Door een negatief zelfbeeld besloot Jan enkele jaren geleden naar een psycholoog te gaan. Zij herkende in zijn verhaal veel kenmerken van ADHD. ‘Van kinds af aan merkte ik dat mijn hoofd anders werkte dan dat van klasgenootjes’, blikt Jan terug. ‘Ik dacht en werkte anders en kon mijn weg in het schoolsysteem moeilijk vinden. Maar niemand dacht eraan om mij op ADHD te testen.’
Zijn psycholoog vergeleek zijn hoofd met een hotel met een beperkt aantal kamers. ‘Als alle kamers vol zitten, raak je overprikkeld. Het lastige bij ADHD is dat de filter, die onnodige prikkels tegenhoudt, soms minder goed of helemaal niet werkt. Dan raakt je hoofd dus sneller vol dan bij een ‘normaal’ persoon, en wordt het heel moeilijk om je aandacht ergens bij te houden.’ In een restaurant merkt hij bijvoorbeeld veel tegelijk op. ‘Dan luister ik naar gesprekken links, rechts en achter me, zie ik wat de ober doet en kijk ik ook nog naar de barman en open keuken. Maar dan kan ik me niet focussen op degene tegenover me.’
De constatering dat hij ADHD heeft, zorgde vooral voor opluchting. ‘Mijn psycholoog zei: je gaat niet veranderen hoe je hoofd werkt. Die acceptatie hielp enorm, ook tegen mijn negatieve zelfbeeld. Mijn hoofd werkt gewoon anders.’ Ook de herkenning bij andere mensen met ADHD doet hem goed. ‘Soms weten zij na drie woorden al precies wat ik bedoel. Echt een verademing.’
Houvast door structuur
Tijdens therapie leerde Jan niet om zijn ADHD te veranderen, maar om ermee om te gaan. Structuur helpt hem om de kamers in zijn hoofd geordend te houden. ‘Mijn agenda is heilig. Alles moet erin: mijn boodschappenlijst, dat ik iets moet ophalen of iemand een appje moet sturen. Noteer ik dat niet, dan vergeet ik het.’
Die structuur helpt hem ook op zijn werk. Na zijn diagnose wist hij bovendien beter welk soort baan bij hem paste. ‘Ik heb veel afwisseling nodig, omdat ik snel verveeld raak. Mijn huidige werk als contentspecialist studentenwerving is daarom perfect. Ik heb veel verschillende verantwoordelijkheden en ga met plezier naar mijn werk.’
Dagen vol vergaderingen zijn lastiger, vooral als hij daarin een passieve rol heeft. ‘Als ik lang moet luisteren, wordt op een gegeven moment alles eromheen interessanter dan waar de meeting over gaat.’
Voor Jan is het daarom een bewuste keuze om open te zijn over zijn ADHD. ‘Mijn collega’s zijn superbegripvol en weten hoe ik werk. Mijn gedachten zijn tijdens gesprekken vaak al twee zinnen verder. Dat komt niet voort uit desinteresse, maar juist uit enthousiasme.’ Duidelijke afspraken zijn essentieel. ‘Als iemand een verzoek aan mij heeft, helpt het als diegene dat voor mij op de mail zet en precies aangeeft wat nodig is en wat de deadline is. Dat geeft me structuur.’
Van ADHD naar kracht
ADHD brengt Jan niet alleen uitdagingen, maar ook sterke kanten. ‘Ik kan vlot schakelen, leer snel en ben creatief. Als ik iets leuk vind, kom ik in een hyperfocus en vergeet ik alles om me heen, zelfs de tijd. Juist door structuur aan te brengen, kan ik die eigenschappen beter benutten.’
Volgens Jan hoef je geen diagnose te hebben om bespreekbaar te maken wat je nodig hebt. ‘Iedereen heeft een eigen manier van werken. Je hoeft niet per se de diagnose ADHD of autisme te hebben om tegen bepaalde kenmerken aan te lopen die op het spectrum van neurodivergentie liggen.’
Die openheid maakte voor hemzelf een wereld van verschil. ‘Ik heb lang gedacht: er is iets mis met mij. Nu begrijp ik waarom het in mijn hoofd anders werkt dan bij anderen. Daar hoef ik me totaal niet voor te schamen. Het is wie ik ben en daar is niks mis mee.’
Wat is zijn advies aan (neurodivergente) collega’s?
‘Je hoeft niet iedereen bij elkaar te roepen en te vertellen wat je hebt. Je kunt ook zeggen: drie vergaderingen achter elkaar werkt voor mij niet, kunnen we die verspreiden? Wees eerlijk over wat je nodig hebt, dan ontstaat er altijd een weg om ermee om te gaan.’