Zoek in de site...

Aardappels en aardappelen: hoe woordopslag onze taalproductie beïnvloedt

Datum bericht: 30 september 2021

In het Nederlands kan het meervoud van sommige woorden op twee manieren gemaakt worden, zoals bij aardappel: zowel aardappelen als aardappels is prima. Taalwetenschapper Tim Zee onderzocht aan de hand van deze meervoudsvariatie hoe verschillende processen een rol spelen in het menselijk taalvermogen en hoe die op elkaar inwerken.

aardappels

Het meervoud van piramide kan zowel piramides als piramiden zijn. Het Nederlands heeft meer van dat soort variabele meervouden: artikels-artikelen, aannames-aannamen, aardappels-aardappelen, piramides-piramiden, enzovoort. Ze kunnen allebei, maar welke processen in onze hersenen spelen hierbij een rol en hoe werken ze op elkaar in? Taalwetenschapper Tim Zee en zijn collega’s deden twee corpusstudies om het uit te zoeken.

Verdeling van varianten

In de eerste studie onderzocht Zee hoe de verdeling van de meervoudsvarianten tot stand komt. Waarom worden de meervouden van sommige zelfstandig naamwoorden gevormd door er -en achter te plakken en andere door er een -s achter te plakken? Zee: ‘Het meest geaccepteerde antwoord is dat er algemene patronen zijn die ervoor zorgen welke uitgang een zelfstandige naamwoord met bepaalde vormkenmerken krijgt. Bijvoorbeeld: een zelfstandig naamwoord dat eindigt met een onbeklemtoonde lettergreep krijgt vaak een -s, zoals bakkers. Een zelfstandig naamwoord dat eindigt met een beklemtoonde lettergreep krijgt juist vaak een -en: piraat - piraten. Het lijkt erop dat het Nederlands aan het einde van een woord een voorkeur heeft voor een klemtoon gevolgd door geen klemtoon. Dat noemen we een trochee. Maar soms zijn die patronen met elkaar in conflict, of is er geen duidelijke voorkeur. Dat is het geval bij piramide: je kunt daar zowel een -s als een -n achter plakken en in beide gevallen heb je een trochee aan het eind.’

Frequentere meervouden

Taalwetenschappers keken of deze patronen de verdeling van meervoudsvarianten volledig kunnen verklaren bij variabele meervouden: wanneer wordt er voor aardappels gekozen en wanneer voor aardappelen? ‘We hebben een model gemaakt dat niet-variabele meervouden verklaart, zoals bakkers en piraten’, legt Zee uit. ‘Vervolgens hebben we gekeken of we met dat model ook de verdeling van variabele meervouden kunnen verklaren. Bijvoorbeeld, kunnen we met de patronen in het model verklaren waarom het in 56 procent van de gevallen piramides is en in 44 procent piramiden?’

Uit de studie blijkt dat voor zelfstandige naamwoorden waarvan het meervoud vaker voorkomt dan het enkelvoud de generalisatie van algemene patronen minder invloed heeft dan bij zelfstandige naamwoorden waarbij maar één meervoudsvorm mogelijk is. Dat kan als volgt worden verklaard: omdat meervouden die vaker voorkomen dan het enkelvoud sterkere representaties hebben, hoeven we het meervoud niet samen te stellen uit een enkelvoud met een meervoudsuitgang. Het meervoud staat als geheel klaar in ons hoofd. Generalisatie heeft dus minder invloed, want dat patroon speelt een rol bij het vormen van een meervoud op basis van een enkelvoud. ‘Dat betekent dus dat generalisatie en woordopslag op elkaar inwerken’, concludeert Zee.

Uitspraak van s-meervoud

In de tweede studie onderzocht Zee hoe de uitspraak van variabele meervouden wordt beïnvloed door de onderlinge frequentie van de varianten. Zee: ‘Uit de eerste wisten we de frequentieverdeling tussen de meervoudsvarianten, bijvoorbeeld piramiden of piramides. En vervolgens keken we specifiek naar de uitspraak van de s-variant. Beïnvloedt de verdeling van de varianten de sterkte en duur van de uitspraak van de s?’ Op basis van voorgaand onderzoek verwachtte Zee dat bij als de s-variant meer frequent is, de s langer uitgesproken wordt. ‘Dat komt omdat de mentale representatie van die variant sterker is vergeleken met de alternatieve variant. Er is dus minder competitie van de alternatieve variant, wat tot een sterkere uitspraak leidt.’

In spraak worden veel woorden niet volledig uitgesproken. Dat wordt reductie genoemd en het gebeurt vaak bij frequentere taalelementen, zoals tuuk voor natuurlijk. Maar als er onzekerheid is over welk woord gekozen moet worden – dus bijvoorbeeld aardappelen of aardappels – dan wordt het frequentere of meer waarschijnlijke element juist minder gereduceerd uitgesproken. Het idee is dat beide elementen – in dit geval dus meervoudsvarianten - opgeslagen zijn en dat ze tijdens de uitspraak allebei actief zijn en de uitspraak beïnvloeden. Maar als de ene variant veel frequenter is dan de andere, is er minder competitie en wordt de uitspraak minder verstoort en dus sterker. ‘Overigens wordt die verklaring niet door iedereen geaccepteerd. Er wordt nog steeds onderzoek naar gedaan. Voor onze studie gingen wij er wel vanuit dat dit mechanisme aan het werk is, omdat in ons geval de alternatieve elementen (meervouden) echt allebei kunnen. Dat is in voorgaande studies minder duidelijk geweest’, aldus Zee.

Bij dit mechanisme gaat Zee er vanuit dat de meervoudsvarianten opgeslagen zijn. De eerste studie liet zien dat meervoudsvormen vooral als geheel opgeslagen worden als ze frequenter zijn dan het enkelvoud. Het effect van onderlinge frequentie zou dus ook vooral duidelijk moeten zijn bij dat soort meervoudsvormen. ‘Met andere woorden, we zouden de gevolgen van competitie tussen varianten op uitspraak dus vooral moeten zien als het meervoud vaker voorkomt dan het enkelvoud’, zegt Zee. ‘Dat is ook wat we vinden. Competitie is in dit geval afhankelijk van woordopslag. Het vernieuwende aan ons onderzoek is dat we uitspraak hebben gebruikt om dat aan te tonen, dat was nog niet eerder gedaan.’

Kennis over taalvermogen

Het onderzoek van Zee levert het bewijs dat woordopslag een cruciale rol speelt bij morfologisch complexe woorden – in dit geval dus meervoudsvarianten. Woordopslag heeft zowel effect op generalisatie als op competitie tussen woordvormen. Maar waarom willen we dat weten? Een goede vraag, zegt Zee. ‘Dit onderzoek is heel fundamenteel. Er zijn geen directe praktische implementaties, maar het draagt wel bij aan ons begrip van het menselijk taalvermogen. Hoe meer we van dat vermogen weten, hoe beter we onze onderwijstechnieken kunnen ontwerpen en hoe beter de technologische toepassingen worden.’

Verder lezen: Paradigmatic Relations Interact During the Production of Complex Words: Evidence From Variable Plurals in Dutch