Zoek in de site...

Eeuwige rust op de natuurbegraafplaats van de zusters

Het was het verlangen naar stilte dat de zusters trapistinnen van Abdij Koningsoord ruim tien jaar geleden deed besluiten om vanuit Brabant naar Arnhem te verhuizen. De natuurbegraafplaats die zij hier aanlegden, moet die stilte beschermen. De doden vinden er eeuwige rust.

Door Pauline van Kempen

Tussen de verdorde zuring bloeit, tot vreugde van zuster Pascale, de heide. Op haar dagelijkse wandeling ontdekt de abdis van Koningsoord steeds weer nieuwe paarse plukjes. Twee jaar geleden is op de verschraalde zandgrond heideplagsel aangebracht, maar op Koningsakker is het altijd afwachten wat er gebeurt. “Natuurlijk hebben we veel gebeden”, grapt ze. “Maar de natuur is hier de baas.”

Koningsakker is de natuurbegraafplaats die de zusters trapistinnen van Koningsoord in de zomer van 2019 pal tegenover hun abdij in de bossen van Arnhem openden. Verspreid over de glooiende velden, waar voorheen vooral mais verbouwd werd, liggen inmiddels zo’n honderd doden op een zelfgekozen plek begraven. Het is een primeur voor Europa, zegt zuster Pascale. “Alleen in de Verenigde Staten waren al twee kloosters met een natuurbegraafplaats.”

Natuurbegraven is ook in Nederland voor steeds meer mensen een bewuste keuze. Onderhoud is niet nodig en de rustplaats is voor eeuwig: het graf wordt niet geruimd maar ‘teruggegeven’ aan de natuur. De kleding van de overledene en de kist zijn daarom van natuurlijk materiaal, net als het gedenkteken, dat hooguit nog enkele jaren aan het graf herinnert.

Op Koningsakker is dat een boomschijf uit het bos van de zusters met een inscriptie naar wens. Enkele graven zijn bedolven onder fleurige boeketten. “Die mogen hier blijven liggen tot twee weken na de uitvaart”, vertelt zuster Pascale. “Dan worden ze weggehaald en neemt de natuur het over.”

In het voorjaar van 2009 verruilden de zusters hun oude Abdij Koningsoord in Berkel-Enschot voor een nieuw klooster bij Arnhem. Het Brabantse dorp was hen te druk geworden, met een winkelcentrum naast de deur en een stad (Tilburg) die steeds verder oprukte. “Wij zoeken een leven in stilte”, verklaart de abdis. “En dat werd steeds lastiger.”

Na een lange zoektocht (“het is een hele klus om in Nederland een rustige plek te vinden”) kwam het landgoed Johannahoeve van de missionarissen van Mill Hill in beeld. Daar, op de grens met Oosterbeek, was nog wel ruimte voor achttien trapistinnen.

Alleen de maisvelden baarden de zusters zorgen. Wat als die ook weer geannexeerd werden, bijvoorbeeld door het naastgelegen sportcentrum Papendal? “Dat wilden we niet opnieuw laten gebeuren”, aldus zuster Pascale. “Dus toen we de kans kregen, hebben wij de gronden gekocht om de abdij te beschermen.”

Intussen zochten de trapistinnen ook naar een nieuwe, liefst duurzame activiteit die voor de nodige inkomsten kon zorgen. Iemand ‘van buiten’ kwam met het idee om op het 17 hectares tellende perceel een natuurbegraafplaats te beginnen. “Iedereen lachte”, herinnert zuster Pascale, destijds de econoom van het klooster, zich. “Niemand wist wat het was.”

Toch liet het idee hen niet los. De zusters staken hun licht op bij andere natuurbegraafplaatsen, bezonnen zich op hun traditie en begonnen er langzaam in te geloven. “Waarom niet eigenlijk? Het creëren van nieuwe natuur was voor ons heel aantrekkelijk. Het past ook bij onze traditie, de natuur is belangrijk voor onze spiritualiteit. En misschien kunnen we hiermee als klooster iets betekenen voor mensen van nu.”

Er volgden de nodige hobbels en kuilen - de bestemmingsplanwijziging werd tot aan de Raad van State aangevochten - maar de natuurbegraafplaats kwam er. Voor het ontwerp liet de landschapsarchitect zich inspireren door de besloten binnentuin van de abdij, de hortus conclusus. Vier velden, omgeven door bos, weerspiegelen in hun beplanting de vier seizoenen, voor zover de natuur dat toestaat.

De begeleiding van de uitvaarten, de exploitatie en het natuurbeheer zijn in handen van een professionele staf. Zelf helpen de zusters soms bij een uitvaart en zijn ze op zondagmiddag present in het ontvangsthuis van Koningsakker, waar nabestaanden en belangstellenden terechtkunnen voor koffie en gesprekken.

Dat is een bewuste keuze, stelt zuster Pascale, net zoals het een bewuste keuze is om de ingang van Koningsakker niet naast het klooster te situeren. “Er is verbinding, maar het is een subtiele verbinding. Niet iedereen wil op zo’n moment met een zuster geconfronteerd worden. Maar men is altijd welkom bij onze diensten.”

De zusters op hun beurt hebben geen keuze. Vanuit de ziekenzaal kijken ze zelfs rechtstreeks over de dodenakker uit. Dat is niet erg, zegt de abdis. Ze citeert uit de Regel van Benedictus: ‘Wij moeten de dood dagelijks voor ogen houden’. Dat is wat de zusters doen. “We weten dat we sterfelijk zijn. Dagelijks bidden wij in de vespers voor de levenden en de doden. Nu bidden we ook voor de doden op Koningsakker.”

Project Groene parochies en kloosters

Voor veel kloostergemeenschappen is een zorgvuldige omgang met de schepping al eeuwenlang een belangrijke waarde. Als vervolg op het project Groene parochies in Nederland onderzoekt theoloog Elisabeth Hense van de Radboud Universiteit Nijmegen dit jaar wat gemeenschappen van religieuzen, zoals kloosters, op het gebied van groen en duurzaamheid doen. In samenwerking met de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) publiceert KN hierover een reeks verhalen, die ook te lezen zijn op ru.nl/groeneparochies.