetzelfde jaar werd Jeroen Linssen geëerd voor zijn uitstekende onderwijs met de prijs voor beste docent bij de Faculteit der Managementwetenschappen. Hij was toen naast docent ook opleidingscoördinator van Wijsbegeerte. In 2007 werd hij directeur onderwijs en hij heeft bij de fusie van de drie faculteiten samen met het faculteitsbestuur het onderwijs van de drie disciplines filosofie, theologie en religiewetenschappen in een samenhangende structuur gegoten. Hij vervulde deze functie vijftien jaar lang en groeide uit tot de ‘paus van de faculteit’.

Door Mirte Debats en Christoph Lüthy

Theologiestudie toen en nu

Thijssen en Linssen begonnen hun reis in Nijmegen allebei als theologiestudent. Hans Thijssen koos in 1976, tegen de verwachtingen of wensen van zijn ouders in, niet voor geneeskunde, maar voor theologie, omdat hij een spirituele belangstelling had. In dat perspectief paste ook zijn interesse in Aziatische filosofieën, zoals Zen, waarover hij veel las tijdens de middelbare school. Na zes weken kwam hij er echter achter dat theologie toch niet was wat hij ervan verwacht had. Wel was hij geïnteresseerd in de historische en filosofische vakken, zoals kerkgeschiedenis, patrologie en de wordingsgeschiedenis van de Bijbel, waarin hij de tentamens heeft afgelegd. Met de rest van de vakken is hij echter gestopt. Na een jaar theologie stapte hij over naar filosofie.

Drie jaar later kwam Jeroen Linssen naar Nijmegen, eveneens om theologie te studeren. Ook in zijn geval was er geen sprake van een directe theologische roeping, maar eerder van een maoïstisch-marxistische oriëntatie die met een christelijk pacifisme gepaard ging en waarvan Linssen hoopte ze in de Nijmeegse theologie terug te vinden. In tegenstelling tot Thijssen heeft Linssen zijn studie theologie wel afgerond. Daarna, in 1984, begon hij aan zijn studie filosofie – de discipline waaraan hij vervolgens zijn carrière zou wijden. Terugkijkend op zijn keuze voor de theologie zegt Linssen: ‘Toen ik theologie ging studeren was ik apetrots, want ik ging studeren aan een faculteit die controversieel was, die voortdurend onder vuur lag van Rome. Schillebeeckx moest telkens weer in Rome op het matje komen. Dat vond ik prachtig. Wij waren fier op onze docenten. Er waren voortdurend docenten die ergens in een tijdschrift weer iets gepubliceerd hadden wat volgens de kerkelijke leer eigenlijk niet kon. Ja, dat vonden wij prachtig.’

Linssen was bijzonder geïnteresseerd in de bevrijdingstheologie, die het christendom met het marxisme combineerde. Vanwege zijn interesse in de combinatie van het christelijke pacifisme en het marxistische politieke activisme was Linssen blij dat tijdens sommige colleges bij wijze van spreken Das Kapital vaker dan de Bijbel werd geconsulteerd. Met de controversiële hoogleraren waarop hij zo trots was, doelde Linssen vooral op Edward Schillebeeckx, Jacques van Nieuwenhoven en Arend Th. van Leeuwen. In de colleges werd voortdurend gereflecteerd over de rol van de theoloog in de maatschappij: ‘Is een theoloog iemand die netjes namens de kerk de kerkelijke leer uitlegt, of is het een criticus die het de geloofsgemeenschap voortdurend moeilijk maakt met allerlei vraagstukken die vanuit de samenleving opkomen?’, aldus Linssen. In Nijmegen was het antwoord duidelijk het laatste.

