Zoek in de site...

In memoriam Philippe Van Haute

Datum bericht: 18 november 2022

Met grote droefenis hebben we kennisgenomen van het overlijden van onze gerespecteerde, warme en gewaardeerde collega, hoogleraar Philippe Van Haute (25 oktober 1957–5 november 2022).

Philippe Van Haute studeerde filosofie in Leuven, Straatsburg en Parijs en promoveerde in 1987 in Leuven met een proefschrift over het imaginaire en symbolische in het werk van Jacques Lacan. Hij werd aan de Belgische School voor Psychoanalyse opgeleid tot psychoanalyticus en had van 1992 tot 2016 een psychoanalytische praktijk. Dertig jaar geleden, op 1 september 1992, werd Philippe benoemd als docent bij de vakgroep Systematiek I van de Faculteit der Wijsbegeerte aan wat toen nog de Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Twee later, op 1 september 1994, werd hij benoemd tot hoogleraar en wel met de leeropdracht wijsgerige antropologie. Sindsdien heeft hij binnen de faculteit en de afdelingen waarin hij werkzaam was vele taken op zich genomen. Hij is onder meer directeur van de Onderzoeksschool Wijsbegeerte geweest. Hij is vijf jaar lang, van 2004 tot 2009, directeur onderzoek geweest. Van 2013 tot 2017 is hij kernleerstoelhouder geweest van de afdeling Metafysica en filosofische antropologie. In die periode heeft hij ook het Center for Contemporary European Philosophy opgericht, waarin vandaag het onderzoek van onze afdeling is georganiseerd. Philippe was voorzitter van de Belgische School voor Psychoanalyse van 2006 tot 2009. Hij was visiting professor aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van 2009 tot 2010. Hij was research fellow aan het Stellenbosch Institute for Advanced Studies in 2010, 2011 en 2013. Hij was writer in residence aan Birkbeck College in Londen in 2014. In 2016 werd hij benoemd als buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit van Pretoria. Hij was visiting professor aan de Universiteit van Parijs VII-Diderot in 2018.

Zijn onderzoek concentreerde zich in hoge mate op de relatie tussen psychoanalyse en filosofie en in bredere zin op de contemporaine Europese filosofie. Daarover heeft hij de volgende boeken gepubliceerd:

  • Tegen de aanpassing, Jacques Lacan’s ‘ondermijning’ van het subject (2000) dat in het Engels vertaald is als Against Adaptation. Jacques Lacan's Subversion of the Subject (2002).

Met Tomas Geyskens publiceerde hij

  • Confusion of Tongues. The Primacy of Sexuality in Freud, Ferenczi and Laplanche (2004);
  • From Death drive to Attachment Theory. The Primacy of the Child in Freud, Klein and Hermann (2007);
  • Towards a non-oedipal Psychoanalysis. Clinical Anthropology of Hysteria in the work of Freud and Lacan (2012).

Met Ulrike Kistner en Herman Westerink publiceerde hij

  • Sigmund Freud. Three Essays on the Theory of Sexuality. The 1905 Edition (2016).

En met Herman Westerink publiceerde hij

  • Reading Freud's “Three Essays on the Theory of Sexuality”. From Pleasure to Object (2021);
  • Verleiding, drift en herhaling. Freuds metafysica van het trauma (2022).

