Steeds meer middelbare scholen hebben een thuis-of in de kluisbeleid: leerlingen moeten hun telefoons thuislaten of in hun kluisje. ‘Ons eerdere onderzoek liet zien dat dat beleid vaak goed werkt’, aldus Pouwels. ‘Maar er bleven nog vragen over, zoals welke maatregelen ouders nemen en of het beleid voor alle jongeren goed is.’
De onderzoekers willen weten hoe ouders en scholen regels beter op elkaar kunnen afstemmen. Daarnaast kwam uit het vorige onderzoek de vraag naar voren hoe scholen leerlingen beter kunnen betrekken bij het beleid. Daarvoor is het volgens de onderzoeker belangrijk dat ouders, scholen en jongeren samen nadenken over welke maatregelen het beste werken: een nieuw Citizen Science project was geboren: Thuis én in de kluis.
Wie zijn precies de ‘citizens’ in dit project?
‘Jongeren, ouders, leerkrachten en maatschappelijke partners. Er zijn scholieren betrokken via onder meer het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS), de Nationale Jeugdraad (NJR) en Mind, ouders via de organisaties Ouders & Onderwijs en de beweging Smartphonevrij Opgroeien en leraren via onder andere de VO-raad. Maar ook organisaties als het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en het Trimbos-instituut werken mee aan het onderzoek.’
Hoe vind je deelnemers?
‘We wilden alle perspectieven vertegenwoordigd hebben. Niet heel Nederland hoeft mee te doen, maar we hebben er wel op gelet dat we bijvoorbeeld verschillende soorten scholen en thuiscontexten meenemen. Dus we sluiten speciaal onderwijs niet uit in dit onderzoek en we kijken ook naar de situatie voor jongeren in jeugdzorginstellingen.’
Hoe houden jullie de deelnemers betrokken?
‘We wilden alle partijen er vanaf het begin bij betrekken, in plaats van af en toe een keer een panel raadplegen, zoals ook vaak gebeurt als onderzoekers een beurs krijgen. We interviewen mensen uit al die groepen, maar ze zijn er ook bij op belangrijke momenten: ze schreven mee aan het onderzoeksvoorstel, leveren door het jaar heen input en komen eens per jaar naar de bijeenkomsten.
We wilden vooral de jongeren zelf graag betrokken houden, dus daarvoor hebben we al bij het onderzoeksvoorstel een communicatieplan gemaakt. Dat is echt een randvoorwaarde om dit onderzoek te laten slagen. Het is ook belangrijk om goed naar de deelnemers te luisteren. Zo organiseerden we een post-itsessie, waarbij ouders, leerkrachten en jongeren opmerkingen over de situatie op school en de situatie thuis konden delen. Daarbij zetten we jongeren en volwassenen in aparte groepen, om het behapbaar te maken en omdat we dachten dat jongeren dan meer vrijheid zouden voelen om hun verhalen te delen. Maar ze zeiden achteraf dat het voelde alsof de volwassenen nu óver hen praatten en niet met hen. Volgende keer zetten we ze dus juist weer bij elkaar.
Je moet er dus echt voor zorgen dat de mensen die meedoen zelf ook iets hebben aan de samenwerking. Dit onderzoek draagt bij aan oplossingen voor problemen waar ze zelf tegen aanlopen. Maar als je wil dat deelnemers dat ook zo blijven voelen moet je ze wel serieus nemen.’