Interview met Jana Hermann op 04-07-2019

jh_12

  1. U werkt bij het project Nachbarsprache & buurcultuur. Kunt u wat vertellen over uw bezigheden en taken?

“Ik ben voor de monitoring verantwoordelijk en ondersteun ook de materiaalontwikkeling. Zowel de monitoring als de materiaalontwikkeling zijn erg praktijkgericht. We kijken wat de leraren in de praktijk nodig hebben of wat ze graag zouden willen. Wat is belangrijk in de praktijk? Daarvoor begeleid ik uitwisselingen en interview ik ook leraren over de vraag wat nodig is en over hun algemene kijk op uitwisselingen. In de praktijk zien we dan wat belangrijk is. Wat hebben we nodig voor een goede uitwisseling? Wat denken de leraren wat belangrijk is? Wat zorgt voor een geslaagde uitwisseling? Welke randvoorwaarden zijn nodig?

Met betrekking tot het materiaal richten de leraren zich tot ons. Zij komen met ideeën en wensen. We hebben echter ook zelf ideeën, omdat we de uitwisselingen begeleiden en zien waar nog bespreekpunten zijn. In het algemeen komt al heel veel van de leraren zelf. Ze hebben materiaal ontwikkeld en willen het graag voor andere leraren ter beschikking stellen. Het materiaal passen wij dan ook aan en brengen het in het project-lay-out. Het is belangrijk dat echt alle leraren die in zoiets geïnteresseerd zijn, bij dit materiaal kunnen komen. Daarom publiceren we het op onze website. Dit zijn zowel PDF- als Word-bestanden, zodat het ook voor andere leraren toegankelijk en makkelijk aan te passen is. Ik denk dat het erg belangrijk is  dat men niet alleen bestaand en star materiaal heeft, maar dat men dit individueel kan aanpassen aan het uitwisselingsproject.”

  1. Welke activiteit in het kader van het project is u tot nu toe het meeste bijgebleven?

“Ik heb een paar uitwisselingen begeleid en ik vind het mooi om te zien hoe veelzijdig deze zijn. Je ziet dat er niet slechts die ene bepaalde vorm van uitwisseling bestaat. We hebben verschillende scholen en verschillende leraren in het project. Dat zijn niet allemaal docenten in het vreemdetalenonderwijs, maar ook sportleraren en  geschiedenisleraren. Het is leuk om te zien hoe veelzijdig uitwisselingen daardoor zijn en dat er een hele bandbreedte aan uitwisselingsmogelijkheden is. Je hebt in het begin altijd een bepaald beeld in je hoofd. Dit is vooral zo, omdat je vroeger als scholier zelf aan uitwisselingen hebt deelgenomen. Nu kun je ook zien dat in de grensregio de eendaagse uitwisseling een hele andere uitwisseling is dan vroeger, toen er bijvoorbeeld meerdaagse uitwisselingen waren met Italië. Dit waren programma’s van twee weken die dan ook eerder toeristisch vormgegeven waren. Dit staat in schril contrast tot de uitwisselingen van het project, waarbij niet alleen of slechts als het nodig is op een toeristisch niveau uitgewisseld wordt, maar echt de taal en cultuur samen uitgewisseld wordt. Het is belangrijk over elkaar te leren, maar nog belangrijker om ook van en met elkaar te leren.

Bovendien vind ik het ook indrukwekkend dat de scholieren, die meestal in de tienerleeftijd zitten, goed met elkaar uitwisselen en met elkaar in gesprek komen. Meestal hebben tieners andere interesses en het is in het algemeen een hele spannende levensfase. We worden dan erg blij en enthousiast dat het dan toch lukt met de uitwisselingen.”

  1. Wat bepaalt volgens u het succes van het project?

“Ik denk dat meerdere factoren een rol spelen. Met name de factor dat we erg praktijkgericht en pragmatisch zijn, is belangrijk. We beginnen echt bij de basis. Wat is in de praktijk nodig? Welke vragen en wensen zijn er bij de leraren? Ik denk dat ook de motivatie, zowel bij ons in het team als bij de leraren en schoolleiders, een hele belangrijke rol speelt. We hebben in het project een bijzondere sfeer. Dat heeft echt uitwerkingen op wat we doen en hoe we naar buiten toe over komen. Wat misschien ook nog aan het succes bijdraagt, is de betrokkenheid van stagiairs en studenten. Het is in ons voordeel dat de leraren niet alleen met ons communiceren, maar dat we ook succesvol studenten kunnen inzetten. Deze zijn als het ware de schakels tussen ons en de leraren en ondersteunen ook de leraren bij uitwisselingsactiviteiten. Zo ontstaat er een goede verbinding en samenwerking. Dat wordt aan ons als zeer positief teruggekoppeld door de leraren. Zij waarderen dat heel erg.

  1. Wat hoopt u in 2020 met het project bereikt te hebben?

“We hebben eigenlijk al een heel goed bereik, maar er is altijd nog een groter bereik mogelijk. Misschien bereiken we nog meer scholen en nog meer leraren die we enthousiast kunnen maken voor uitwisselingen. We kunnen proberen ons project onder de aandacht te brengen. Dit proberen we te creëren, doordat we tijdens workshops op verschillende congressen of evenementen het project en ons materiaal voorstellen. Dan worden de mogelijkheden voor de leraren ook duidelijk die in zo’n uitwisselingsproject bestaan en er wordt duidelijk wat we kunnen bieden. Bovendien zien ze dat er niet slechts die ene soort uitwisseling bestaat, maar dat er nog veelzijdige andere uitwisselingsmogelijkheden en -situaties bestaan. Het is tevens ook belangrijk dat de leraren zien dat de inzet, ondanks de grote moeite en het extra werk, altijd de moeite waard is. Ze ervaren dan dat het zeer verrijkend is voor alle betrokkenen.”

  1. Gaan we kort naar 2030 en bekijken we de binationale grensoverschrijdende samenwerking in de onderwijssector tussen Nederland en Duitsland. Welke factoren zullen volgens u deze samenwerking tot een succes maken?

“Ik denk dat men echt samenwerkt en niet nog steeds de andere kant als anders ziet, maar dat men bij elkaar komt. Het gaat er dus niet meer om dat de ene kant met de andere kant communiceert, maar dat er met elkaar gecommuniceerd wordt. Men moet daarbij niet eerst kijken wat niet lukt of wat problematisch is, maar focussen op dat wat mogelijk is en daarop opbouwend dan kijken hoe je verder kunt komen. Het is daarbij belangrijk om actief te worden en niet eerst af te wachten tot misschien ook de andere in actie komt, maar om juist samen actief te worden.

Ik promoveer ook op het thema uitwisseling en richt me daarbij vooral op het perspectief van de leraren. Met betrekking tot het opleiden van leraren is duidelijk te zien dat er nog twee verschillende systemen zijn en juist het onderwijs behoefte heeft om samen te groeien en om van elkaar te leren. Door mijn interviews merk ik dat ook leraren deze wens hebben. In het project hebben we ook uitwisseling tussen leraren. Het moet normaler gaan worden om in het andere land te verblijven. Op deze manier kunnen leraren soms een dag les in een ander land geven. Ik geloof dat dat helpt bij de grensoverschrijdende samenwerking respectievelijk voor grensoverschrijdend aaneengroeien en ook voor het wederzijdse begrip.”