Vanaf 2009 kreeg hij een kleine aanstelling als coördinator internationalisering. De reden waarom juist zo’n rol bij hem paste hoeft nauwelijks betoog. Philippe was meer een man van vriendschappelijke netwerken dan van instituties. De internationale verbanden die hij heeft opgericht en de betrekkingen waarvoor hij zich heeft ingezet stonden voor hem altijd in het teken van de goede, vriendschappelijke relaties. Op de rouwkaart lazen we al een aantal van die verbanden, in het bijzonder het Symposium Phaenomenologicum, de Société International de Psychanalyse et de Philosophie, maar ook de Freud Research Group die voor Philippe een belangrijke context voor zijn onderzoek vormde. In Nijmegen viel ook zijn inzet voor de interculturele filosofie op en in het bijzonder de samenwerking met de universiteit van Dakar in Senegal, die zowel in het onderwijs als in het onderzoek zijn plaats hebben gevonden. De afgelopen dagen viel mij op hoe in de e-maillijsten van het Symposium Phaenomenologicum over de vriend Philippe werd gesproken, over zijn uitgesproken humor en over het goede samenzijn dat met hem altijd mogelijk was. De dankbaarheid voor deze goede herinneringen voerde de boventoon. Het belang van deze betrekkingen voor de zichtbaarheid en de goede reputatie van de Nijmeegse filosofie kan moeilijk worden overschat in de eerste plaats betreffende de psychoanalyse, maar in bredere zin rondom wat continentale filosofie wordt genoemd.

Philippe was bovendien een inspirerend docent met een duidelijke opvatting over wat filosofie is. Over Philippe ging onder studenten de volgende anekdote rond. Tijdens een college had één van de studenten klaarblijkelijk iets te stevig zijn of haar eigen mening omtrent een onderwerp naar voren gebracht, waarop de hoogleraar riposteerde: ‘Ik ben nauwelijks geïnteresseerd in mijn eigen mening, laat staan in die van u!’ Dit leidde tot grote hilariteit bij de andere studenten, maar deze opmerking zegt ook iets over Philippes filosofische ethos. Niet de eigen mening of opvatting diende centraal te staan in de filosofische reflectie, maar de tekst en de vraag wat er nu precies in die tekst stond en of we – en daarin was Philippe echt een meester – of we werkelijk begrepen wat er, zin voor zin, nu precies beweerd en betoogd werd en of we dat werkelijk inzichtelijk kunnen maken. Zo ging hij te werk in de colleges over Hegels meester-knecht dialectiek en zo ging hij te werk in zijn boek Tegen de aanpassing over Jacques Lacan. Deze opvatting van de filosofie vereist een eigen discipline, concentratie en aandacht – het vermogen om steeds weer terug te kunnen keren naar de filosofische tekst en deze, ook hebben we die al verschillende malen gelezen, toch weer zelf te laten spreken en zo iets nieuws te laten zeggen. Ook het laatste boek dat Philippe samen met Herman schreef, Verleiding, drift en herhaling. Freuds metafysica van het trauma, getuigt van deze werkwijze en laat op exemplarische wijze de filosofische vruchtbaarheid ervan zien.

Als collega kon Philippe af en toe in het verzet schieten tegen het handelen van bepaalde individuen en in het bijzonder van bestuurders of anderszins leidinggevenden. Wie vervolgens met hem in gesprek ging viel steevast twee dingen op. In de eerste plaats dat zijn verzet altijd gemotiveerd werd door een oprechte morele verontwaardiging. Juist deze oprechtheid was tegelijkertijd de mogelijkheid om in gesprek te gaan omdat Philippe, in de tweede plaats, altijd bereid was om de kwestie ook van de andere kant – of beter gezegd: van de vele andere kanten – te bezien. Daaruit bleek de doorwerking van zijn filosofische ethos in zijn dagelijkse omgang met dingen: nergens was ooit het laatste oordeel over uitgesproken, altijd was een verdere reflectie en een nieuwe blik mogelijk. Zoals mij door één collega deze week gezegd werd: ‘Philippe kon soms wat moeilijk doen, maar was eigenlijk gewoon een hele lieve man.’

Op zaterdag 12 november is Philippe Van Haute in Leuven begraven.

De naaste collega’s van de afdeling Metafysica en filosofische antropologie en de collega’s van de faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen wensen zijn vrouw Lut en zijn zoons Dawit en Eyob veel sterkte toe.

Deze tekst is geschreven door Gert-Jan van der Heiden, Chair of the Department of Metaphysics and Philosophical Anthropology.