Zoek in de site...

Een grote en vreselijke vloed als symbool in de Nederlandse kunst- en literatuurgeschiedenis

Datum bericht: 23 september 2021

Door de Sint-Elisabethsvloed ontstond in één dag de Biesbosch. De overstroming kostte duizenden mensen het leven. En een baby overleefde doordat een kat haar drijvende wiegje in balans hield. De watersnoodramp van 1421 was een basis voor mythevorming en een rijke herinneringscultuur. Vanaf de vijftiende eeuw vereeuwigden talloze schilders, schrijvers, prenten- en kaartenmakers de ramp. Historica Hanneke van Asperen en collega’s maakten een boek over de mythevorming en de culturele verbeelding van de Sint-Elisabethsvloed.

Wie ‘watersnoodramp’ hoort, denkt waarschijnlijk aan die van 1953 en niet aan die van 1421. ‘De ramp van 1953 is ons referentiekader als het gaat om watersnood in Nederland. Maar Nederland heeft met regelmaat te kampen gehad met watersnoden en mensen waren er tot in de eerste helft van de 20ste eeuw op ingesteld dat er af en toe een dijk doorbrak’, zegt Hanneke van Asperen, die samen met collega-historici Lotte Jensen en Marianne Eekhout een boek maakte over de grote en vreeselike vloed van 1421: de Sint-Elisabethsvloed.

De vloed

De Sint-Elisabethsvloed vond zeshonderd jaar geleden plaats: in november 1421 brak er een dijk door tijdens een stormvloed, waacover de grote en vreeselike vloedrschijnlijk bij Wieldrecht in de buurt van Dordrecht. Daardoor kwam het drooggepolderde gebied de Grote Waard langzaam onder water te staan. Door een zeer hoge waterstand van de Rijn en Maas, brak in december bij Werkendam nog een dijk door en ontstond er een geul door de Grote Waard. De gevolgen waren toen nog redelijk te overzien, maar de breuk in de eerste dijk werd nooit gerepareerd. Het gat werd steeds groter totdat het met de middelen van die tijd niet meer gedicht kon worden. Uit het moerassige gebied dat daardoor ontstond is in tientallen jaren de Biesbosch ontstaan.

Snel na de vloed kwamen de legendes op gang: 72 dorpen liepen onder, tienduizenden mensen kwamen om het leven. Van Asperen: ‘Dat is allemaal fictie. Er kwamen wel dorpen onder water te staan, maar dat was een geleidelijk proces. Veel mensen hadden genoeg tijd om te vluchten. Maar zelfs mensen die weten dat dat fictie is, geloven nog dat er duizenden mensen om het leven gekomen zijn. Er zit een heleboel hardnekkige legendevorming om die vloed heen.’

Panelen

Het rijk geïllustreerde boek van Van Asperen en haar collega’s gaat in op de mythevorming en de culturele verbeelding van de ramp. Een van de eerste kunstuitingen die de Sint-Elisabethsvloed als onderwerp had, was een altaarstuk in de vorm van een drieluik, waarvan de twee buitenste panelen open en dicht konden. Van Asperen: ‘Als het dicht was, zag je de vloed en als het open was, zag je aan de binnenkanten het leven van de heilige Elisabeth afgebeeld. Er werd dus een duidelijke link gelegd tussen de vloed en Elisabeth. Maar de buiten- en binnenkanten van de panelen zijn ooit van elkaar losgemaakt en nu zijn er vier panelen. Die zijn alle vier in het bezit van het Rijksmuseum, maar de vloedpanelen hangen in de vaste opstelling en die over Elisabeth niet. Daardoor is het verband tussen de vloed en de Heilige Elisabeth weg, terwijl die link wel heel belangrijk was voor de vroegste beeldvorming over de vloed. De heilige Elisabeth was dé patroonheilige van de liefdadigheid en als het om rampen gaat dan heeft liefdadigheid een heel belangrijke functie. Op de panelen van de vloed zie je de slachtoffers, in bootjes, op de kant, ze kijken bedrukt en ze lopen allemaal naar Dordrecht. Dus Dordrecht is hun toevluchtsoord. En als je dat koppelt aan een voorstelling van de heilige Elisabeth dan snap je dat op de panelen Dordrechts rol met Elisabeth wordt vergeleken.

