In onze maatschappij worden we voortdurend verleid om dingen te kopen. Om geld te verdienen, nuttig bezig te zijn en te consumeren. “Geef tegengas en ga op zoek naar andere ‘zin’ dan die van het kapitalisme”, zegt buiten-promovendus Ben Kuiken. Voor zijn proefschrift aan de Faculteit der Managementwetenschappen maakte hij een kritische filosofische beschouwing van het begrip ‘sense-making’.
“Wat zie jij hierin”? vraagt Kuiken. Hij wijst naar een houten rechthoekig blad dat op vier ijzeren poten staat. “Een bureau, een tafel, een kunstwerk?” Het is de introductie van het onderzoeksthema van organisatiefilosoof en buiten-promovendus Ben Kuiken: sense-making, ofwel de betekenis die we geven aan dingen. Op 8 maart verdedigt hij zijn proefschrift ‘Making sense of sense-making’ aan de Radboud Universiteit. Kuiken: “Wat ik heb gevonden, is dat onze betekenisgeving nooit neutraal is, maar iets zegt over de waarde die wij aan dingen toekennen. En helaas wordt die betekenisgeving de laatste decennia sterk gedomineerd door het kapitalistische systeem. Hoe kunnen we zoveel mogelijk geld verdienen? Van nut zijn? ‘Likes’ verzamelen op social media? Terwijl er ook veel waarde zit in dingen waar je helemaal niets mee kunt, die geen praktisch nut hebben. Laten we dus proberen om weerstand te bieden aan de ‘zin van de markt’, zoals ik dat noem, en onze eigen zin weer maken.” Want, zegt Kuiken, hoewel onze huidige manier van sense-making waardevol en nuttig is, wordt het problematisch als we denken dat deze waar is.
Sense-making is zowel waardevol als problematisch, zeg je. Wat bedoel je daarmee?
“Sense-making gaat over het geven van betekenis aan de werkelijkheid, aan wat er gebeurt. En rondom die betekenis organiseren wij ons. Waarom? Zodat we kunnen samenwerken en met elkaar afspraken kunnen maken over hoe de wereld in elkaar zit. Bij dat ‘organiseren’ reduceren we de meervoudigheid van de werkelijkheid, zoals de Amerikaanse sociaalpsycholoog Karl Weick zegt. In organisaties gebeurt dat bijvoorbeeld met functies. Door te zeggen ‘Jij bent de manager,’ of ‘Jij bent maar een gewone medewerker’ reduceren we in feite een heel persoon tot één aspect van diens identiteit. Dat is handig, want daardoor kunnen we ermee omgaan, kunnen we er spreadsheets mee vullen en er een functieomschrijving van maken. Maar we doen er tegelijkertijd mensen en dingen mee tekort. Mensen en dingen zijn niet maar één ding, en bovendien veranderen ze voortdurend. Alleen vinden wij dat heel lastig, want wij willen dingen grijpbaar maken en vastzetten.”