Maar is dat nog steeds het antwoord dat Nijmeegse theologiestudenten vandaag zouden krijgen, of willen krijgen? Linssen en Thijssen zijn het met elkaar eens dat de theologie in de afgelopen decennia sterk is veranderd. Toen zij studeerden, zochten studenten nog de controverse, de rebellie en de reflectie op maatschappelijke vraagstukken bij de theologie. Maar door de ontkerkelijking zal de huidige student die op zoek is naar intellectuele confrontatie deze niet meer zoeken bij de theologie. Hij of zij zou politicologie, sociologie, milieuwetenschappen, gender studies of inderdaad de facultaire opleiding Philosophy, Politics and Society (PPS) kiezen. Waar in de jaren zeventig in Nijmegen het bestaansrecht van de theologie het opzoeken van controverse leek te zijn, is het huidige bestaansrecht van de theologie haar kerkelijke rol. Dit veranderde scenario bepaalt de rol van de huidige theologie, van haar docenten en van de studenten die zich voor deze discipline inschrijven.

Filosofiestudie toen en nu

Zoals gezegd hebben Thijssen en Linssen na hun studie theologie allebei voor filosofie gekozen – Thijssen sneller dan Linssen. Hoewel toentertijd de Faculteit der Theologie nog gescheiden was van de Faculteit der Wijsbegeerte, bestond er wel al een inhoudelijke overlap, zoals de trajecten van Thijssen en Linssen laten zien. Vooral Thijssen lijkt een vroege belichaming van de huidige Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen (FFTR) te zijn. Na zijn initiële studie theologie en zijn al snel gekozen nieuwe opleiding in de filosofie, heeft hij als bijvak godsdienstwetenschappen gevolgd. Binnen de filosofie interesseerde hij zich voornamelijk voor de analytische en historische vakken, zoals logica, taalfilosofie en geschiedenis van de filosofie, mede doordat de docenten en hoogleraren in Nijmegen die zich met deze vakken bezighielden, grotere internationale bekendheid hadden dan de continentale filosofen. De keuze voor deze vakken leek een goede basis voor buitenlandervaring. Thijssen heeft dan ook de éénjarige opleiding Études médiévales, ofwel Middeleeuwenstudies, gevolgd in Louvain-la-Neuve. Deze studie bestond in Nederland niet.

Thijssen was in de middeleeuwen geïnteresseerd, vanwege de focus van de middeleeuwse filosofen op de semantiek en de logica. Bij het bestuderen van de middeleeuwen kon Thijssen zijn interesses in de geschiedenis, de logica en de analytische filosofie combineren. Volgens hem blijft de geschiedenis van de filosofie relevant: ‘Dat de geschiedenis voor de filosofie belangrijk blijft, is typisch iets van deze discipline. Van een arts zou je liever niet willen dat die, als je daar op consult bent, gaat kijken wat Hippocrates ergens van zei, maar filosofen vinden het nog steeds relevant wat Plato schreef. Je hoeft geen voorstander te zijn van een vaststaande canon om te beseffen dat er lange en complexe gesprekslijnen bestaan die zich vanuit het Midden-Oosten en Griekenland via de islamitische landen in de Latijnse middeleeuwen hebben voortgezet en uiteindelijk tot de hedendaagse filosofische scholen hebben geleid.’

Thijssens oratie droeg niet voor niets de mooie titel: De lange adem van Aristoteles. Vanwege deze ‘lange adem’ bestaat het eerste jaar van de Nijmeegse filosofieopleiding nog steeds – naast een inleiding in de verschillende filosofische disciplines, zoals ethiek, politieke filosofie, logica of metafysica – uit een historisch overzicht. Deze kijk op de filosofie is decennialang een constante gebleven, aldus Linssen: ‘Ik heb de indruk dat er niet zoveel veranderd is als je naar de klassieke filosofieopleiding kijkt. Alle wijsgerige disciplines zijn nog steeds vertegenwoordigd, en net zoals vroeger specialiseer je je in één van die vakken. De inhoud van de vakken is uiteraard erg veranderd, maar eigenlijk ook weer niet: veel filosofen die toen werden behandeld worden nog steeds behandeld. Filosofie heeft iets wat niet strikt tijdgebonden is. In de filosofie raakt iets niet snel verouderd. Het gaat om vraagstukken die zowel toen als nu spelen. Wat verandert, is de context waarbinnen die vraagstukken aan de orde worden gesteld. En natuurlijk: elke tijd heeft zo zijn eigen filosofische modes.’

