Teachar on yellow cushion reader a book for students
Teachar on yellow cushion reader a book for students

Dubbel-bijzondere leerlingen: ken jij ze?

Wist je dat Agatha Christie en Albert Einstein, ondanks hun genialiteit, als kind leeruitdagingen hadden? Einstein kon bijvoorbeeld pas rond zijn zesde comfortabel spreken en Christie had disorthografie, waardoor ze moeite had met schrijven. Beiden werden ze wereldberoemd, maar vaak blijven hoogbegaafde leerlingen met een leer-, ontwikkel-, of gedragsuitdaging onzichtbaar. Hoe ga je als leerkracht of ouder om met kinderen waarvan je onderbuikgevoel zegt dat er meer in zit, maar het er niet uitkomt? En waarom is dat eigenlijk belangrijk?

Dubbel-bijzonder

Een blijvend gebrek aan zelfvertrouwen, zwaarmoedigheid en misschien zelfs een depressie op latere leeftijd. Het kan allemaal ontstaan als jij en je omgeving niet begrijpen waarom je moeite hebt met leren. Gedragswetenschappers Evelyn Kroesbergen en Marielle Wittelings hebben daarom, samen met hun partners uit de wetenschap en praktijk, drie jaar lang onderzoek gedaan naar wat er moet gebeuren om leerlingen te herkennen waarvan de kans groot is dat ze dubbel-bijzonder zijn: hoogbegaafde kinderen bij wie het leren, door verschillende redenen, niet vanzelf gaat. 

Tussen wal en schip

Kroesbergen legt uit: ‘Dubbel-bijzondere kinderen krijgen niet de juiste aandacht en zorg omdat, bijvoorbeeld door een sterk aanpassingsvermogen, de leer-, ontwikkelings- en/of gedragsuitdagingen onzichtbaar blijven. Maar het kan ook andersom; door die uitdagingen zien scholen over het hoofd dat ze hoogbegaafd zijn’. ‘In dat laatste geval spelen er ook nog steeds een hoop vooroordelen’, zegt Wittelings. ‘Want hoe kan een hoogbegaafd kind nou leerproblemen hebben? De conclusie is dan vaak dat het kind toch niet hoogbegaafd is’. Daarnaast zijn scholen niet ingericht op dubbel-bijzondere leerlingen. Kroesbergen legt uit: ‘Denk bijvoorbeeld aan toegang tot een stille, prikkelvrije ruimte tijdens toets momenten. Dubbel-bijzondere leerlingen voldoen vaak, door hun aanpassingsvermogen, net niet aan een ‘label’ om hier recht op te krijgen. Omdat ze het wel echt nodig hebben vallen ze tussen wal en schip’. 

Bijdragen aan geluk

Waarom willen we zo graag dat hoogbegaafde kinderen goed presteren in de klas? Zijn hoogbegaafde kinderen soms extra belangrijk dan andere kinderen? Kroesbergen legt uit: ‘In de eerste plaats heeft ieder kind het recht om gelukkig te zijn’. Dubbel-bijzondere kinderen worden vaak niet begrepen en hebben moeite om zich te laten zien. Ze kunnen hierdoor enorm ongelukkig worden, zeker als ze geen passende hulp krijgen. 

Kroesbergen geeft een voorbeeld: ‘Een hoogbegaafd kind met dyslexie heeft een enorme wil om te leren, maar ook moeite met lezen. Dat zit die wil om te leren weer in de weg’. Wittelings vult aan: ‘we zien bij deze leerlingen onmacht en verdriet. Ze weten vaak wel dat ze het kunnen, maar het komt er gewoon niet uit. Het geluk van dubbel-bijzondere leerlingen mag niet alleen afhangen van mogelijke vooroordelen. Het is als leerkracht belangrijk om naast je onderbuikgevoel, ook uit te kunnen gaan van wetenschappelijk onderbouwde kennis'. 

Bij het begin beginnen

En die kennis is er nog bijna niet, dus gingen Kroesbergen en Wittelings aan de slag. Hoe? Door bij het begin te beginnen. Bij een aantal middelbare- en basisscholen zijn ze de huidige stand van zaken in kaart gaan brengen. Met vragenlijsten, interviews en dossieranalyses is gekeken hoe het huidige onderwijsaanbod is afgestemd op dubbel-bijzondere leerlingen. Vervolgens zijn met deze scholen ontwikkelplannen opgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd. De eerste resultaten en adviezen zijn terug te lezen in de brochure ‘Niet langer tussen wal en schip’. Hierin staat onder andere een checklist waar scholen meteen mee aan de slag kunnen. 

Wat kunnen scholen doen?

Kroesbergen geeft aan: ‘organiseer met je team één keer per jaar een studiedag om aandacht te besteden aan dubbel-bijzondere leerlingen. Zo weten leerkrachten in ieder geval dat het bestaat en kunnen ze nadenken over passende oplossingen of waar ze hulp kunnen vinden’. Wittelings vult aan: ‘een van de inzichten uit ons onderzoek is dat zodra er bijvoorbeeld een leeruitdaging is vastgesteld, professionals hier de focus op gaan leggen. De sterke kanten van de dubbel-bijzondere leerlingen raken daarmee uit het oog verloren terwijl het juist zo belangrijk is om deze aan te blijven spreken. 

Iedere school een orthopedagoog?

‘Ik roep vaker: iedere school moet een orthopedagoog hebben!’, lacht Kroesbergen. We hebben specialisten nodig die precies weten hoe ze, onder andere, signalen van dubbel-bijzondere leerlingen kunnen herkennen, en begrijpen ze die leerlingen het beste kunnen ondersteunen in hun onderwijs en ontwikkeling. Daarmee dragen we bij aan inclusiviteit en diversiteit in het onderwijs, en vooral: blije kinderen.’