SK-A-3147-A 
De Sint-Elisabethsvloed, Buitenzijde linker vleugel van een altaarstuk met de stad Dordrecht op de achtergrond. Rijksmuseum

Verandering van beeld

Het boek is geen catalogus waarin alle kunst en literatuur over de vloed is verzameld, maar het schetst in grote lijnen wat de veranderingen zijn in de betekenis van de vloed door de tijd heen. Van Asperen doet dat aan de hand van visuele voorstellingen, Lotte Jensen aan de hand van literatuur en Marianne Eekhout gaat in op de heilige Elisabeth. ‘Eigenlijk wordt de vloed steeds op een andere manier ingekleurd’, zegt Van Asperen. ‘En daarmee wordt ook invulling gegeven aan wat de Sint-Elisabethsvloed betekent. In eerst instantie ligt de nadruk op de liefdadige rol van Dordrecht, heel lokaal dus. In de 17e en 18e eeuw wordt de vloed ingekaderd in de Hoekse en Kabeljauwse twisten; de natuur reflecteerde de onrust in het graafschap Holland. In de 19e eeuw gaat het steeds meer over de Nederlandse strijd tegen het water. Die interpretaties, verschuivend van lokaal naar nationaal, zie je ook steeds terug in de kunst en de literatuur.’

Een van de mythes rond de Sint-Elisabethsvloed gaat over een baby in een wiegje. Het verhaal is dat mensen vlakbij de Grote Kerk een wiegje zien drijven. Erin ligt een klein meisje. Het wiegje dreigt in het stormachtige weer om te slaan, maar een zwarte kat houdt het in balans. De mensen halen het wiegje naar de kant, waarna de kat aan land springt en weg sprint. ‘De baby in de wieg is een element dat je vaak terugziet in afbeeldingen en literatuur over watersnoodrampen in het algemeen. Het is het soort ultieme beeld van een slachtoffer dat zichzelf niet kan redden’, legt Van Asperen uit. ‘Je ziet drijvende wiegjes ook in afbeeldingen van de zondvloed en bijvoorbeeld ook in de achtergrond op die allereerste panelen van de Sint-Elisabethsvloed. Maar pas in de 19e eeuw, als kunstenaars een voorkeur krijgen voor het individuele verhaal, het lijden van specifieke personen, dan wordt de baby in de wieg steeds populairder om het verhaal over de Elisabethsvloed te vertellen. Het detail wordt uitvergroot en uiteindelijk een symbool voor de Sint-Elisabethvloed.’

Verschillende disciplines

Aan het boek zijn nog een aantal bijdragen toegevoegd: twee onderzoekers van de TU Delft hebben aan de hand van metingen geprobeerd te reconstrueren hoeveel slachtoffers er nu echt kunnen zijn gevallen en hoeveel dorpen verwoest werden, om de feiten en fictie te scheiden. Maarten Kleinhans, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, schreef een hoofdstuk waarin hij het verhaal van de Sint-Elisabethsvloed en vooral ook van de Biesbosch ziet als soort microvoorbeeld van klimaatverandering wereldwijd. Van Asperen: ‘In het boek staan ook gedichten van Ester Naomi Perquin die ze speciaal voor dit boek schreef. Ik vind het mooi dat dit onderwerp mensen uit totaal verschillende disciplines enthousiast maakt.’

Op 3 oktober opent in het Dordrechts Museum de tentoonstelling Elisabeth en de Vloed. Ter gelegenheid van 600 jaar Elisabethsvloed zijn de vier bijzondere Elisabethspanelen samen terug in Dordrecht, waar het Dordrechts Museum ze presenteert in een intieme en sfeervolle opstelling. Op 19 november vindt een klein symposium plaats waarbij het boek ‘De grote en vreeselike vloed’ officieel gepresenteerd zal worden.