Evalueren moet je leren

Terugkijkend op hun studie-ervaring beschrijven zowel Thijssen als Linssen hoe ze door docenten zonder enige waarschuwing in het diepe werden gegooid. Er zat in de jaren zeventig en tachtig weinig structuur in de lessen, waardoor veel studenten afvielen. Docenten hadden nauwelijks oog voor het kennisniveau en de behoeften van studenten. De studenten zelf hadden ook geen middel in handen om de kwaliteit van het onderwijs te evalueren. Slecht onderwijs kon jaar na jaar worden gegeven. Veel docenten waren overigens nauwelijks te bereiken. De afwezigheid van normen en structuren kon voordelen hebben. Zo vertelt Thijssen dat het weleens gebeurde dat studenten die erg zenuwachtig bleken te zijn voor het tentamen, door de docent werden weggestuurd om eerst een borrel te gaan drinken. Het ontbreken van normen kon echter ook nadelig zijn. Er bestonden namelijk noch over de inhoud van de vakken noch over het afronden ervan duidelijke afspraken. Zo kon het gebeuren dat een docent aan zijn studenten uitlegde dat hij de komende twee maanden geen tijd had om in Nijmegen tentamens af te nemen, maar dat ze desnoods wel naar hem in Amsterdam mochten komen. Al met al was er heel veel motivatie en discipline vereist om de studie op tijd af te ronden. Thijssen beschrijft de colleges en de manier van lesgeven als volgt: ‘Elke hoogleraar of docent deed maar wat, en heel veel studenten bleven maar doorstuderen, omdat er niet echt een duidelijke structuur was. Sommigen vonden dat de hemel op aarde, maar ikzelf vind het wel prettig als er wat meer stroomlijning en kwaliteitscontrole inzit.’

Eén van de studenten die deze vrijheid wel als ‘de hemel op aarde’ ervoer, was Jeroen Linssen. Zijn antwoord op Thijssens beschrijving is dan ook: ‘Ik vond het geweldig dat ik in een academische gemeenschap terecht gekomen was die ik niet kende en waarin ik me intellectueel kon uitleven.’ En terwijl Thijssen het prefereerde wanneer een docent de tekst ‘gewoon’ verklaarde, hield Linssen van docenten die tijdens het college met de tekst gingen worstelen. Neem de befaamde hoogleraar Ad Peperzak, die de collegezaal binnenliep met slechts Martin Heideggers Sein und Zeit onder de arm. Hij legde het boek op tafel en stak een betoog van vier uur af, waar niemand iets van begreep. Een week later werd er van de studenten verwacht dat ze allemaal het boek van Heidegger hadden aangeschaft, er een stukje uit konden voorlezen in het Duits en dat stukje konden uitleggen. Hoewel Linssen hierdoor voor ieder college bloednerveus was, vond hij deze intensieve manier van toegang zoeken tot deze moeilijke tekst opwindend. Men kreeg zo het gevoel steeds dichter bij het geheim van de tekst te geraken.

Linssen en Thijssen zijn het met elkaar eens dat een hedendaagse Peperzak hier niet meer mee zou wegkomen – mede als gevolg van de evaluatieformulieren die er inmiddels zijn. Door de prestatieafspraken, de kwaliteitscontrole, het rendementsdenken, of hoe deze ontwikkelingen allemaal ook mogen heten, is zeker iets van de charme, de intensiteit en de spontaneïteit van het vroegere onderwijs verloren gegaan. Toch helpen de duidelijke structuren studenten om daadwerkelijk hun bachelor in drie of vier jaar te behalen, en aansluitend hun master in een of twee jaar. De figuur van ‘de eeuwige student’ is nu onvoorstelbaar. Waar docenten en hoogleraren zich vroeger niet bekommerden om de ‘(af)studeerbaarheid’ van de opleiding, moeten ze dat nu wel doen. Natuurlijk zijn er nog steeds studenten die zoeken naar het worstelen met een tekst en het charisma, waarvan Linssen in zijn eigen studie kon genieten. Linssen en Thijssen zijn het daarom met elkaar eens dat een faculteit naast structuur ook het charisma moet toelaten. Een goede faculteit moet niet alleen divers zijn qua inhoud, gender, of religieuze en culturele achtergrond, maar vooral ook in de manieren van lesgeven en in de persoonlijkheidstypes van de docenten.

