Radboud Universiteit
Zoek in de site...

‘Carrièreswitch heeft mijn leven enorm verrijkt’

Datum bericht: 5 augustus 2021

Er zit meer in het vat dan advocatuur, bedacht Leonard Verburg. Daarom verruilde hij op zijn 55e een topfunctie op de Zuidas voor een hoogleraarschap aan de Radboud Universiteit. ‘Ik vond het leuk studenten de trukendoos van een advocaat te laten zien, maar zei er altijd bij: die moet je niet gebruiken.’

Hij mag met emeritaat gaan, maar dat betekent geenszins dat zijn werk stopt. Publiceren, bestuurs - en advieswerk, al het leuke wat langskomt, zal hij blijven doen. In die zin is hij een hoogleraar als vele anderen. Al zullen weinigen zoals Leonard Verburg hun emeritaat een doorstart noemen. Ook zijn loopbaan is anders dan anders. Hij was dertig jaar advocaat op de Zuidas, sinds 2000 als partner bij Allen & Overy. Naast die drukke baan begon hij aan een proefschrift en in 2007 werd hij voor een dag per week hoogleraar bij het Centrum voor Postacademisch Juridisch Onderwijs van de Nijmeegse rechtenfaculteit. Om ten slotte in 2010 volledig over te stappen naar de academie en fulltime hoogleraar Sociaal recht te worden. ‘Ik heb twee carrières gehad. En zo had ik het ook bedacht.’

Had u dat pad als student dan al uitgestippeld?!

‘Nee hoor. Rond mijn vijftigste ben ik gaan nadenken. Ik zei tegen mezelf: ik wil op mijn 75e kunnen terugkijken op een loopbaan waar ik alles uit heb gehaald wat erin zat. Met alleen advocatuur kun je jaar in jaar uit doorgaan. Het is een prachtig verdienmodel, maar het wordt meer van hetzelfde. Puur alleen belangen verdedigen van één partij begon te weinig toegevoegde waarde te hebben voor mijn leven, ik wilde op een hoger abstractieniveau aan de slag. Als advocaat is het je taak partijdig te zijn, terwijl een wetenschapper dat nou juist niet moet zijn. Het perspectief van een advocaat is dat van zijn cliënt, maar het perspectief van de wetenschapper is de waarheid.’

Dat zijn grote woorden.

‘De waarheid heeft vele gezichten. Zeker in de rechtswetenschap, want menselijk gedrag heeft veel verschillende gezichten. Als je de waarheid wilt benaderen, kun je niet volstaan met het perspectief van één partij. Je moet kijken naar alle perspectieven en streven naar ordening: hoe zit het nou echt?’

Was de wetenschap uw gedroomde tweede carrière?

‘Niet van tevoren. Ik dacht wel: het moet mijn reputatie ten goede komen. Het moest werk zijn dat past bij iemand uit de top van de advocatuur. Mijn andere eis was dat ik een maatschappelijke bijdrage kon leveren. Dat kan met de wetenschap, dat is ordenen en verbanden leggen met als doel dat de maatschappij, de BV Nederland, daar beter van wordt.’

U had ook – net als uw voormalige collega Ferdinand Grapperhaus – kunnen gaan voor een ministerschap.

‘Weinigen worden daarvoor gevraagd. En eerlijk gezegd: het lijkt me leuk, maar niet altijd. We hebben wel naar elkaar gekeken en ik heb geregeld gedacht: soms heeft hij de beste job en soms heb ik de beste job van ons twee. De wetenschap heeft me in elk geval enorm veel plezier gebracht.’

Geen stille hoop op een telefoontje van de formateur, nu u toch vrij bent?

‘Als een dergelijk verzoek zou komen, is dat iets waarop je, als je denkt dat je het kan – en dat denk ik inderdaad – geen neen behoort te zeggen. Er liggen bovendien genoeg lastige, maatschappelijk relevante dossiers en zulke dossiers boeien me. Dus ik heb mijn telefoon altijd bij me ...’

Heeft u door de academie ook andere inzichten gekregen?

