Sinds enkele jaren geven steeds meer gemeenten en provincies opdracht om hun betrokkenheid bij slavernij te laten onderzoeken. Na publicaties over onder meer Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en eerder dit jaar Nijmegen, verscheen onlangs Vergeten verhalen: Slavernij en de koloniale ketens van ’s-Hertogenbosch. ‘In eerste instantie kregen we de opdracht om te kijken naar de betrokkenheid van stadsbestuurders’, vertelt Dries Lyna, universitair docent Economische, Sociale en Demografische geschiedenis aan de Radboud Universiteit. ‘Maar we wilden niet alleen een droog rapport opleveren. We wilden ook laten zien hoe individuen zich binnen een keihard systeem bewogen en kansen wisten te grijpen om hun positie te verbeteren.’ Dit deed Lyna samen met onderzoekers Kim Lempereur en Joris Martens.
Het reconstrueren van dit soort biografieën leek makkelijker gezegd dan gedaan. ‘De bronnen zijn niet gemaakt om de verhalen van slaafgemaakten te vertellen, maar in procesdossiers of scheepsregisters zijn toch snippers aan informatie te vinden die ons in staat stelden een aantal bijzondere levensverhalen aan de vergetelheid te onttrekken.’ In het boek beschrijven de historici de verhalen van Filippina, Alexander en Constantia, drie voormalig tot slaafgemaakten die in Den Bosch woonden en werkten. ‘Deze verhalen vonden we per toeval in de bronnen. We moeten beseffen dat er talloze vergeten verhalen zijn van mensen zoals Filippina, Alexander en Constantia. Daar willen we met dit boek recht aan doen’, benadrukt Lyna.
Het zijn de verhalen van veerkrachtige mensen die ondanks alle ontberingen van de slavernij het heft in eigen hand namen en iets van hun leven maakten. Neem het verhaal van Filippina. Geboren in slavernij groeide ze op een plantage in Berbice (tegenwoordig Guyana) op. Toen de inboedel (waar slaafgemaakten schrijnend genoeg deel van uitmaakten) van die plantage werd verkocht, verhuisde ze met haar moeder naar het bruisende Paramaribo. Daar werkte ze als bediende van een legercommandant. Toen de commandant en zijn gezin terugkeerden naar Nederland, ging Filippina mee en zo belandde ze van Berbice in Den Bosch. Door het verbod op slavernij in de Republiek, was Filippina na een overgangsperiode van zes maanden wettelijk vrij. Al bleef ze wel in dienst van het gezin dat haar had meegenomen. Ze liet zich er dopen en koos daarbij Fortuijn, de naam van haar vader, als haar wettelijke achternaam. Na tien jaar in Nederland keerde ze als ‘vrije zwarte vrouw’ terug naar Suriname.