Thijssen en Linssen als bestuurders en docenten

Toen Thijssen en Linssen elkaar decennia later – intussen waren ze allebei gepromoveerde docenten – in het faculteitsbestuur weer tegenkwamen, deelden ze de overtuiging dat het bij geslaagde opleidingen veel meer om de behoeften van studenten en om de kwaliteit van de opleiding moest gaan. Daarbij is het machtigste bestuurlijke instrument niet zozeer een nieuw reglement, een andere evaluatiemethodiek, of verbetertrajecten, maar de keuze van de docenten: het personeelsbeleid kortom. Thijssen: ‘Goed onderwijs en goed onderzoek begint bij de mensen die het doen. Met alleen onderzoekers heb je een leeg huis. Je bestaansrecht hangt af van de studenten die je aantrekt en die je vervolgens aflevert aan de maatschappij.’

Het mooie aan de FFTR is dat, vanwege haar kleine schaal, zelfs de decaan en de directeur onderwijs als docenten voor de collegezaal staan. Aan Thijssen en Linssen daarom de vraag hoe ze hun idealen vormgeven in de colleges die ze zelf geven. Linssens antwoord is dat hij probeert ervoor te zorgen dat hij de studenten op een dusdanige manier door het vak meeneemt dat ze bijna niet kunnen afhaken. Natuurlijk lukt dit niet helemaal; er zijn altijd wel studenten die afvallen. En toch: ‘Mij maakt het veel uit wie er tegenover me in de collegezaal zit. Ik hoop altijd dat de studenten de eindstreep halen en dat de inhoud die ik breng ook interessant is voor hen.’ Wat Thijssen betreft, probeert hij een heldere structuur te combineren met persoonlijke verhalen, om de stof voor studenten begrijpelijk te maken.

Voor Thijssen en Linssen was het daarom een prikkelende uitdaging om als faculteitsbestuurders na te denken over de structuur van de studie- en lesprogramma’s en het evalueren van de kwaliteit en organisatie van het onderwijs. De samenvoeging van de drie vroegere faculteiten, die tijdens Thijssens decanaat heeft plaatsgevonden en waarvan Linssen het onderwijsprogramma heeft uitgewerkt, wordt uitvoerig besproken in het verhaal over 2007. De fusie, maar nog meer het ontwikkelen van betere onderwijsprogramma’s, hebben de faculteit enorm versterkt.


Thijssen&Linssen.foto (2)

Jeroen Linssen (links) en Hans Thijssen (rechts)

De twee ex-bestuurders kijken met tevredenheid terug op de ontwikkelingen van de faculteit. Thijssen is vooral blij met het feit dat de FFTR niet meer onder financiële druk staat en ook niet meer hoeft te strijden voor haar bestaansrecht. Dit heeft vooral te maken met de enorme groei die de faculteit heeft doorgemaakt in de afgelopen jaren en met aansprekende resultaten in het onderzoek.

In dit millennium stijgen de studentenaantallen van de faculteit. Waar de studenteninstroom voor de bacheloropleiding Filosofie in 2004 30 studenten betrof, was dit aantal in 2008 meer dan verdubbeld naar 84 studenten. De aantallen liepen in de jaren tot 2016 terug naar rond de 50 inschrijvingen, maar na het ontstaan van de bachelor PPS steeg de studenteninstroom weer. In 2022 schreven zich voor de bachelor Filosofie en voor de bachelor PPS bij elkaar opgeteld 128 studenten in.

Het is echter niet alleen een kwestie van bestaansrecht. Meer studenten betekent ook meer docenturen, en meer docenturen betekent meer docenten die de faculteit in dienst kan nemen. In de laatste jaren kon met name de filosofie haar docentenkorps fors vergroten. Dat zorgde niet alleen voor een verjonging en een grotere diversiteit van de faculteit, maar ook voor een verrijking van de aangeboden thema’s.

oorkonde