Jeroen de Jong portret
Jeroen de Jong portret

Column Jeroen de Jong: To AI or Not to AI

That is the question. Nu iedereen van de eerste schrik is bekomen over de mogelijke impact van AI voor hoger onderwijs doemt de volgende vraag op; Wat moeten we er nou eigenlijk mee? Ja, je kunt leuke plaatjes maken in de stijl van Gibli met GenAI, je kunt Sinterklaasgedichten maar ook essays maken met GenAI, en brainstormen met GenAI over onderzoek. Dat kán allemaal. Maar wat moeten we er dan precies mee in onderwijs? Dat studenten het massaal gebruiken (volgens de recente VOX-uitgave over AI gebruikt 70% van de studenten een of meerdere keren per week GenAI) betekent nog niet dat GenAI een meerwaarde heeft voor ons onderwijs. Het wordt tijd dat we die vraag centraal gaan stellen. Zien we GenAI als een mogelijk nuttig hulpmiddel voor effectiever studeren, of zien we een concrete meerwaarde van GenAI in de academische vorming van onze studenten?  

Hierbij spelen minstens twee belangrijke perspectieven een rol. Allereerst het feit dat GenAI een woordvoorspeller is die niet kan “denken”, maar op basis van statistische algoritmen het best passende woord voorspelt. Daarnaast is die voorspelling ook nog eens gebaseerd op bias, inbreuk op copyrights, en worden ze gedaan door energie- en waterslurpende datacenters. Tel daarbij op dat de meest gebruikte GenAI zoals ChatGPT en CoPilot Amerikaans zijn, wat gezien de huidige geopolitieke omstandigheden een allerminst wenselijke situatie is. Er zitten dus allerlei haken en ogen aan de technologie zelf.  

Een rondje in mijn persoonlijke netwerk van docenten en leerlingen van middelbare scholen leert ook dat daar niets tot zeer weinig gedaan wordt aan bewustwording van die haken en ogen op het gebied van GenAI. Dat is overigens geen onwil van middelbare scholen, maar komt voort uit een gebrek aan middelen om hier serieus op in te zetten. Leerlingen van middelbare scholen komen dus bij ons studeren met minimale kennis van zaken over het verantwoorde gebruik van AI. Anderzijds is er de werkelijkheid van de steeds verder gaande implementatie van AI in de samenleving. Volgens het CBS gebruikt 60% van de grotere bedrijven in Nederland al één of meerdere AI-technologieën. Grote consultancybureaus stellen AI-ambassadeurs aan om het gebruik van GenAI bij medewerkers te bevorderen. De kans dat een afstudeerder van onze universiteit al aan het begin van de carrière met AI-technologie gaat werken is dus levensgroot.  

Dit tezamen stelt de universiteit voor belangrijke vragen met betrekking tot AI. De ethische en duurzaamheids-gebreken van AI staan namelijk loodrecht tegenover het de toename van het gebruik van AI in de samenleving. Hoe gaan we daar als Radboud Universiteit positie in nemen wanneer we aan de ene kant duurzaamheid hoog in het vaandel hebben staan, maar ook de ambitie hebben om aan te sluiten bij het werkveld? Daarbij komt dat de verantwoordelijkheid voor AI-geletterdheid, en dan met name het kritisch reflecteren op GenAI op het bordje van universiteiten ligt. Hoe gaan we ervoor zorgen dat we studenten opleiden tot kritische gebruikers, even aangenomen dat studenten het sowieso blijven gebruiken. Wat vinden we als universiteit onze verantwoordelijkheid hierin? Dit vraagt om keuzes en visie.  

De meest cruciale vraag die hieronder ligt is misschien wel de volgende: zien we GenAI als een (soms geoorloofd, soms ongeoorloofd) hulpmiddel dat studenten helpt met studeren, of als een technologie die de eindtermen van onze opleidingen wezenlijk anders maakt? Wanneer we het zien als hulpmiddel, dan moeten we kijken hoe we de toetsing van de huidige eindtermen kunnen waarborgen tegen het ongeoorloofd gebruik van GenAI. Dat betekent: duidelijke regels, AI-proof tentamens, en het expliciet opnemen van GenAI in frauderegelingen van de Onderwijs- en Examenreglementen. Het gevolg is dan een kat-en-muis-spel tussen student en docent, tussen studenten en Examencommissie, maar het is weldegelijk een begrijpelijke keuze.  

Ik ben dan toch meer voorstander van het meer risicovolle en ingrijpender “never waste a good crisis”-perspectief. Of zoals een collega bij het TLC het treffend omschrijft; “Rondom GenAI weet eigenlijk niemand het antwoord, en daar hebben we het dan over met z’n allen”. Laten we gebruik maken van die onwetendheid, en eens goed naar onze eindtermen kijken, naar de redenen van ons bestaan. Waar zit de toegevoegde waarde van ons onderwijs, wanneer we weten dat ChatGPT teksten kan produceren die nauwelijks te onderscheiden zijn van teksten van studenten? Wat willen we nou echt dat studenten kunnen en weten aan het einde van de rit? Want in de grote boze buitenwereld zijn er straks geen Examencommissies of frauderegelingen die studenten gaan weerhouden van het gebruik van GenAI. Sterker nog, daar zal het zeer waarschijnlijk op een bepaalde manier onderdeel zijn van hun werk.  

In een wereld vol AI, wat is nu hetgeen ze hier op onze universiteit leren dat ze niet uit GenAI kunnen halen? Studenten lopen hier vier, vijf of soms zes jaar rond, wat willen we nou écht met ze bereiken in die jaren? Pas wanneer we hier een passend antwoord op hebben, kunnen we gaan nadenken over welke didactische meerwaarde GenAI heeft voor ons onderwijs. GenAI vraagt dus niet alleen om reactieve prioritering, of om wat mag en wat kan met GenAI. Het vraagt om het proactief zoeken naar antwoorden op essentiële vragen over de positie van de universiteit ten opzichte van de samenleving, de verantwoordelijkheid van de universiteit als opleider, en over de raison d’être van universiteiten.     

Contactinformatie

Jeroen is Themaleider Onderwijsinnovatie bij het Radboud Teaching and Learning Centre en universitair hoofddocent Strategisch Personeelsmanagement.