In de drie weken tussen de kerstvakantie en de start van het derde onderwijsblok ervaren velen van ons, ikzelf inbegrepen, eindelijk de ruimte om lang uitgestelde reviews af te ronden, onderzoeksvoorstellen te schrijven en nieuwe ideeën voor onderwijs en onderzoek uit te werken. Dus ik doordacht nieuwe werkvormen, had ik eindelijk leestijd en kwam ik dus nieuwe literatuur tegen die perfect in de cursus van blok 3 past. En het is pas januari, dus tijd genoeg om daar iets mee te doen in die cursushandleiding en collegevoorbereiding.
Nou heb ik het geluk dat ik in blok 3 onderwijs geef met een fijne collega waarmee ik halverwege januari brainstormde over werkvormen, nieuwe literatuur en hoe dat in de lijn van de cursus past. Maar in de laatste week voor de start van periode 3, kwamen er toch wat kinken in de spreekwoordelijke kabels. Die leuke nieuwe werkvorm, daar wilden we een bepaalde opstelling voor maken in de ruimte. “Helaas” is de groep in deze cursus rond de honderd studenten en we zitten dus in een klassieke hoorcollegezaal. Op een maandag, dus ik realiseer me dat dat ook een luxe is. Wisselen bleek geen optie meer, want andersoortige ruimtes waren niet beschikbaar voor honderd studenten en zeker niet op deze korte termijn. Lang verhaal kort, we deden grofweg wat we voorheen ook deden (maar natuurlijk nét iets beter). Klassieke hoorcolleges, want dat is efficiënt en zo bedien je veel studenten in één keer. We zoeken zoveel mogelijk interactie, maar de zaal werkt niet mee. Zo’n hoorcollegezaal doet nogal denken aan een klassiek Romeins theater en versterkt vooral de hiërarchie: wie op het podium staat, vertelt. Wie op de tribune zit, luistert. Áls er al interactie plaatsvindt, dan is het van toehoorder naar spreker, zelden als gesprek tussen studenten.
Nog lichtelijk teleurgesteld van de niet-gelukte plannen las ik het nieuwe instellingsplan. Daar las ik dat we “hoogwaardige opleidingen bieden met persoonlijke en vernieuwende onderwijsvormen”, en “didaktiek van de toekomst” nodig hebben. Ja, precies waar ik in januari aan zat te denken, daar kan ik aan bijdragen. Daarbij waren we tijdens de laatste visitatie positief beoordeeld, dus met die kwaliteit(zorg) zal het toch wel prima zijn. Verder speurend naar hoopvolle glimpen van een mooie toekomst van ons onderwijs, zie ik termen als “interdisciplinair, interfacultair, individuele en groepservaringen”. In mijn cursus zitten ook studenten van andere faculteiten, we benutten de domeinverschillen tussen de twee collega’s als onderdeel van het onderwijs, dus ook dat interfacultaire en team-based onderwijs doen we. Verder lees ik vooral administratieve ‘ambities’ om toch de studenteninstroom gelijk te houden ondanks de demografische krimp in ons eigen land.
Maar waar het onderwijs nú al direct van kan profiteren is ruimte voor die didaktiek van de toekomst. Of op z’n minst vernieuwde onderwijsvormen, daar hebben we geen kristallen bol voor nodig. Met alle ontwikkelingen die op ons afkomen van AI en digitale geletterdheid tot duurzaamheidsvraagstukken en de veranderende competenties op de arbeidsmarkt, moeten we dan niet gisteren al nadenken over de taak en rol van universitair onderwijs in de samenleving? Wat verstaan we onder ‘hoogwaardig onderwijs’? En hoe kunnen we zorgen dat onze docenten dat tot stand brengen? Als docent waren dat nou precies de onderwerpen van mijn januari-overpeinzingen.
Eigenlijk is het niet vinden van een goed passende onderwijsruimte een mooie metafoor. We hebben behoefte aan passende fysieke ruimtes voor innovatieve werkvormen en didaktiek van de toekomst. Maar ook aan mentale ruimte, om te zorgen dat nieuwe ideeën, werkvormen en wetenschappelijke inzichten een plek kunnen krijgen in ons onderwijs. En beslisruimte, om keuzes te maken die zorgen voor dat hoogwaardig onderwijs, eigen verantwoordelijkheid van studenten, en natuurlijk ruimte om af en toe een fout te maken en daarop te reflecteren. Op universitair niveau gaat het niet om het uitwerken van wat die vaardigheden precies zijn, of om de exacte definitie van ‘hoogwaardig’. De invulling van ‘hoogwaardig’ onderwijs wordt ten slotte deels en pas achteraf bepaald door de toekomstige werkgever en alumni van onze opleidingen. Wat we nodig hebben, is ruimte om daar doorlopend reflexief naar te kijken.
Of we die ruimte voldoende hebben, daar kunnen we eens een kop koffie over drinken. Of we de ruimte voelen, daar durf ik wel een gok op te wagen. Veel ervan wordt op dit moment verdrongen. Mentale ruimte door een enorme druk op efficiëntie en vastgelegde taaklast; fysieke ruimte door de beperkingen voor innovatieve werkvormen en daardoor uiteindelijk de beslisruimte als het gaat om kiezen voor innovatieve werkvormen in onderwijs.
Maar ik ben ervan overtuigd dat het kan, zelfs met een klassieke hoorcollegezaal is fysieke ruimte in te richten voor meerdere werkvormen. Dat betekent ook investeren in de zalen, in mensen, en in het doorlopende gesprek over ‘didaktiek van de toekomst’. Ik hoop van harte dat we daar samen allerlei ruimte voor kunnen maken.