Zoek in de site...

Olympische idealen: méér dan sport alleen

Door Jelle Zondag

Hoewel winnen op de Olympische Spelen tegenwoordig vaak minstens zo belangrijk wordt gevonden als meedoen, presenteert de Olympische Beweging zich ook altijd als méér dan alleen een topsportverbond. Sport draait niet alleen om het bereiken van topprestaties, maar wordt ook gezien als instrument voor internationale verbroedering en als heilmiddel tegen tal van maatschappelijke kwalen. ‘Sport is passie, sport verbroedert, sport is gezond. Sport haalt het beste in mensen naar boven, zorgt voor vriendschap en voor respect. Ons doel is te zorgen dat echt iedereen doet aan, geniet van en wint door sport’, zo valt er op de site van het Nederlands Olympisch Comité (NOC) te lezen. Fraaie, doch ook wat naïeve woorden, wanneer de incidenten op een gemiddelde zaterdagmiddag op de Nederlandse amateurvelden in ogenschouw worden genomen. Aan fraaie idealen heeft het binnen de Olympische Beweging echter nooit ontbroken.

Nationalisme en internationalisme

Te begiOlympism. Selected Writings van Pierre baron De Coubertinnnen bij de oprichter van de moderne Olympische Spelen, de Franse baron Pierre de Coubertin (1863-1937). Rond De Coubertin heeft altijd de vraag gehangen of hij nationalist of internationalist was. Waarschijnlijk was hij beide. Voor de baron was sport in de eerste plaats een vehikel om het Franse blazoen weer op te poetsen, na de traumatische nederlaag in de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. Sport moest de Franse jeugd maken tot gezonde en krachtige, maar ook karaktervolle, eerlijke en gedisciplineerde jongelieden, die ervoor konden zorgen dat de Franse grandeur hersteld werd. Voor De Coubertin was sport echter ook een instrument voor internationale samenwerking en verbroedering. In de Olympische arena konden jonge mannen uit verschillende landen en culturen het tegen elkaar opnemen, waardoor onderling begrip en vriendschappen zouden ontstaan. De vreedzame rivaliteit op het sportveld zou dan de plaats innemen van gewelddadige militaire confrontaties. Nationalisme en internationalisme gingen bij De Coubertin zodoende hand in hand. De internationale verbroedering vond wel exclusief plaats tussen mannen, want in de ogen van de Fransman was sport zeker geen activiteit voor iedereen. Vrouwen kwamen volgens hem het best tot hun recht in het huishouden en zeker niet op het sportveld. Zijn mooie ideeën konden ook niet voorkomen dat sporters uit Frankrijk en Duitsland elkaar op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog de vernietiging in hielpen. Als straf mochten de verliezers van deze strijd na de oorlog niet aan de Olympische Spelen deelnemen. Ook het idee van vriendschap en verbroedering kende voor De Coubertin dus zo zijn grenzen.

Een weerbaar rasBaron F.W.C.H. ‘Frits’ van Tuyll van Serooskerken (1851-1924)

Baron F.W.C.H. ‘Frits’ van Tuyll van Serooskerken (1851-1924) kan worden beschouwd als de Nederlandse De Coubertin. Van Tuyll was het eerste Nederlandse lid van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en richtte in 1912 het NOC op. Evenals zijn Franse collega-baron was hij een man met een groot maatschappelijk harzag hij in sport een bet en langrijk nationalistisch instrument. Volgens Van Tuyll moest sport de Nederlandse jeugd krachtig en vaardig maken en hen voorbereiden op het latere maatschappelijke leven. Juist in de 20e eeuw – ‘de eeuw van de snelle veranderingen’ – achtte hij dit van het grootste belang. Naties streden volgens hem niet alleen op het sportveld met elkaar, maar ook daarbuiten: ‘Wij moeten krijgen, een physiek goed ontwikkeld ras, willen wij, als natie, zelfs maar gelijk blijven met andere volken in den grooten wedstrijd op industrieel gebied, die ongetwijfeld volgen moet op een algemeen vrede’, zo stelde hij in 1919 op het Nationaal Congres voor de Weerkracht van het Nederlandsche Volk. Verheven idealen over internationale verbroedering vallen in deze woorden nauwelijks te herkennen. Vanuit de ambitie een weerbaar ‘ras’ te kweken, spande het NOC zich niet alleen in voor de afvaardiging van Nederlandse Olympiërs, maar ook voor de groei van de breedtesport, de verspreiding van lichamelijke oefeningen in het onderwijs en voor de verbetering van de lichamelijke conditie van de Nederlandse soldaten.

