Interview met Sabine Jentges op 21-05-2019

  1. U werkt bij het project Nachbarsprache & buurcultuur. Kunsj2t u wat vertellen over uw bezigheden en taken?

“Ik werk in het project vooral op het gebied van materiaalontwikkeling en monitoring. Materiaalontwikkeling betekent dat we in de regel kijken welke behoeften de scholen en leraren hebben en wat ze eigenlijk met de uitwisselingen willen bereiken. Wij proberen dan gemeenschappelijk, deels ook met de leraren en vooral ook met studenten, materiaal te produceren dat voor de uitwisselingen gebruikt kan worden. Er is inmiddels een omvangrijke materiaalwebsite ontstaan, waarbij we ook regelmatig de terugkoppeling krijgen dat leraren voor uitwisselingen ook op het beschikbare materiaal terugvallen. Er zijn echter ook steeds weer leraren die zich bij ons melden en graag materiaal voor bijvoorbeeld een stadrally willen. Het andere deel van mijn projectwerkzaamheden is monitoring. Hier wordt onderzocht welke effecten uitwisselingen hebben en hoe een ideale uitwisseling er uit kan zien. Ook wordt gekeken wat de voorwaarden voor een goede uitwisseling zijn, zodat de scholieren achteraf niet gefrustreerd zijn en de grens niet meer over willen. Het is dus belangrijk dat deze barrière zich afbouwt en hierbij kijken we naar hele verschillende dingen. Het is allemaal erg praktijkgericht, waarbij er dan natuurlijk soms theoretische concepten bestaan die erachter zitten.”

  1. Welke activiteit in het kader van het project is u tot nu toe het meeste bijgebleven?

“Er zijn natuurlijk al een hoop uitwisselingen geweest, waarvan ik er helaas niet heel veel heb gezien. Ik heb er slechts een paar gezien. Er zijn ook meerdere evenementen geweest, maar eigenlijk is het altijd het mooiste om bij een uitwisseling aanwezig te zijn. Het doet ons goed te zien, dat ze met ons materiaal werken en dat dat ook goed gaat.”

  1. Wat bepaalt volgens u het succes van het project?

“Ik denk dat het belangrijk is dat de scholen in de loop der jaren vaker met meerdere klassen uitwisselen en nu al de vraag signaleren, hoe het na het projecteinde eigenlijk verdergaat. Ze willen verdergaan. Uitwisselingen zijn natuurlijk niets nieuws. Dat bestaat al honderd jaar en waarschijnlijk al veel langer. Ik denk dat het daarom belangrijk is dat we proberen om met het materiaal, de ontwikkeling en de begeleiding voor uitwisselingen die we aanbieden, activiteiten voor een uitwisseling te vinden die het mogelijk maken dat Duitse en Nederlandse scholieren op een bepaalde manier gezamenlijk aan projecten werken en gemeenschappelijke dingen doen. Op deze manier komen zij echt met elkaar in contact en is het meer dan een standaard-uitwisseling. Deze saamhorigheid is daarbij van belang.”

  1. Wat hoopt u in 2020 met het project bereikt te hebben?

“Ik denk dat we nu al een hoop met het project hebben bereikt. Er zijn op het moment ongeveer 50 scholen die aan het project meedoen. Dat leidt tot erg veel uitwisselingen. Zonder het project zouden er dus veel minder uitwisselingen zijn. Het lijkt mij vooral belangrijk dat de deelnemende scholen en scholieren verder uitwisselen. Wanneer je een eerste uitwisselingsdag ziet, dan merk je goed hoe zenuwachtig de scholieren zijn. Er is dan een totale spanning in de groep. De Nederlandse scholieren staan bijvoorbeeld opgewonden aan het raam of buiten en wachten op de Duitse scholieren. Het gaat erom dat deze angst of onwetendheid voor het andere, wat slechts een paar kilometer verwijderd is, op de een of andere manier afgebouwd wordt. Op deze manier is het niet meer zo spannend om de grens over te gaan, maar een mooie vanzelfsprekendheid.”

  1. Gaan we kort naar 2030 en bekijken we de binationale grensoverschrijdende samenwerking in de onderwijssector tussen Nederland en Duitsland. Welke factoren zullen volgens u deze samenwerking tot een succes maken?

“Ik denk inderdaad de samenwerking in de zin van samenwerken. Deze hele discussie bijvoorbeeld om erkenning van diploma’s, einddiploma’s en dergelijke is in dit kader helemaal niet zo belangrijk. Dat kan weliswaar het een of andere makkelijker maken, maar van samenwerking is eigenlijk sprake wanneer je zoals bij ons tijdens de studie Nederland-Duitsland-Studies inderdaad samenwerkt en samen opleidt. Ik denk dat zulke studie- en opleidingsprogramma‘s, waarbij in het grensgebied gezamenlijk Duitsers en Nederlanders opgeleid worden en ook een aan beide zijden volwaardig diploma krijgen, veel effectiever zijn dan politieke maatregelen van boven. In een multinationale en binationale groep leer je veel meer van elkaar. Natuurlijk zijn er verschillen, maar deze leer je op deze manier beter begrijpen dan wanneer deze van boven verteld worden. Ook hier gaat het weer om de saamhorigheid!”