1962. De mens als mislukking

Datum bericht: 22 februari 2023

In 1962 werd de Nobelprijs uitgereikt voor de ontrafeling van de structuur van het DNA. In het najaar van 1962 ging in Rome het Tweede Vaticaans Concilie van start. Voor katholieke intellectuelen was het een jaar vol uitdagingen. De Nijmeegse franciscaan en filosoof Ad Peperzak dacht diep na over het christelijke mensbeeld in relatie tot de evolutie. Dat mondde uit in een lezing die hij in 1963 hield voor de Vereniging voor Thomistische Wijsbegeerte. Een jaar later werd Ad Peperzak in Nijmegen benoemd tot hoogleraar Wijsgerige en theologische antropologie.

Door Willem van der Kuijlen

‘De mens als mislukking’ is de intrigerende titel van de voordracht die Ad Peperzak in 1963 hield tijdens de 29ste jaarvergadering van de Vereniging voor Thomistische Wijsbegeerte te Amersfoort. In deze voordracht was een betrekkelijk jonge, 33-jarige filosoof aan het woord die een erudiete exercitie uitvoerde die niet alleen filosofisch interessant was, maar ook een betekenisvolle invulling probeerde te geven aan katholieke wetenschapsbeoefening. Bij de Vereniging voor Thomistische Wijsbegeerte bevond hij zich misschien wel in het hol van de leeuw, omdat zijn verhaal niet ondubbelzinnig thomistisch is te noemen en ook niet neothomistisch. Het neothomisme was in de jaren vijftig al grotendeels verdampt, en in die tijd gingen katholieke filosofen op zoek naar nieuwe intellectuele en filosofische wegen. Het is geen toeval dat tijdens dezelfde jaarvergadering van 1963 Van Melsen (‘Materie, leven en geest’) en Hollak (‘De wording van de menselijke geest’) uit Nijmegen een voordracht hielden.

Themata rond evolutie

Het overkoepelende thema van de vergadering luidde ‘Themata rond evolutie’. Andere vergaderingen van de vereniging in 1963 besteedden ook aandacht aan evolutie, met voordrachten over het wijsgerige perspectief van de biologische evolutie en over evolutie en schepping. De voordrachten werden datzelfde jaar nog gepubliceerd in de Annalen van het Thijmgenootschap. De Vereniging voor Thomistische Wijsbegeerte was immers geschaard onder de vlag van dit Thijmgenootschap, dat de bevordering ‘van de beoefening der wetenschap onder de Katholieken in Nederland’ tot doel had. Ook deze uitgave van de Themata rond evolutie in de Annalen getuigt daarvan, want ze bevat ook verslagen van de discussies inter doctores naar aanleiding van de lezingen.

Katholieke intellectuelen moesten niet alleen op zoek naar andere filosofische wegen dan de door Thomas gebaande paden, ze moesten zich vooral ook zien te verhouden tot evolutie en de wetenschappelijke ontwikkelingen in het denken daarover. In 1962 werd, zoals reeds vermeld, de Nobelprijs uitgereikt voor de ontrafeling van de structuur van het DNA (Crick, Watson en Wilkins, 1962). Darwin had honderd jaar eerder al zijn ideeën over evolutie door natuurlijke selectie opgesteld, maar met de ontrafeling van het DNA was pas duidelijk geworden dat er een moleculaire en erfelijke basis was voor evoluerende (eigenschappen van) organismen. Daarmee was er een alternatieve, plausibelere verklaring gekomen voor het ontstaan van natuurlijke soorten dan de orthodoxe scheppingsidee. Een verklaring die bovendien de mogelijkheid bood om wetenschappelijk getoetst te worden. In de herfst van 1962 was in Rome ook het Tweede Vaticaans Concilie begonnen. De katholieke kerk was op een punt beland waarop ze zich fundamenteel ging bezinnen op haar houding ten opzichte van buitenkerkelijke en moderne maatschappelijke ontwikkelingen in de breedste zin van het woord.