Volkskracht en volkswelvaart

P.W. Scharroo. Nederland en de Olympische Spelen (1923)De betrokkenheid van legerofficier P.W. ‘Piet’ Scharroo (1883-1963) bij de Olympische beweging is eveneens te verklaren vanuit zorgen over de fysieke gesteldheid van de Nederlandse rekruten. Scharroo was tussen 1924 en 1957 lid van het IOC, waarmee hij de langst zittende Nederlandse IOC-bestuurder ooit is. Ook voor Scharroo was sport in de eerste plaats een middel ter meerdere eer en glorie van de eigen natie. Sport moest de militaire en economische ‘volkskracht’ van het land verhogen, zo zette hij in tal van publicaties uiteen. Dat gold niet alleen voor de sportbeoefening zelf, maar ook voor de organisatie ervan. Een vlekkeloze organisatie van de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam diende ervoor te zorgen dat Nederland in het buitenland een reputatie zou krijgen waarvan handel, industrie en de ‘algemeene volkswelvaart’ zouden profiteren. Idealen over internationale verbroedering speelden bij Scharroo maar in zeer beperkte mate een rol. Zo verzette hij zich in 1952 nog tegen de deelname van Duitse en Japanse sporters aan de Olympische Spelen van Helsinki, aangezien dit de landen ‘die zo intens geleden hebben onder de Duitse slavernij’ zou kunnen kwetsen. Een discussie waarbij hij overigens aan het kortste eind trok.

Een vredelievende mensheid

W. van Zijll. De Olympische Beweging en haar betekenis voor de sportbeoefening (1956)Voormalig NOC-directeur Wim van Zijll (1916-2011) is de eerste en tot nu toe enige Nederlander die promoveerde op de Olympische Beweging. Van Zijll was een Olympiër in optima forma, die daadwerkelijk geloofde in de verheffende kracht van sport. De Olympische gedachte bracht volgens hem het geloof in ‘een gelukkige, vredelievende mensheid’ tot uitdrukking ‘en de overtuiging, dat het mogelijk moet zijn om de jeugd van alle landen in een vreedzame en sportieve strijd dichter bij elkaar te brengen.’ In zijn proefschrift De Olympische Beweging en haar betekenis voor de sportbeoefening uit 1956 moest hij echter vaststellen dat deze gedachte nog lang geen algemene ingang had gevonden bij het Nederlandse volk. Of hij daarbij ook op zijn voorgangers doelde is moeilijk vast te stellen, maar een man als Scharroo zal zich nauwelijks in zijn optimistische woorden herkend hebben. Van Zijll meende daarbij dat het IOC een voorbeeld moest zijn van ‘positief gerichte’ internationale samenwerking, om aan te tonen wat vreedzame internationale betrekkingen in praktijk konden bereiken. Wederom een gloedvol ideaal waar veel nationale Olympische bonden toch weinig boodschap aan hadden, getuige onder meer de boycots op de Olympische Spelen van 1956, 1976 1980 en 1984. Van Zijll wist zelf ook wel beter: hij was Chef de Mission tijdens de door Nederlande geboycotte Spelen van 1956. De Russische dopingcrisis en de dreigende woorden van de president Poetin, die waarschuwt dat de Olympische beweging afstevent op een breuk, tonen aan dat de 'positief gerichte' internationale samenwerking binnen het IOC op dit moment ook ver te zoeken is.

Bovenstaande bloemlezing laat zien dat sport binnen de Olympische beweging altijd meer is geweest dan alleen sport. Sport werd, en wordt, beschouwd als een idealistische activiteit, die moest zorgen voor vrede, vriendschap en verheffing. Mooie idealen die vaak spaak liepen op de weerbarstige realiteit. Een discrepantie waarvoor op korte termijn geen oplossing valt te verwachten, gezien ook de huidige discussies rond de deelname van Russische atleten.