‘Dat vind ik een moeilijke vraag. Het antwoord is natuurlijk ja, maar om voorbeelden te noemen ... Mijn denken is veranderd, meer in de richting gegaan van: wat kan ik nog bijdragen aan de maatschappij? Dat klinkt hoogdravend, maar zo is het toch wel. Ik wilde de verhalen en ervaringen die ik in de praktijk had opgedaan, via publicaties aan de maatschappij doorgeven. Dat is niet alleen altruïstisch, dat vind ik zelf ook leuk. Ik ben daarom op latere leeftijd gaan publiceren, mede om rechters van dienst te zijn. Die hebben vaak maar beperkt tijd voor een zaak en dan is het handig om een bepaald concept verhelderd te krijgen door ervaringskennis. Wat ik me niet zo gerealiseerd had, maar steeds leuker ben gaan vinden, is dat ik mijn kennis ook door kan geven aan studenten.’

Wat wilde u studenten bijbrengen?

‘Ik vond het leuk ze de trukendoos van een advocaat te laten zien, maar zei er ook altijd bij: die moet je niet gebruiken. Mijn definitie van een goed advocaat is: iemand die alle doortraptheden doorziet en begrijpt, maar ze zelf niet toepast. Alleen zo bouw je aan een goede reputatie en dat levert je een gunstiger bejegening van rechters op. Dat betekent niet dat je aardig moet zijn, je mag hard zijn. Je kunt met open vizier nog steeds zeggen dat je iemand maar tien euro betaalt in plaats van vijftien. En natuurlijk ben je op winnen uit. Ik had een hoge score. Ik wil worden herinnerd als een advocaat die zich niet de kaas van het brood liet eten, maar wel fair was in het zakendoen.’

Wat ziet u als belangrijke ontwikkelingen in het arbeidsrecht?

‘In de rechtszaal is de druk op meer empathie, om meer te kijken naar de belangen van de ander, toegenomen. Vroeger was het: als de wederpartij ja zei, dan was je starthouding al om nee te zeggen. Dat was de normale manier van procederen. Het procesrecht is gegroeid naar meer informatie geven en als partijen, samen met de rechter, de zaak tot een goed einde proberen te brengen. In het fusie- en overnamerecht was dat al langer zo, daar ligt de nadruk op het tot stand brengen van een deal. Dan moet je als jurist de verhoudingen niet onnodig verzieken. Ik ben begonnen als procesadvocaat, hard tegen hard, en heb de vaardigheden erbij geleerd van de transactieadvocaat. Ik zei vroeger weleens met een glimlach: sommige advocaten moet je niet in de rechtszaal zetten, want die zijn niet gewend tegengesproken te worden, maar andersom moet je sommige vechtjassen uit de rechtszaal niet in de transactiepraktijk zetten, want dat is een heel ander spelletje. Ik heb beide kanten van het werk mogen beoefenen en dat heeft me qua persoonlijkheid versterkt.’

Wat hebt u als hoogleraar maatschappelijk bijgedragen? Hoe is de BV Nederland door uw werk beter geworden?

‘Ik heb over tal van onderwerpen gepubliceerd, waaronder de insider-outsiderproblematiek, de groeiende tegenstelling tussen vaste en flexibele arbeidscontracten. Met de wetswijziging uit 1999 kregen werkgevers meer ruimte voor flexibele contracten en die hebben ze flink benut. Er is geen land in de OESO waar het percentage flexkrachten en zzp’ers zo hoog is. Dat evenwicht tussen vast en flexibel gaat de verkeerde kant op, was de stelling in mijn oratie. Ik heb ook nog een wetsvoorstel geschreven over versoepeling van het ontslagrecht, voor D66-Kamerlid Koser Kaya. Dat is helaas niet verder gekomen dan de Tweede Kamer. Mijn bijdrage is dat ik heb meegeholpen het probleem op de agenda te krijgen. Dat er vervolgens niets of weinig aan gedaan wordt, daar ben ik niet teleurgesteld over. Ik zou teleurgesteld zijn als ik er nooit over gesproken had, maar ik kan mezelf recht in de spiegel aankijken. Uiteindelijk is het een politieke afweging. Kijk, daar heb ik wel ideeën over, maar dan ben ik niet meer de wetenschapper. Als wetenschapper moet je helpen om inzicht te krijgen in effecten van wetten en regels, en dat heb ik gedaan.’

Als wetenschapper kun je de politiek toch ook adviseren?

‘Ja, maar een van de dingen die ik zou willen doorgeven aan vakgenoten, is: pas op dat je je niet te veel voor het karretje van politici laat spannen. Want die zijn niet bezig met de waarheid, maar met hun karretjes. Ze bellen je vaak niet om te horen hoe het zit, maar om te horen dat wat zij willen, goed en verdedigbaar is. Dat is niet de taak van de hoogleraar. Bij dat wetsvoorstel speelde dat probleem niet, Koser Kaya was het eens met mijn stellingname. Ik pleitte en pleit voor een minder complex ontslagrecht, waarin flex minder flex en vast minder vast is. Als dat wetsvoorstel een vervolg had gekregen, zou het moeilijker zijn geweest en had ik me moeten afvragen of ik dat politieke spel als fulltime hoogleraar zou kunnen doen.’