Pessimistiche visie

Peperzak reageerde niet direct op evolutie in de biologische betekenis, maar keerde zich tegen evolutie in de zin van technische of materiële verbetering en vooruitgang. Hij richtte zich tegen de zogenaamde optimisten, degenen die zich uitten in een vooruitgangslyriek en de technische verworvenheden van de hedendaagse maatschappij prezen. Deze optimisten waren schatplichtig aan Bacon, Descartes en Comte, en aan Hegel en Marx. Peperzak daarentegen schaarde zich achter de pessimisten, de vertolkers van een tragische inspiratie, die hij zag bij Augustinus, Pascal en Kant. Deze pessimistische inspiratie plaatste Peperzak weliswaar in het verband van evolutie, maar het ging bij hem om een ‘evoluerende zedelijkheid’.

Volgens deze pessimistische visie leidt de ontwikkeling van de mens niet tot succes, vooruitgang en geluk, maar tot vertwijfeling, echec en mislukking. De mens is een mislukking. Want ondanks alle materiële en technische vooruitgang ontsnapt de mens uiteindelijk niet aan de dood. Elk streven en alle aspiraties die de mens eigen zijn sneuvelen noodzakelijkerwijs op de drempel van de dood. In het licht van de dood lijkt niet alleen het menselijke bestaan, maar heel de werkelijkheid zin- en betekenisloos. Toch leidt een dergelijk pessimisme voor de auteur niet tot een defaitisme, of een compleet absurdisme: ‘de werkelijkheid kan niet uiteindelijk en grondig zinloos zijn.’ De mens is immers niet louter een empirisch bepaald wezen, maar ‘een dubbelzinnig wezen’ dat in aanvulling op die empirische existentie ook gekenmerkt wordt door een verlangen naar volmaaktheid, naar Alles, naar het

Totaal van alle vervulling, het Oneindige Al (Peperzak gebruikte verschillende omschrijvingen). Het is duidelijk dat pas tegen deze achtergrond van het verlangen naar oneindigheid de dood bewijst hoezeer de mens mislukt. Een oneindig verlangen is voor eindige wezens noodzakelijk onvervulbaar.

Mislukking is een stap op weg naar geluk

Dit is echter maar het halve verhaal dat Peperzak wilde vertellen. Radicaal absurdisme (zoals bij Camus) of een nietzscheaans pessimisme bijvoorbeeld, in de vorm van een Grieks-tragisch bewustzijn, waren voor hem geen accepteerbare alternatieven. Mislukking lijkt slechts een stadium te zijn op weg naar geluk, want in een volgende stap probeerde Peperzak te onderzoeken onder welke condities het zinvol is te spreken van lukkend en gelukt menselijk bestaan. Met andere woorden, hoe kunnen we ons een betekenisvolle en geslaagde voorstelling maken van de mens als we ervan uitgaan dat deze een verlangen naar het oneindige heeft? Dat kan als we ervan uitgaan dat deze mens zich actief verhoudt tot het Oneindige, want dit laatste is immers precies dat wat een oneindig verlangen kan stillen. Als een oneindig verlangen verkeert in het verlangen naar het Oneindige kan precies dit Oneindige een dergelijk verlangen bevredigen. Deze actieve verhouding, bemiddeld door de dood, omschreef Peperzak ook wel als iets dat ‘ons binnenvoert in een niet meer mislukkende, zelfs niet meer eindige werkelijkheid, maar ons verenigt met het Oneindige’.

