Zoek in de site...

Benedictijns bouwen aan de toekomst: ‘Wij gebruiken alleen wat we nodig hebben’

Door Pauline van Kempen - Katholiek Nieuwsblad

De benedictinessen van de Onze-Lieve-Vrouwe-abdij in Oosterhout zitten midden in een ingrijpende verbouwing. Ze willen graag op hun plek blijven, maar de abdij is voor hen te groot geworden. Ook dat vraagt om duurzaam denken, zegt de abdis. “Wij hebben geen huis voor tachtig mensen nodig.”

Het gastenhuis is afgezet met bouwhekken. “Hier komt de nieuwe hoofdingang”, wijst abdis Martha Verstraeten van de Onze-Lieve-Vrouwe Abdij. Een geluk bij een ongeluk dat gasten vanwege de coronamaatregelen toch al niet mochten komen. Sinds begin november maken bouwvakkers hier de dienst uit. Steigers ontnemen het zicht op de kerk en het monasterium en rondom staan pallets en puincontainers.

Het monasterium, het oudste deel van het complex, wordt het nieuwe onderkomen van de twintig benedictinessen. Nu wonen zij in de vleugel die een halve eeuw geleden werd bijgebouwd omdat het klooster te klein was geworden voor de tachtig zusters die er toen waren.

Enkele jaren geleden beseften de zusters dat er iets moest gebeuren wilden zij in de abdij kunnen blijven. Ze besloten kleiner te gaan wonen en de vleugel te verkopen. “Wij hebben deze plek gekregen van degenen die hier voor ons leefden”, zegt zuster Martha. “En wij hopen die weer door te geven. Niet alleen de gebouwen, maar ook deze manier van leven, die voor ons de moeite waard is. Daar willen wij de gok voor wagen.”

In 1901 zochten benedictinessen uit het Franse Wisques in Oosterhout hun toevlucht, enkele jaren daarna gevolgd door de benedictijnen. In een leegstaande jongenskostschool naast het norbertinessenklooster Sint-Catharinadal stichtten deze zusters hun eigen klooster. Dat werd later uitgebreid met een monasterium en een neogotische kerk. De broeders bouwden hun Sint-Paulusabdij, waarmee de ‘heilige driehoek’ aan de rand van de stad compleet was.

Inmiddels zijn de broeders vertrokken, maar de zusters blijven. “Toen de stichtende abdis dit land kocht, besloot zij dit aan God toe te wijden”, aldus zuster Martha. “Of deze gemeenschap er over honderd jaar nog is, is in Gods hand, maar wij willen de toekomst mogelijk maken. Door deze verbouwing is er in elk geval de komende vijftig jaar nauwelijks nog onderhoud nodig.”

Tegelijk gaat de energierekening flink omlaag. De muren en het dak van het monasterium worden geïsoleerd, er komen warmtepompen en led-lampen, in de tuin komt een veld met zonnepanelen en de keuken krijgt een energiezuinige afzuigkap.

“Duurzaamheid vraagt flinke investeringen”, erkent de abdis. En soms gaat dat gewoon niet lukken. “Ik had gehoopt op een dubbel watersysteem, zodat drinkwater niet door het toilet gespoeld hoeft te worden. Maar daarvoor moeten overal dubbele leidingen aangelegd worden en dat werd te kostbaar.”

Het toilet spoelen de zusters dus nog maar door met opgevangen kraanwater, zoals ze ook op andere manieren zorgvuldig omgaan met grondstoffen en ingrediënten. “Van de koffie die over is, maken we pudding, en in de soep kun je de maaltijd van gisteren herkennen”, illustreert de abdis.

“Benedictus bepleitte soberheid. Dat ligt aan de basis van onze keuzes: gebruik wat je nodig hebt. Wij hebben geen huis voor tachtig mensen nodig. En de douches kunnen we delen. Maar een refter en een recreatiezaal hebben we wel nodig, en ook na lang puzzelen pasten die niet in het monasterium. Daarom komt er een uitbouw.”

Wie kleiner gaat wonen, houdt spullen over: overtollig meubilair en huisraad verkopen de zusters via een digitale en een fysieke kloostermarkt. Veel materiaal wordt ook hergebruikt. Zo maken vrijwilligers zitjes voor het gastenhuis uit oude kapstokken.

Ook bij de renovatie wordt materiaal opnieuw benut. De abdis prijst zich gelukkig met een restaurateur die daarin volop meedenkt. Zo wist hij de schouw in haar kantoor te redden, waarin het Franse kloosterwapen van de zusters van Wisques is verwerkt. De nieuwe keuken wordt er gewoon omheen gebouwd. “Zo brengen mensen van buiten ons ook tot inzichten.”

Zo ook de tuinman, die de zusters helpt met het onderhoud van bijna tien hectare tuin en bos. “Toen hij hier begon, wilde hij zonder chemische bestrijdingsmiddelen gaan werken. Ik zei: ‘Daarmee red jij het niet om het onkruid binnen de perken te houden.’ Maar tot nu toe is het hem gelukt.”

Zelf heeft zuster Martha zich ontfermd over de olijfboom die tegen de muur van het monasterium aan staat. Voorzichtig zijn de steigers eromheen gebouwd. “Hij wilde eerst maar geen vrucht dragen, dus hij is al een keer verplaatst. Nog een keer overleeft hij niet.”

Groene kloosters

Voor veel kloostergemeenschappen is een zorgvuldige omgang met de schepping al eeuwenlang een belangrijke waarde. Als vervolg op het project ‘Groene parochies in Nederland’ onderzoekt theoloog Elisabeth Hense van de Radboud Universiteit Nijmegen dit jaar wat gemeenschappen van religieuzen, zoals kloosters, op het gebied van groen en duurzaamheid doen. In samenwerking met de Radboud Universiteit Nijmegen en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) publiceert KN hierover een reeks verhalen, die ook hier te lezen zijn op ru.nl/groeneparochies.