Zijn er in het algemeen te veel regels?

‘Ja. Ik zie ook op ons rechtsgebied een welhaast oeverloze regelzucht bij allerlei overheden. De bundel met alle wet- en regelgeving voor het sociaal zekerheidsrecht beslaat inmiddels 1.500 pagina’s! En dan heb je het dus nog niet over de rechtspraak. Als we niet oppassen, gaat het arbeidsrecht dezelfde kant uit. Keep it simple mag een aandachtspunt zijn.’

Kunt u een voorbeeld geven?

‘Neem de NOW-subsidieregelingen, waarmee werkgevers tijdens de lockdown hun medewerkers in dienst kunnen houden. Er is nu al discussie over of mensen die ten onrechte geld hebben gekregen, dat zouden moeten terugbetalen. Ik verbaas me daarover. Waarom zouden we niet accepteren dat een aantal mensen ten onrechte geld heeft gekregen? Het was een verstandige regeling en nu komt het erop aan als overheid ook even een grote jongen te blijven. Want voor je het weet, heb je een tweede toeslagenaffaire. Kijk, mensen die echt gelogen hebben, dat is wat anders. Maar het effect nu is dat ook welwillenden zuchten onder het juk van de controle. Ik hoor al mensen zeggen: had ik het maar nooit aangevraagd, want ik word nu op kosten gejaagd met mijn accountant en ben veel tijd kwijt met het aanleveren van allerlei informatie. Met de eis van terugbetalen bouw je alleen maar een enorme bureaucratie op. Ik pleit voor meer empathie en individuele rechtvaardigheid bij dit soort regelingen. In die zin is de toeslagenaffaire een goed voorbeeld, want die legt bloot dat oeverloze regelzucht haaks staat op rechtvaardigheid.’

Op welke dingen uit uw academische loopbaan bent u trots?

‘Ik ben trots op de medewerkers van mijn vaksectie, en dat ik vier jaar bestuurswerk voor de rechtenfaculteit heb gedaan. Dat ze me daarvoor vroegen, was voor mij een teken dat mijn overstap echt geslaagd was. Verder ben ik er trots op dat ik de insider-outsiderproblematiek mede op de agenda heb gezet. En dat ik een generatie studenten mee heb laten delen in de grote praktijkverhalen van de Zuidas.’

Waar bent u door teleurgesteld?

‘Teleurgesteld is een groot woord. Maar toen ik hoogleraar werd, leek het me leuk om ook internationaal dingen te doen. Dat is er niet van gekomen. Dat heeft deels te maken met de druk op het onderwijs en op het meedoen aan het nationale discours en met mijn bestuurswerk binnen de faculteit. Maar ik heb me er ook in vergist. Als je jong begint in de wetenschap, bouw je een internationaal netwerk op. Ik had wel zo’n netwerk, maar in de advocatuur en zakenwereld, niet in de wetenschap. Is dat een big deal? Nee, natuurlijk niet. Ik kijk terug op een fantastische periode. Die volle carrièreswitch op mijn 55e kan ik iedereen aanraden. Het heeft mijn leven enorm verrijkt.’

Laatste woorden

‘Zorg ervoor de breedte in het werk te behouden. Als wetenschapper hoef je niet achter alle detailregelgeving aan te lopen, maar moet je de verbanden en overkoepelende concepten laten zien. Neem ook kennis van aanpalende rechtsgebieden, anders is er het risico dat er gaten vallen. En ten slotte: meer lezen, minder publiceren. Het lijkt wel alsof we in de wetenschap allemaal achter een nieuwe publicatie aanhollen, maar elkaars werk nauwelijks lezen. In je jaargesprek zou niet alleen aangevinkt moeten worden hoeveel publicaties je hebt geschreven, maar ook: heb je je vakliteratuur bijgehouden en daarnaast ook nog een goed boek – Plato of de wereldliteratuur – gelezen? Die intellectuele kant is hard nodig om breed te kunnen blijven kijken.’

Tekst: Bea Ros. Dit artikel verscheen eerder in Radboud Magazine. Foto: Bert Beelen.