De intrigerende titel van zijn lezing slaat dus eigenlijk slechts op de eerste helft van het verhaal dat Peperzak vertelde. De tweede helft met het argument en de conclusie zinspeelde nadrukkelijk op de manier waarop de mens waarlijk gelukkig kan worden en zijn: de gelukte mens. Om tot die conclusie te kunnen komen zijn wel een aantal aannames nodig die in de context van de Vereniging misschien voor de hand lagen, maar die niet onomstreden zijn (wat ook blijkt uit sommige opmerkingen die in de discussie naar voren werden gebracht). Zo is er onmiskenbaar een teleologie en een wezensmetafysica aanwezig waar het gaat over de mens. De mens is een strevend en verlangend wezen en als zodanig heeft hij een bestemming die buiten de eindige werkelijkheid ligt. Ja, deze werkelijkheid zelf ‘kan niet uiteindelijk en grondig zinloos zijn’. Het is pas in de context van een dergelijke werkelijkheid dat de dood zin en betekenis krijgt. Het pessimisme dat Peperzak aanvankelijk erkende, plaatste hij in tweede instantie in een erg optimistisch perspectief. Zijn optimisme betrof een vorm van menselijk bestaan in het licht van het Oneindige. De teleologische en wezensmetafysische elementen tonen in hoeverre dit standpunt nog schatplichtig was aan een aristotelische, misschien zelfs een (neo)thomistische traditie van wijsgerig denken. Ook het belang dat Peperzak hechtte aan de transcendentale affirmatie (de zinvolheid en intelligibiliteit van de hele werkelijkheid) getuigt hier wellicht van.

Toch laten ook deze elementen zien wat voor een erudiete exercitie Peperzak hier voltrok. De laatste woorden van zijn voordracht waren weliswaar ‘God is de Liefde’, toch ging het hier in de eerste plaats om een bewonderenswaardige wijsgerige exercitie, die laat zien welke paden je als (katholiek) intellectueel kon bewandelen in een drastisch veranderende omgeving. Hij putte daarbij uit het omvangrijke arsenaal van de westerse wijsgerige traditie. We noemden Aristoteles al, maar ook Plato (met zijn Symposion en Phaedo) is aanwezig. Verder is de invloed aanwijsbaar van Hegel, Heidegger, de fenomenologie, het existentialisme en Paul Ricoeur (bij wie Peperzak op Hegel promoveerde). Zelf noemde hij instemmend ook nog Augustinus, Pascal, Kant, Juan de la Cruz, en ook de Franse theoloog Gaston Fessard kreeg een positieve vermelding. Zonder hem expliciet te noemen hernam Peperzak misschien ook de thematiek van ‘De filosofie en de idee van het Oneindige’. Dit is een tekst van Emmanuel Levinas die met enkele andere opstellen in 1969 in Nederlandse vertaling verscheen. Ad Peperzak tekende toen voor de selectie, vertaling en inleiding en werd zo een wegbereider voor de bekendheid van Levinas’ werk in het Nederlandse taalgebied. Hij maakte ook het werk van Paul Ricoeur in Nederland bekend.


Adriaan_Theodoor_Peperzak (1)

Foto: Ad Peperzak in 1967

Bij Radboud Reflects 2015

In december 2015 was Ad Peperzak te gast bij Radboud Reflects. In zijn voordracht ging hij o.a. in op het belang dat het thema van het verlangen had voor zijn wijsgerige ontwikkeling. In deze voordracht keren verschillende themata uit ’De mens als mislukking’ terug. Een registratie van dit optreden is op YouTube hier te vinden.

Bronnen

"Publicaties van Ad Peperzak" in: Koen Boey et al., Om waarheid te zeggen: opstellen over filosofie en literatuur aangeboden aan Ad Peperzak, Kampen: Kok Agora 1992, 245–253.

Annalen van het Thijmgenootschap, jaargang 51, aflevering 2 (september 1963). Ik kwam de lezing op het spoor door een overdruk van de Annalen die ik vond in de onvolprezen bibliotheek van George Kwaad (overleden in juni 2023). Na zijn pensionering ruim 20 jaar geleden bleef een belangrijk deel van zijn bibliotheek op de faculteit staan, omdat er thuis geen plaats voor was.

"De filosofie en de idee van het Oneindige" in Het menselijke gelaat. Essays van Emmanuel Levinas. Gekozen en ingeleid door Ad Peperzak, Bilthoven: Ambo 1969 (verschillende malen herdrukt).

levinas