Interview met Simone Frank op 28-05-2019

sf_1

  1. U werkt bij het project Nachbarsprache & buurcultuur. Kunt u wat vertellen over uw bezigheden en taken?

“Het project is grensoverschrijdend opgezet. Aan de Nederlandse kant is, naast talrijke scholen, de Radboud Universiteit betrokken en aan de Duitse kant naast de scholen de Universität Duisburg-Essen. Op grond hiervan werken ook alle projectmedewerkers in de tandem. Samen met Henning Meredig van de Radboud Universiteit Nijmegen coördineer ik het project. Dit betekent dat wij ons met heel veel organisatorische dingen bezighouden. Hiertoe behoren het verwerven van nieuwe schoolse partners en het vinden van passende tandems net zoals de begeleiding van de deelnemende scholen, de organisatie en voorbereiding van gezamenlijke teambesprekingen en het meewerken aan congressen en de presentatie van het project. Aan de Universität Duisburg-Essen komt er nog bij dat ik ook met de voorbereiding van het beschikbaar stellen van de middelen en de financiële administratie belast ben.”

  1. Welke activiteit in het kader van het project is u tot nu toe het meeste bijgebleven?

“Bijzonder goed bevalt mij de samenwerking met de scholen. Hiervoor zou ik heel graag meer tijd hebben. Heel tekenend was dat twee aan het project deelnemende en zeer geëngageerde leraressen bij een startgesprek, waarvoor ik uitgenodigd was, heel lang naast elkaar hebben gezeten om in een half schooljaar mogelijke afspraken voor de uitwisselingen te maken. Hierbij werd erg duidelijk hoe moeilijk het is om in het alledaagse schoolleven tijd voor excursies/uitwisselingen te vinden die dan ook nog voor een Duitse en een Nederlandse school uitkomen.”

  1. Wat bepaalt volgens u het succes van het project?

“Hier zou ik heel duidelijk zeggen dat het de betrokkenheid van de leraren is. Ook bij de bezoeken van de schoolleidingen krijgen we erg positieve feedback over ons project, het aangeboden materiaal en de ondersteuning door het project. De wens dat het ook na 2020 verdergaat, welke voortdurend bij ons aangedragen wordt, is denk ik een belangrijke indicatie voor het succes van het project. Ik geloof dat het gezamenlijke gebruik van ter beschikking gesteld materiaal, een belastbare infrastructuur en wetenschappelijke begeleiding een belangrijke factor is.”

  1. Wat hoopt u in 2020 met het project bereikt te hebben?

“Ik hoop dat al onze tandems de uitwisselingen ook in de toekomst willen doorvoeren en dat er verder de mogelijkheid zal zijn om de scholen daarbij te ondersteunen. Ik hoop ook dat we valide kennis hebben gewonnen over wat uitwisselingen op verschillende vlakken goed maakt en ten slotte dat de scholen de mogelijkheid hebben om van elkaar te leren en uit ieder schoolsysteem het beste over te nemen.”

  1. Gaan we kort naar 2030 en bekijken we de binationale grensoverschrijdende samenwerking in de onderwijssector tussen Nederland en Duitsland. Welke factoren zullen volgens u deze samenwerking tot een succes maken?

“Een goede netwerkvorming en de bereidheid om met elkaar en van elkaar te leren. Het project heeft al aangetoond dat er, zowel in het Duitse als in het Nederlandse schoolsysteem, elementen zijn die voor de desbetreffende buren gewenst zijn. Deze elementen kunnen voor het eigen schoolsysteem productief worden gemaakt. Uitwisselingen tussen scholen horen als vanzelfsprekend bij het leren. Bureaucratische hindernissen kunnen afgebouwd worden en naadloze overgangen in de leerwegen tot stand gebracht worden om scholieren de toegang tot de opleidings- en arbeidsmarkt in het grensgebied en in het buurland zonder hindernissen mogelijk te maken.”